Hans Dagelet Soms is het alsof ik in een ansichtkaart leef

Hans Dagelet (Deventer, 1945) is acteur, schrijver, muzikant en schilder. Dit jaar verscheen zijn roman 'De man met de vier O's', op 20 november opent hij een expositie van zijn schilderijen in Kasteel Het Nijenhuis te Heino en volgend jaar is hij te zien in de speelfilms 'Hemel' en 'Swchwrm' en in de televisieserie 'Levenslied' van de NCRV.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
"Ik had een gefiguurzaagd altaartje, door mijn oom in elkaar geknutseld, een bonnet met zo'n pluimpje bovenop, een wierookvat en priesterkleren die door mijn tante waren genaaid. Mijn slaapkamer was de kerk. Ik was dol op al die rituelen en ik kende de catechismus uit mijn hoofd. Voor het misdienaarschap voelde ik mij te chic; ik vereenzelvigde mij eerder met de priesters. Ik behoorde tot een hogere orde, wij beoefenden een soort tovenarij. Soms werden mijn gebeden verhoord en vond ik mijn kwijtgeraakte spullen weer terug, maar het broertje naar wie ik zo verlangde, heb ik nooit gekregen."

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken
"Ik ben nooit kwaad geweest op God. Het geloof zelf stelde niet veel voor. Het was een sprookje, een spel. Ik heb een tijd last gehad van schuldgevoel - over alles wat ik niet mocht doen en toch stiekem had gedaan - maar ik heb nooit de neiging gehad om mij naderhand heel erg af te gaan zetten. Als ik nu vloek is het niet persoonlijk bedoeld.

Of God bestaat kan ik niet zeggen. Geen idee. Ik weet ook niet wat de zin van het leven is. Er is genoeg te doen hoor, en ik kan mij op van alles verheugen, maar een hoger doel heeft het voor mij niet.

Na God kwamen de verdovende middelen. Wat je dán allemaal te zien krijgt... Ik keek dwars door de wolken heen, mijn blik drong zich zó bij de zon naar binnen. Het kosmische, die oneindigheid: jeeminee zeg! Schitterend."

III Gij zult de dag des Heren heiligen
"Als ik op zondagochtend door Amsterdam fiets, denk ik: ik wou dat het altijd zondag was. Geen gepees, relaxed, rustig. Ik merk dat ik mij steeds vaker terugtrek. Ik zit altijd te pielen aan van alles. Hier, dit moet ik je laten zien: een schilderij met allemaal heel kleine elementen. Daar zit ik uren achter elkaar, als een monnik, aan te werken. Ik stop pas als ik last krijg van mijn nek. Hier in huis worden ze wel eens gek van mij. Ook als ik er wél ben, drijf ik weg. Laatst nog, tijdens het ontbijt. Ik zag hoe prachtige strepen licht door de mist over de bomen vielen en ik hoorde helemaal niet - 'Hans, wat vind jij daar nou van? Hans!' - dat er iets aan mij werd gevraagd. Soms is het net alsof ik in een ansichtkaart leef, heel onwerkelijk. Ik maak er deel van uit, maar ik kan er tegelijkertijd van een afstandje naar kijken. Soms moet ik mezelf in mijn arm knijpen. Is dit echt? Ben ik hier? Misschien ben ik aan het dementeren... Ik vind het een prettig gevoel, maar het isoleert mij wel. Ik merk dat dingen mij ontgaan. Dat vind ik vervelend. Ik zou het niet leuk vinden als ze niets meer aan mij zouden hebben."

IV Eer uw vader en uw moeder
"Mijn ouders hebben ongelooflijk hun best gedaan, ze zijn ongetwijfeld zeer begaan met mij geweest, maar ik heb dat heel lang, heel anders gezien.

Ik heb weinig van mijn ouders meegekregen, ja, wat fatsoenlijk was - of wat voor fatsoenlijk geldt - maar inhoudelijk stelde de opvoeding niet veel voor. Het ergst vond ik de schijnwereld die ze creëerden. Met name mijn moeder was erg hypocriet. Ze deed heel vrolijk, maar ze was het eigenlijk niet. Dat had ik als kind al in de gaten. Ze had veel vriendinnen, was in grote kring ontzettend populair, maar thuis was er ruzie, en onmacht. Later ging ik begrijpen dat ze een overlevingsstrategie toepaste. Ze had haar ouders nauwelijks gekend, ze wist zich met grappen te redden maar was in wezen erg onzeker. Toen kon ik alleen maar kwaad worden: ze was onecht. Dat gevoel werd, naarmate ik ouder werd, alleen maar sterker. Er was ook niet over te praten. Er werden geen inhoudelijke gesprekken gevoerd thuis, het ging alleen maar over wissewasjes. Ik herinner me dat ik een keer met mijn vader, die leraar Engels was, wilde praten over een lp van The Beatles die ik had gekocht. 'Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band'. 'Kijk eens! De hoes, die teksten. En moet je horen!' 'Ja', zei mijn vader, 'dat is wel aardige muziek.' Meer niet. Verstikkend.

Mijn moeder kreeg kanker, maar ook dáár werd niet over gesproken. Ze rookte als een schoorsteen. Er was niets aan de hand. Vrolijk doorpaffen. Gewoon: doen alsof er niets aan de hand is. En mijn vader speelde het spelletje mee.

Niet lang na haar dood kreeg ook mijn vader kanker. De avond voordat hij geopereerd zou worden, heb ik in de tuin van het ziekenhuis een gesprek met hem gevoerd. 'Als ik er morgen niet meer ben,' zei hij, 'dan ligt er een brief voor je in het nachtkastje.' Ik begon te protesteren. Hij was niet levensbedreigend ziek, er was nog van alles mogelijk.

De operatie verliep voorspoedig, maar mijn vader wilde niet langer leven. Hij trok alle slangen eruit en nadat ze hem weer hadden vastgekoppeld deed hij het een paar dagen later wéér. Die tweede keer, in het weekend, was er minder personeel. Hij stierf. Thuis vond ik zijn brief. Het ging vooral over praktische zaken - dit ligt hier, en dat ligt daar - en op het eind wenste hij mij een lang en gelukkig leven. Heel lief. Maar ik was ziedend, rázend! Dat hij het bij voorbaat al had opgegeven.

Hij voelde zich alleen, mijn oudere zus was ook al lang het huis uit. Ons contact verliep moeizaam; ik had geen zin in dat gezeur. Ga je nog wel naar de kerk, jongen? Hij dronk vrij veel, was vaak aangeschoten als ik langskwam. Ik kon het niet aanzien, ik vond het te zwaar... Ik zag hem verkreukelen. 'Ja, jongen, en nou ben ik ook ziek...' O, man! Eerst die schijnwereld, jaren doen alsof, en dan dit... Ik voelde me ronduit bedonderd.

Eerst heb ik de longen uit mijn lijf gevloekt, daarna was het klaar. Ik zie mezelf nog staan, in mijn keuken in de Da Costastraat, drie hoog. Ik was eenentwintig en mijn ouders waren dood. Dit heb ik in ieder geval gehad, dacht ik. Het was in mijn hippietijd, ik zag het echt ineens helemaal licht worden. De somberheid, de leugenachtigheid was voorbij. Het grote lachen kon beginnen. Ik heb me rot gelachen, echt waar. Mijn leven kreeg een andere wending en alles, alles begon te bruisen."

V Gij zult niet doden
"Ja, goed, ook ik heb een overlevingsstrategie ontwikkeld. Ik bleef, ondanks mijn vrolijkheid, een enorme woede met mij meedragen. Ik kon mij overal boos om maken en op een dag moest Esther het ontgelden. Ik zou niet eens meer kunnen zeggen wat de aanleiding was. Lullige dingen. Ik was zó kwaad dat ik echt op het punt stond haar te vermoorden. Gelukkig heb ik mijn woede op voorwerpen bot gevierd, maar ik zat echt een heel klein stapje van een moord vandaan. Ik voelde me daarna zo slecht dat ik overwoog een einde aan mijn leven te maken. Het is maar beter dat ik er niet meer ben, dacht ik. Gelukkig vond ik een therapeute, een hele goeie, die mij na een half jaar weer op de been kreeg. Eerst wilde ik haar van alles over vroeger vertellen, maar dan zei ze: 'Jaja, dat geloof ik allemaal wel. Het gaat erom wat je er nú aan gaat doen!' Ik moest altijd een paar ballonnen bij me dragen. Zodra ik die woede voelde opkomen, moest ik een ballon opblazen. Ik heb echt een zakje ballonnen gekocht - het was zo lachwekkend dat de gedachte zelf al hielp. Ze gaf mij ook boeken te lezen en stelde voor dat ik ging hardlopen of touwtjespringen. Op het laatst vroeg ze of ik Esther een keer wilde meenemen. Dat was de genadeklap. Toen ik hoorde hoe zij een ander, huilend, vertelde wat ik haar allemaal had aangedaan, wist ik het zeker: dit mag niet meer gebeuren."

VI Gij zult geen onkuisheid doen
"Mijn vader had al eens geroepen: 'Je moet je handjes boven de dekens houden!' maar ik begreep niet waarom hij dat zei. Ik snapte ook niets van zijn verhaal over bloemetjes en bijtjes. Tot mijn dertiende heb ik geloofd dat mijn moeder een soort naar binnen gedraaide lul had en dat kinderen in de tiet - hoofdje en armen links, benen rechts, of zoiets - gedragen werden.

Ik herinner me nog goed hoe zondig ik me voelde toen ik voor de eerste keer had gemasturbeerd. Ik heb het onmiddellijk gebiecht en daarna geprobeerd aan onthouding te doen. Ik turfde op het behang de dagen waarop ik me niet had afgetrokken. Als ik er dan na een of twee weken wéér aan toe had gegeven, voelde ik me verschrikkelijk. Een doodzonde. Ik zou zeker in de hel belanden. Langzaam maar zeker begon die angst minder te worden. Ik begon er aan te twijfelen of God mij wel kon zien, sterker nog: ik vroeg me af of Hij eigenlijk bestond. Na mijn puberteit was er van dat hele geloof niets meer over en ik ging, wat seks betreft, helemaal in de overdrive. Ik pakte wat ik pakken kon. Ik was zo gericht op dat ene, dat ik het andere - genegenheid, vriendschap - helemaal oversloeg. Het spijt me nog steeds dat ik in die tijd veel meisjes verdriet heb gedaan."

VII Gij zult niet stelen
"Ik heb het een paar keer gedaan: boekjes bij De Slegte en een pakje roomboter bij Dirk van den Broek. In de supermarkt werd ik gesnapt. 'Wilt u even meekomen?' Vinger in mijn rug, niet omkijken, doorlopen, naar zo'n hokje van de chef. Tassen leeg, zakken leeg, hee, wat hebben we hier? Een pakje boter! Ja. Sorry. 'Waarom doet u dat nou?' 'Mijn vrouw is zwanger', zei ik. Zei die man: 'Ik weet het goed gemaakt. U gaat naar huis en u vraagt uw vrouw mij te bellen. Gebeurt dat niet, dan waarschuw ik alsnog de politie.' Zo is het gegaan, nogal een kinderachtige toestand, voor een vent van 27. Nooit meer gedaan. Ik vind het zielig, ik vind het min om dingen van andere mensen te jatten."

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen
"Ik had in een film gespeeld, 'Een Scherzo Furioso' (1990, geschreven en geregisseerd door Marianne Dikker, AV) en werd uitgenodigd om daar in een programma van Sonja Barend over te komen praten. Ik weet niet wat mij overkwam, maar tijdens het voorgesprek begon ik mijn hele verleden bij elkaar te jokken. Ik zei dat ik al vijfentwintig jaar bij dezelfde vrouw was, dat ik nooit vreemdging en dat soort dingen... Die aardige mevrouw is dat verhaal een beetje gaan napluizen en ze kwam erachter dat er geen reet van klopte. Dat gaf een hoop gedoe. Ze stonden op het punt om mij uit het programma te gooien. Toen heb ik maar bekend dat ik had gelogen. Ik denk dat het met mijn state of mind te maken had; ik was na een lange donkere periode weer verliefd geworden. Ik had het huwelijk al afgezworen, ik wilde geen verhouding, geen kinderen, niets meer - tot ik Esther tegenkwam en omsloeg als een blad aan een boom. Ik denk dat ik, ook in dat praatprogramma, met een schone lei wilde beginnen; mijn verleden moest worden uitgewist. Het was héél gênant en ongelofelijk dom. Ik heb nooit meer zoiets stoms gedaan."

IX Gij zult geen onkuisheid begeren
"Ze was leuk, ze was lief, en heel knap, maar het ging tussen ons eigenlijk meteen al fout. Het was een vergissing. We waren niet geschikt voor elkaar, er was geen wezenlijk contact, geen gemeenschappelijkheid. We kregen twee dochters samen. Voor hen, en uit een ouderwets soort verantwoordelijkheidsgevoel, ben ik bij mijn eerste vrouw gebleven. Dat gaf natuurlijk een hoop wrijving, ik begon twee levens te leiden. Schizofreen. Ik kon haar niet trouw zijn. In het begin was ik daar open over, maar dat kwam zó hard aan dat ik het daarna maar niet meer heb verteld. Ze kwam er natuurlijk toch iedere keer weer achter, wat dan weer de grootste ruzies gaf. Ik wil niet te veel over die periode vertellen, omdat het ook háár aangaat. Laat ik het zo zeggen: ik voelde me gevangen en uiteindelijk hield ik het niet meer uit. Dat was de periode waarin ik dacht nooit meer een relatie te willen totdat, nou ja, Esther dus. Of zij de ware is? Dat wil ik best geloven, ja. Ze is heel bijzonder en ik wil haar niet meer kwijt. Hoe ik nu over vreemdgaan denk? Ik heb er geen principiële bezwaren tegen, maar het geeft zo'n gedoe. Wat haal je je op de hals, voor een paar druppels sperma? Wakker worden in een vreemd bed, zo snel mogelijk weg zien te komen, draaikonterij, ontdekt worden, ruzies, schaamte als de kinderen het horen... Nee. Liever niet. Beter van niet."

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort
"Laatst, toen ik zag dat het boek van Willem Nijholt in de toptien stond, werd ik met terugwerkende kracht boos op mijn uitgever: en hij heeft óók nog eens een advertentie gekregen van Querido! Fotootje erbij, van hem of van dat boek: nu te koop. Die heb ik niet gehad. En ik heb ook geen mooie recensie in De Volkskrant gekregen.

Het was natuurlijk onzin om zo jaloers te zijn, maar ja... ik had twee jaar aan mijn roman zitten schrijven en gewoon iets meer tamtam verwacht. Nee, niet de aandacht of het applaus. Geld! Ja, haha, ik zag het echt al gebeuren, jongen: tweede druk, derde druk, vierde druk en dan hoef ik niets meer te doen. Kan ik lekker gaan schilderen.

Ik word een multitalent genoemd, maar het klinkt zo raar. Ik heb het altijd leuk gevonden om veel door elkaar heen te doen. Acteren, schrijven, schilderen. Ik ben helemaal niet ambitieus, ik heb me nooit serieus ingezet om het onderste uit de kan te halen, maar ik wil wel dat de dingen die ik maak goed zijn. Sluitend, afgerond. Niet voor een ander, maar voor mezelf. Ik hou er gewoon niet van om tegen lelijke dingen aan te moeten kijken.

Ik weet dat er een stijgende lijn in zit, maar ik ben nooit zo met die carrière bezig geweest. Daarvoor heb ik ook te veel verklooid. Ik zie vooral hoe het in mijn persoonlijk leven crescendo is gegaan. Toen ik 65 werd zijn we met z'n allen naar Spanje gegaan om een week lang feest te vieren. Er waren cadeautjes en ik werd toegesproken. Onder andere door mijn zus die vertelde dat ik het vroeger niet altijd makkelijk had gehad thuis. Mijn oudste zoon wist van die geschiedenis niets af en begon te huilen. Dat vond ik zó ontroerend. Daar zat ik dan, in het midden van dat grote gezelschap. Het ging om mij, ik was erbij en toch zag ik het gebeuren alsof ik er zelf niets mee te maken had. Het was heel wonderlijk. Heel mooi. Ja... Ik geloof dat ik steeds melancholieker word... Dat heeft met het ouder worden te maken, maar het is ook een beetje een moeilijke tijd hoor... Mijn beste vriend, die ik mijn broer noem - de broer die ik nooit heb gekregen - kreeg laatst te horen dat hij nog maar kort te leven heeft. Ik heb heel erg gehuild, maar toen ik bij hem op bezoek kwam zei hij: 'Ik heb nu wat een heleboel mensen voor mij al hebben gehad. Ik ben toevallig aan de beurt. Dat is alles.' Het maakt mij verdrietig dat ik hem, en dat wat wij samen hebben, moet gaan missen. Alles gaat voorbij. Tegelijkertijd word ik getroost door de gedachte dat er nog zoveel over blijft. Als ik lees dat er deeltjes zijn ontdekt die sneller gaan dan het licht, word ik daar zó blij van. Dat er nog onbekende dimensies zijn, dat er dingen zijn die wij nog niet kunnen weten of beseffen; dat vind ik echt fantastisch mooi."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden