Hans Dorrestijn Ik ben misschien iets gelukkiger, maar het lijden gaat door

Hans Dorrestijn (Ede, 1940) is liedtekstschrijver en cabaretier. Hij is vooral bekend als de man die ’ondanks een liefdeloze jeugd en een depressief bestaan’ een succesvol kunstenaar kon worden. Zijn stijl: tragikomisch, zwartgallig. Met zijn laatste boek Dorrestijns Vogelgids, lijkt hij evenwel een andere weg te zijn ingeslagen. Geen verhalen over ongelukkige huwelijken, dronkenschap of een verziekte jeugd meer. De vogelaar Dorrestijn lijkt haast gelukkig.

„Mijn moeder is allergisch voor God. Als het woord God valt, begint ze te sissen als een natte voetzoeker. Ze is nu in de negentig – en wordt al een beetje milder - maar vroeger moest ik haar steeds streng voorhouden dat het even absurd was te zeggen dat de aarde niet was geschapen als te zeggen dat hij wél geschapen was. En dat je niet moet doen alsof je beter kunt denken als je God afschaft. Ik? Ik weet het niet* Enerzijds bestaat God wel, anderzijds bestaat God niet. Ik kan het goddelijke in een zeepaardje zien: stil, onopvallend, mooi diertje* Toen ik vanochtend een bijtje, met de klompjes stuifmeel aan zijn pootjes, rond een Teunisbloem zag zoemen, moest ik glimlachen en als ik naar kneutje, een paapje of een keepje kijk – om maar even een paar leuke vogels te noemen – voel ik* ja, dan ik voel een soort dankbaarheid. Tegelijkertijd begrijp jij toch ook wel dat ik niet iemand ben die zich God voorstelt als een vaderfiguur, als de Schepper van hemel en aarde?”

„De vrouw. Die verafgood ik nog steeds. Ze is de voltooiing, de vervolmaking van de schepping. Maar ook mijn eerbied voor schrijvers is er in de loop der jaren niet minder op geworden. Ik droomde van Gerard van het Reve, voerde eindeloze fantasiegesprekken met hem. Op een dag, het zal ergens in 1965 zijn geweest, kwam ik hem tegen in de tram, in Amsterdam. Ik had toevallig zijn verzameld werk bij me. Ik dacht: nú zou ik het toch moeten durven. Ik stond op, liep op hem af en zei: ’Meneer Van het Reve, ik ben een groot bewonderaar van u en ik kan het bewijzen ook.’ Ik hield mijn tas voor hem open, hij stak zijn hoofd er helemaal in en zei: ’Hm* dat ruikt lekker!’ We raakten in gesprek en hij was buitengewoon aardig voor me. Toen hij moest uitstappen, zei hij: ’Loop even met me mee, dan kletsen we nog wat langer.’ Hij gaf me zijn adres en zijn telefoonnummer. Ik heb het nummer een paar keer gedraaid, maar er werd steeds door Teigetje of Woelrat, de twee jongens die bij hem woonden, opgenomen. Ik kreeg hem niet te pakken. Wat mij, met mijn lelijkheidsgevoel, vooral zo verbaasde was dat hij met mij, nietswaardige worm, had willen praten en het heeft wel veertig jaar geduurd voordat ik mij plotseling realiseerde dat Van het Reve mij misschien wel een leuke jongen had gevonden* Mag ik trouwens nog even iets zeggen over die nietswaardige worm? Dat klinkt, bij nader inzien, toch iets te bescheiden. Ja, ik ben een worm, maar wel een worm met hoogmoed. Snap je? Echt? O. Ik snap het namelijk zelf soms haast niet meer. Ik loop de hele dag tegen mezelf te spreken, het is één grote warboel. Het is nog knap dat ik een paar touwtjes uit die knoop heb weten los te trekken.”

III

„Ja, dat is mijn tekst: ’Zelfs Christus aan het kruis / had het beter dan ik thuis’. Vind je het blasfemisch? Ik had in mijn laatste programma nog een passage over God die ik betichtte van nazisympathieën; steeds als de geallieerden iets wilden bereiken, stak Hij er een stokje voor. Was er net een haven aangelegd, liet God het drie weken stormen zodat er geen schepen konden binnenvaren en die nazi’s nóg langer hun gang konden gaan* Ik heb dat stukje eruit gehaald. Niet uit lafhartigheid, maar gewoon, omdat het er eigenlijk niet goed in paste. Ik hou er van de dingen zo scherp mogelijk te formuleren. En ik geloof eerlijk gezegd niet dat God, als Hij zó groot is, zich druk maakt over het ijdel gebruiken van Zijn naam.”

„Hier in Bennekom wordt gelukkig nog aan zondagsrust gedaan. Zo lang er tenminste niet iemand op het idee komt om de motorzaag ineens tevoorschijn te halen. Ik ben een geluidsneuroticus, daarom woon ik ook niet in de stad. Ik zou er trouwens best willen wonen. Ik hou van mensen. Dat is steeds hetzelfde liedje: als ik een tijdje alleen ben geweest, wil ik heel graag mensen om mij heen en als ik een tijdje onder de mensen ben geweest, ben ik dolblij als ik weer alleen ben.”

„Als ik aan mijn vader denk, doe ik dat met een groot respect. Hij werd in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers gefusilleerd. Mijn moeder neemt het hem eigenlijk nog steeds kwalijk dat hij in het verzet is gegaan; dat hij zijn gezin in de steek heeft gelaten. Ik zeg dan tegen haar dat we zonder mensen zoals mijn vader misschien nog altijd onder het nazisme hadden geleefd. Ik hoop onder soortgelijke omstandigheden net zulk heldhaftig gedrag te vertonen. Ik heb daar zo mijn twijfels over* hoe zou een nietswaardige worm ineens een bewonderenswaardige heldenrol kunnen vertolken? Aan de andere kant: de intellectuelen lieten het destijds massaal afweten terwijl mijn vader, een eenvoudige typograaf zonder enige opleiding, in 1939 al wist dat het fout ging.

Er werd thuis niet veel over mijn vader gesproken. Er hing ook geen portret van hem in huis. Dat vond mijn moeder een belediging voor haar tweede man. Ik had wel ergens een fotootje van mijn vader, maar ik moet je eerlijk zeggen dat ik, toen ik nog thuis woonde, niet zo met hem bezig was. Ik heb hem niet gekend en ik heb hem ook niet gemist. Voor een kind is de wereld niet anders dan zoals die hem wordt aangeboden. Wat dat voor een wereld was? Dat was een krankzinnige wereld met een allesoverheersende stiefvader. Met woedeaanvallen, met geweld, met geschreeuw en gebrul, met politie over de vloer* Dertien jaar lang. Ja, het was, zoals ze tegenwoordig zeggen, heftig. Nee, niet levensbepalend. Ja, goed, ik heb een tijd lang, met mijn dronken kop, het verhaal van de boze stiefvader gebruikt om medelijden bij de vrouwen mee op te wekken, maar dat werkte averechts. Wie wil er nou met zo’n zielepiet naar bed die alleen maar over z’n slechte jeugd zit te jeremiëren? Op een dag was het over. Ik was er ineens klaar mee. Die man is zesentwintig jaar dood. Moet ik hem nu nog de schuld geven voor dingen die in mijn leven zijn misgelopen? Een mens schept, voor een groot gedeelte, ook zichzelf. Bovendien: hij heeft mij ook leren vissen en ik heb nog altijd aquariums doordat hij vroeger van die prachtige blauwe gourami’s kweekte en ik* – ja schat, natuurlijk is er een relatie tussen mijn magere zelfbeeld en de opvoeding van die stiefvader, maar ik heb gewoon geen behoefte meer om dat helemaal uit te zoeken! Het is zoals het is. Ik ben al lang blij dat ik nu zo’n goede band met mijn moeder heb. We kunnen vreselijk met elkaar lachen. Ze is buitengewoon vrolijk en vriendelijk geworden. Vol energie. Ik denk dat ze mij gaat overleven. Ik heb haar, onbewust natuurlijk, jarenlang die stiefvader kwalijk genomen. Als ik het bewust had gedaan, was ik al veel eerder boos op haar geworden. Dan had ik die woede uit kunnen leven. Nu heb ik het al die tijd mee gezeuld, voor me uit geschoven* maar ’t is klaar, echt waar. Die hele jeugd speelt geen enkele rol meer in mijn leven. Ik heb wel eens gezegd dat iedere klap die ik van mijn stiefvader heb gekregen mij een mooi lied of een verhaal heeft opgeleverd. Dat is het. En meer niet.”

„Ik geloof niet dat ik iemand zou kunnen doden, maar ik moet je eerlijk zeggen: ik ben geen vredelievend mens. Ik zou het best willen zijn, maar op een of andere manier raak ik voordurend met anderen in conflict. Ik word kwaad om de kleinste dingen. Ik ben overdreven gevoelig, denk ik. Vroeger, toen ik nog zoop, belde ik na een feestje de volgende dag iedereen op om mijn excuses aan te bieden. Meestal wisten ze helemaal niet waar ik het over had! Maar als iemand één klein rotdingetje tegen mij zegt, kan ik daar nachten niet van slapen. Rik Felderhof heeft eens tegen mij gezegd dat ik een multigevoelige persoonlijkheid, een msp, of zoiets dergelijks was. Dat luchtte heel even op. Ha! Het heeft een naam. Er zijn meer mensen die er last van hebben. Dat geeft toch een zekere steun in het getob.

Zelfdoding? O, nu* ja ja, het is wel één van mijn thema’s maar, ik* misschien moeten we hier niet over doorpraten. Ik ben gelouterd, er zijn dingen veranderd. Ik heb wel eens op het punt gestaan om, maar* nee, laten we erover ophouden. Mijn kinderen lezen de krant ook. Natuurlijk, ik schaam me kapot. Tegelijkertijd is iemand die werkelijk springt voor mij een held. Als je ziet wat daar aan vooraf gaat, hoe wanhopig je kunt zijn* Kennelijk zijn er mensen die er erger aan toe zijn dan ik. Ik hecht toch nog te veel aan dit leven.”

VII

„Mijn eerste echtgenote, dat was gewoon mijn type niet. Ik was zelf ook nog helemaal in de war. Een rare, wanhopige, chaotische man. Ik kon me levendig voorstellen – ook van mijn tweede echtgenote trouwens – dat ze het niet bij me uithield. Dat rare gedoe, die wanhoop* je moet wel een liefhebber zijn, zullen we maar zeggen.

Ik heb mijn eerste vrouw één keer bedrogen. Dat vind ik heel erg. In mijn tweede huwelijk is het ook gebeurd, vaker zelfs, maar dat neem ik mezelf niet kwalijk want als je twee, drie jaar lang niet mag vrijen, zeg je op een dag toch: nu houdt het op! Anders word je gek.

Ik hoop niet dat het hoofdstuk huwelijk voor mij is afgesloten want ik houd nog steeds evenveel van vrouwen. Ik geloof ook dat ik, ondanks die twee topmislukkingen, goed in staat ben een relatie te onderhouden. Jesse, mijn zoon, zei onlangs tegen mij: ’Het kan best zijn dat je een hele tijd achter elkaar pech hebt, maar op een dag krijg je toch weer geluk.’ En hij kan het weten want hij studeert wiskunde. Misschien maak ik nu ook wel meer kans door ik milder ben geworden. Er wordt ook ongelooflijk veel naar me geglimlacht door vrouwen. Ik ben, wat dat betreft, niet meer zo alleen in de buitenwereld als vroeger. Als ik vroeger op een terrasje iets ging drinken, dan kwam er echt geen meisje bij me in de buurt zitten. Tegenwoordig maak ik veel makkelijker contacten. Mensen houden van me. Weet je waar dat ook door komt? Door Dorrestijns Vogelgids! Ja, echt waar! Ze zijn me zó dankbaar, ze doen alsof ik een ton op hun rekening heb gestort. Geweldig! Maar het lijden gaat door hoor* ja, het lijden gaat gewoon door. Ik zal je een voorbeeld geven. Ik was door RTL 4 gevraagd iets over de klimaatverandering te zeggen. Het schijnt dat de vogeltjes een week eerder gaan broeden en dat is een ramp, volgens sommigen. Ik wilde een tegengeluid laten horen. Ik had het over de voorspellingen van de Club van Rome die niet waren uitgekomen, ik had het over de rietvoorns, met hun robijnrode vinnen, die weer in de Loosdrechtse plassen zwemmen. Ik vertelde over die verhalen over huidkanker: hoe je eerst uit de zon moest blijven, terwijl nu weer wordt beweerd dat zonlicht juist heel geschikt is om kanker mee te bestrijden. Tegen al die mensen die bang waren dat binnenkort overal ter wereld tropische temperaturen zullen heersen en we geen ijsbeer meer zullen overhouden, wilde ik zeggen: wacht even af! Raak niet in paniek, ga rustig slapen. Nou, je begrijpt het al: dat hele verhaal werd geknipt en alleen de laatste woorden werden uitgezonden. Alsof ik een of andere Colijn was die niet in de gaten heeft wat er allemaal gaande is. Ik zakte door de grond! Ik had heel sterke argumenten gegeven en nu* Nou ja, ik kon er ook niet al te veel van zeggen want ze hadden mij en Dorrestijns Vogelgids wel heel erg mooi in beeld gebracht* maar hoe komen we hier nou? O ja, het lijden. Ik ben misschien wel iets gelukkiger geworden, maar het lijden gaat door.”

VIII

„Een dief is een minderwaardig, verachtelijk iemand. Zeker hier, in deze wereld, waarin je helemaal niets tekort komt. Als ik iets niet zelf heb verdiend, kan ik er niet eens gelukkig mee zijn.”

„In het dagelijks leven durf ik haast nooit man en paard te noemen. Daar heb ik het papier of het toneel voor nodig. Het is een zwak punt in mezelf. En het wekt natuurlijk veel agressie, dat snap ik wel. En toch* als iets of iemand mij het vermogen zou aanbieden een beetje meer de waarheid in de werkelijkheid te kunnen spreken, zou ik het niet aannemen. Ik heb veel liever dat het mooi op papier staat. Ik ben een echte schrijver, hoor. Geloof ik.

Ik vind het verschrikkelijk als mensen míj de waarheid zeggen. Als ze ongelijk hebben is het zwaar. Als ze gelijk hebben ook. Het scheelt wel of zoiets met liefde gebeurt. Recensenten schrijven meestal dingen waar je niets mee kan, maar toen mijn tweede verhalenbundel uitkwam, Het graf van Couperin, schreef iemand: ’Ik begrijp niet waarom Dorrestijn, die zo ontzettend leuk kan formuleren, zo’n grijs en stilistisch oninteressant boek heeft geschreven.’ Daar had die man volkomen gelijk in. Het gekke is dat ik het zelf pas in de gaten kreeg toen ik het boek in de boekhandel zag liggen. Dat hele traject ervoor – van manuscript inleveren tot boekomslag maken – had ik mezelf lopen bedotten. Het was niet goed. Dat mocht gezegd worden.

Maar als Elsbeth Etty in het NRC schrijft dat mijn boek Finale Kwijting ’het einde van de roman’ betekende, kan ik het niet helpen tevreden te zijn als ik lees dat haar boekje voor de jarige Mulisch in de Volkskrant een broddellap wordt genoemd. Heerlijk! Heeft ze verdiend. Koekje van eigen deeg.”

„Ik ben extreem vlug jaloers, vooral op prestaties van anderen in mijn eigen vakgebied. Als iemand een mooi lied schrijft, voel ik een mengeling van boosheid en wanhoop. Daar moet ik overigens iets bij aantekenen. Kijk, er zijn twee mensen in ieder mens. Je hebt de mens in de buitenwereld en de mens helemaal alleen, in zijn huiskamer. Die huiskamervariant gehoorzaamt vaker aan zijn slechte impulsen; die kan zijn jaloezie de vrije loop laten. De ándere Hans Dorrestijn kan het inmiddels ook wel een beetje verdragen dat bijvoorbeeld iemand als Jan Siebelink – die ooit net zo’n sukkel was als ik, op school werd hij ook door iedereen uitgelachen – zoveel succes heeft. Dat komt natuurlijk ook doordat ik van Jan houd. Misschien gaat het helemaal niet over jaloezie. Misschien gaat het vooral over twijfel. Twijfel over mijn eigen capaciteiten. En toch*

Als jouw naam niet Arjan Visser maar Magere Hein was en je kwam me nu ophalen, dan zou ik wel tevreden kunnen zijn. Ik heb een paar mooie liedjes geschreven, de trilogie van de Spaanse kat en de Vogelgids natuurlijk* Ik wil ook niet per se boven mijn collega’s uitstijgen, ik wil gewoon niet door anderen als een mislukkeling worden beschouwd. Ja, dat is ook mijn handelsmerk, maar weet je hoe dat komt? Ik durf heel goed naar mezelf te kijken en het negatieve naar boven te halen. Ik durf wat veel schrijvers niet durven, ik durf tegen mezelf te zeggen: Hans, wat ben je toch een klein, jaloers, lelijk mannetje. Tegelijkertijd moet ik constateren dat ik van mijn kunst heb kunnen leven. Ik heb mijn kinderen ervan op kunnen voeden. Ik heb iets voor anderen kunnen betekenen. Ach, ik weet het ook allemaal niet hoor* Zeg, kunnen we nu eindelijk een keer stoppen? Ik ben bekaf.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden