Hap, zegt de tijger

God mag weer in de letteren, maar hoe ver gaat de verdraagzaamheid voor religieuze schrijvers eigenlijk?

Benno Barnard (1954) is dichter en essayist. Hij woont op de taalgrens in België. Onlangs verscheen zijn autobiografische 'Dagboek van een landjonker'.

De theoloog Harry Kuitert reageerde op de Watersnoodramp van 1953 als Voltaire op de aardbeving in Lissabon van 1755. Op Wikipedia vind je dit erover: 'Veel van zijn kerkleden zijn bij de ramp namelijk om het leven gekomen die hij vervolgens moest begraven. De ramp leidde voor Kuitert tot een breuk met de gereformeerde dogmatiek, namelijk dat voor hem de goddelijke voorzienigheid niet opgaat.' (Zou de auteur van deze tekst gereformeerd zijn? Er is weleens beter Nederlands geschreven in die kringen.)

Later zou Kuitert tot de ontdekking komen dat al die zwartgallige filosofen en schrijvers sinds de Verlichting gelijk hadden: de wereld is een zinloze en fundamenteel tragische plek, waar mensen zich troosten met zelfbedachte goden; de slimmere exemplaren beseffen dat die goden niet werkelijk bestaan en bedwelmen zich met de opium van de bovenlaag: esthetica, kunst, literatuur.

'Wat over Boven wordt gezegd komt van beneden' - zie hier de theologie van Kuitert en ontwikkeld Nederland.

Ook Jaap Goedegebuure liefhebbert in vrij worstelen met een gereformeerde jeugd, maar zijn conclusies, zoals vorige week neergelegd in een essay in Letter & Geest, zijn interessanter dan die van Kuitert. En dubbelzinniger.

Allereerst schrijft hij kritisch over 'het honende koor dat bij monde van Gerrit Komrij, Rudy Kousbroek en Michaël Zeeman anno 1997 werd aangeheven toen de CPNB als boekenweekthema had gekozen voor 'Mijn God'. "'t Christendom zakt nu van slapte haast door de benen en bedelt wat bij de achterdeur", monkelde Komrij. "Wat moet een schrijver er al helemaal mee?"'

Nu, Komrij maakt maar wat arabesken in een moreel vacuüm. Niet toevallig poogt hij in datgene wat hij zelf schrijft, zijn poëzie voorop, het demonische van het bestaan uit te bannen, op de wijze van het nepschilderij of de tranerige schlager. Het is kitsch.

Via deze aloude, inmiddels overleden schimpers komt Goedegebuure op Willem Jan Otten. Als Komrij staat voor de oppervlakkige intellectueel die in 1968 besloot dat het grote verhaal van de westerse beschaving boerenbedrog was, dan staat Otten voor de diepgravende cerebrale schrijver die ten slotte dat grote verhaal omhelst: een credo ut intelligam, een geloof om te begrijpen, in navolging van Anselmus van Canterbury.

Goedegebuure bewondert Otten en ik deel zijn bewondering. Otten is niet alleen een begenadigd schrijver, maar ook een kerel met ballen. "Terecht constateerde Otten in het Nederlands Dagblad naar aanleiding van de hem toegekende P.C. Hooftprijs, dat bij alle openheid voor religie en spiritualiteit de deuren weer dichtgaan zodra het gesprek de kant van het christelijk geloof op gaat. Hij zal daarbij zeker gedacht hebben aan de polemiek die hij uitlokte met zijn aanval op 'de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie' in het essay 'Het wonder van de losse olifanten' (1999)."

Dat 'ontwikkelden' verwijst naar de 'Reden über die Religion' van de Pruisische theoloog, filosoof en taalgeleerde Friedrich Schleiermacher, welk werk is opgedragen an die Gebildeten unter ihren Verächtern. Het verscheen in 1799, precies tweehonderd jaar voor het pamflet van Otten. De romantiek botste op de Verlichting, en dat doet zij nog steeds - maar het punt van Schleiermacher en Otten is nu juist dat 'geloof' niet de uitschakeling van het denken veronderstelt.

De salon van het westerse denken is helder verlicht. Er is moed voor nodig om je ook in de schemerige achterkamers te wagen, waar je je stoot aan oude meubelstukken. Otten doet dat en het maakt hem als schrijver superieur aan Komrij.

In zijn proza valt Komrij met een neurotische gedrevenheid vakgenoten aan, maar zodra iemand reageert, roept hij verongelijkt dat het mes in de rug van zijn opponent maar een kartonnen toneelrekwisiet is: het is vorm, theater, poppenkast, literatuur, geen ernst, vooral geen ernst!

Komrij misbruikt dus de vorm om iets niet te menen. En dat is precies het verschil tussen hem en Otten - Otten gebruikt de vorm om iets wel te menen.

Niet toevallig stak diezelfde Komrij ook Otten een kartonnen dolk in de rug. "De meisjes zijn er toch in geslaagd de laatste schrijvende katholiek uit Nederland op de lijst te zetten", zei hij een paar jaar geleden op Facebook. Die lijst was de toplijst van de AKO-prijs, de meisjes waren enkele juryleden en de laatste schrijvende katholiek was Willem Jan Otten.

De polemist was daarmee afgezakt tot een historisch laag peil: dat van ir. A.A. Mussert, de leider van de Nationaal-Socialistische Beweging, die in de nazistische krant Volk en Vaderland van 6 december 1935 zijn onwrikbare vijand Anton van Duinkerken als 'den zich katholiek noemenden Van Duinkerken' omschreef. Voor alle duidelijkheid: de gereformeerd opgevoede Mussert bedoelde dat 'katholiek' niet als compliment. Daarop componeerde Van Duinkerken zijn door onze geheugenloze cultuur inmiddels vergeten 'Ballade van den katholiek':

Jawel, mijnheer ik noem mij Katholiek.

En twintig eeuwen kunnen 't woord verklaren

Aan u en aan uw opgewonden kliek,

Die blij mag zijn met twintig volle jaren...

Het kostte hem in de oorlog internering in een gijzelaarskamp.

Goedegebuure neemt dus de verdediging van Otten op zich, de schrijver die meent wat hij zegt. Maar - en hier begint de dubbelzinnigheid - mag je als schrijver zoiets als geloof wel menen?

"Willem Jan Otten die op momenten van heldere kou maar al te goed lijkt te beseffen dat geloven een kwestie is van doen alsof, acteren, iemand of iets aanwezig doen worden op een manier waarvoor je je theatrale vermogens tot het uiterste toe moet exploiteren. Die laatste overweging brengt me als vanzelf bij Frans Kellendonks fameuze frase dat het geloof een kwestie is van 'oprecht veinzen'. God, zo zag een moe geworstelde Kellendonk ten slotte in, troont op de gezangen der mensen, en heilig is wat door ons geheiligd wordt."

Otten speelt dus een spel met de illusie. De intellectueel die het christendom belijdt, is een vent die een circusnummer opvoert, iets als je kop in de bek van een tijger stoppen.

Ik ken Willem Jan Otten tamelijk goed: hij meent het beslist. Waarom zou 'het menen' onartistiek zijn? Waarom zou het dogmatisme en geslotenheid impliceren? Want dat noemt een huiverende Goedegebuure een groot gevaar: "Hoe onorthodoxer, vrijer, creatiever een schrijver met de hem toegevallen religieuze erfenis omgaat, des te beter dient zij of hij de zaak van de literatuur, die per definitie gebaat is bij het verleggen van grenzen en het scheppen van geestelijke vrijheid. Dogmatisch mag een schrijver nooit zijn, niet als schrijver en dus ook niet als gelovige."

Dat ben ik op het eerste gezicht wel met hem eens, en ik ben bepaald gecharmeerd van die formulering 'de hem toegevallen religieuze erfenis'. Maar wat precies betekenen woorden als 'orthodox' en 'dogmatisch' voor Goedegebuure? Dat je in de onfeilbaarheid van de Paus gelooft? Of in het decretum horribile van Johannes Calvijn?

Ik denk niet dat de door Goedegebuure genoemde schrijvers dergelijke dogma's omhelzen.

Maar als je het nu wel meent van die vleeswording en zo, ben je dan ook dogmatisch en dus verdoemd als schrijver? Hoe open is de openheid van Goedegebuure?

Was T.S. Eliot verdoemd als schrijver? Joseph Brodsky? Czes¿aw Mi¿osz?

Drie Nobelprijslaureaten.

Drie meners.

O, ik wil dat credo over het verleggen van grenzen en het scheppen van geestelijke vrijheid best gehoorzaam namurmelen, maar, eh... Eliot om te beginnen... dat was toch een orthodoxe gelovige, die de hem toegevallen religieuze erfenis niet erg lichtzinnig opvatte? En was deze steile, dogmatische man niet tegelijkertijd een dichter die onorthodox, vrij en creatief met de hem toegevallen literaire erfenis omging, waar hij zijn religieuze erfenis weer doorheen mengde?

Hap, zegt de tijger.

Wat betekent 'het menen' eigenlijk?

Nu wordt het ingewikkeld.

Tegenover Kuitert, die uitgaat van de ervaring, de natuur en dus ook de natuurramp, staat Kierkegaard, die op 11 september 1834 in zijn dagboek noteert: "De reden waarom ik niet kan zeggen dat ik met zekerheid geniet van de natuur is, omdat het mij in de reflectie niet geheel duidelijk wordt wat ik nu geniet. Een kunstwerk kan ik vatten. De werken van de godheid zijn me te groot."

Ziehier de visie van Kierkegaard op de onmogelijkheid geloof (of ongeloof) af te leiden uit de natuurlijke werkelijkheid - wat het archimedische punt in het denken van Kuitert is.

Kierkegaard was dan ook de filosoof van de 'geloofssprong'.

Het resultaat van zo'n sprong is dat je wekelijks een tamelijk onsmakelijke snack in je mond steekt en een slok inferieure foezel drinkt, waarvan een persoon in een rare jas beweert dat ze samen het lichaam vormen van een dissident die twintig eeuwen geleden door de Romeinen is geëxecuteerd.

Amen.

Waarom zou je bij je volle verstand aan die gekkigheid meedoen?

Een goeie vraag, waar Willem Jan Otten al een jaar of twintig over nadenkt, in de traditie van een aantal van de grootste geesten uit de westerse geschiedenis.

Mijn eigen spontane antwoord zou luiden: de kerk is niet de enige plaats waar het consumentisme wijkt voor de mythe, want dat gebeurt ook in het theater; maar de kerk is wel de enige plaats waar de nepreligie van de psychologie wordt vervangen door begrippen die groter zijn dan je ego: door schuld en vergiffenis bijvoorbeeld. Een psycholoog kan je niet vergeven; dat moet je zelf doen - wat volgens mijn opvatting pas werkelijk een reden is om depressief te raken.

Maar als je eraan meedoet, dringt zich wel eens de vraag op: zou Jezus nu 'echt' zijn opgestaan?

Hum.

Alles wat we hebben is een verhaal. Metafysisch gespeculeer is tamelijk vruchteloos, zoals Schleiermacher ook al vond. Over God weten we weinig. De aanblik van zijn hiel verblindt je; hij kan behoorlijk kwaad worden; hij flikkert je van je paard... nee, dat is niks.

Speculatie is een doodlopende weg. Als je over het goddelijke blijft speculeren kom je bij Kuitert uit: dan maak je het verhaal kapot, zoals zoveel ezels van academici met mooie boeken doen.

Bestaat God?

Weet ik veel. Maar zoals de theoloog Reve zei: hij heeft toch zelf nooit beweerd dat hij bestond?

Oprecht veinzen betekent dat je meespeelt in het grote mythische toneelstuk dat aan de basis van onze beschaving ligt. O, begrijp me goed, er zijn veel kerken waar ik nog niet dood zou willen worden aangetroffen - vooral niet dood eigenlijk. Kerken met afschuwelijke muziek, waar achterlijkheid wordt gepreekt, evangelische dweperij, creationisme, antiwetenschappelijkheid, homofobie, vrouwenachterstelling, seksuele vreugdeloosheid... Ik daarentegen verkondig dat je binnen de context van het mysterium tremendum buitengewoon lekkere seks kunt hebben.

Van die snack eten is het geheim van oprecht veinzen. Vervolgens mag je je weer 167 uur in de twijfel storten. Weinig dingen kun je hartstochtelijker menen dan oprechte twijfel.

Ik denk dat Kellendonks beroemde maxime verkeerd begrepen is. Ik denk dat hij iets anders bedoelde, namelijk dat de enige mogelijke benadering van God is: doen alsof je je hem kunt voorstellen. Daartoe gebruik je woorden en rituelen van menselijke herkomst. Wat over Boven wordt gezegd komt van beneden; ja, nogal wiedes. Het is dan ook ware fictie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden