Handel, maar dan voor een betere wereld

Minister Ploumen heeft er in de Tweede Kamer de blaren voor op de tong moeten praten, maar vandaag is het er: het Dutch Good Growth Fund. Een fonds dat leent aan mkb'ers die het arme deel van de wereld vooruit willen helpen.

Kan dat, geld verdienen en goed doen? Die vraag zijn we toch al lang voorbij, zegt John Morrison. "Het moet. Willen we alle ontwikkelingsdoelen halen die de Verenigde Naties en de Wereldbank stellen, dan is er jaarlijks een biljoen dollar meer nodig dan rijke landen nu uitgeven aan ontwikkelingshulp. De kwestie is niet of het bedrijfsleven een rol kan spelen, de kwestie is hoe."

Een interessant experiment dus, dat Dutch Good Growth Fund, vindt de directeur van het Institute voor Human Rights and Business. Hij is op bezoek in Nederland op uitnodiging van ontwikkelingsorganisatie Icco en accountant PwC. Morrison kent geen ander voorbeeld van een overheid die geld uittrekt om op deze manier het midden- en kleinbedrijf te bewegen te investeren in Suriname, banen te scheppen in Bangladesh of kennis te delen in Tanzania. Om maar wat te noemen.

De oppositie in de Tweede Kamer deelt zijn enthousiasme niet. Dat Lilianne Ploumen, PvdA-minister voor buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking, een miljard bezuinigt op hulp aan de allerarmsten, maar wel 750 miljoen steekt in een ondernemersvehikel werd met scepsis begroet. Op het laatste moment wist de ChristenUnie nog 50 miljoen van het fonds af te snoepen en over te hevelen naar het potje voor traditionele hulp; de miljoenen gaan nu naar de strijd tegen aids, kinderhandel en -arbeid.

De minister ziet het bedrijfsleven als haar natuurlijke bondgenoot. Betaald werk is de snelste route uit de armoede. En wie anders dan bedrijven kunnen er banen scheppen? Hun kennis en kunde zijn al even onontbeerlijk. Een Ghanese boer is beter af als hij zijn ananassen bij een afnemer kan afleveren voor ze half zijn weggerot en hij er nauwelijks nog wat voor krijgt. Die is gebaat bij een koelcel op zijn bedrijf, die een Nederlandse onderneming op maat kan leveren. Of misschien ook kan hij zijn productie verbeteren door eens een ander ras te proberen. Ook daar hebben Nederlandse bedrijven de kennis voor in huis.

Zelfvertrouwen

Bovendien past handel beter bij de nieuwe verhoudingen in de wereld. Menig ontwikkelingsland ontleent nieuw zelfvertrouwen aan een economische groei van tussen de 5 en 10 procent per jaar. "Ghana wil in 2020 al zijn hulprelaties hebben omgezet in handelsrelaties", geeft Ploumen als voorbeeld.

Gewone banken staan niet altijd te springen om bedrijven die in lastige landen willen ondernemen te financieren, merkte ze. Banken zijn bang dat ze hun geld niet terug zien of ze hikken aan tegen de moeite en de kosten die nodig zijn om een ongebruikelijk investeringsverzoek goed te beoordelen. Met het groeifonds wil zij het gat vullen én andere financiers over hun koudwatervrees heen helpen.

Blijft de vraag: hoe kun je van een kleine ondernemer verlangen dat hij de wereld een beetje beter maakt als hij moet werken in een cultuur die niet de zijne is, in een land waar corruptie welig tiert, waar hij geen banden heeft, terwijl die daar juist zo belangrijk zijn? Je mag al blij zijn als hij geen brokken maakt, toch?

Morrison: "Ik denk dat mkb'ers hier juist een voordeel hebben boven grote bedrijven. Bekijk het eens op romantische wijze: als jij driehonderd jaar geleden marktkoopman was, had je een directe relatie met je klanten. Ze wisten waar je woonde, jij wist waar zij woonden. Aansprakelijkheid en transparantie waren vanzelfsprekend. De relatie was persoonlijk, menselijk. Nu is alles veel ingewikkelder. De markt is zo groot als de wereld. Het menselijke element is uit het centrum geduwd."

Kleine ondernemers zijn bij uitstek in staat om de mens weer tot de maat der dingen te maken, denkt Morrison. Zij kunnen persoonlijk contact maken met de mensen ter plekke, hun kennis en netwerk benutten en van daaruit voortbouwen.

Maar vanzelf gaat dat niet, is zijn ervaring. "Grote bedrijven praten voortdurend over hun sociale impact of de consequenties van wat ze doen voor het milieu, over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dat is niet de taal van mkb'ers. En je kunt niet van ze verlangen dat ze het allemaal zelf verzinnen. De overheid moet ze helpen."

Echt, dat moét, meent Morrison. Want de aanname hoe groter het bedrijf, hoe groter de impact deugt niet. "Kijk naar Afrika, naar de mijnbouw of exploratie van olie of gas. Daarin zijn honderden en honderden heel kleine bedrijven actief, vooral geregistreerd in Londen, Canada, Australië, de VS, maar ook hier in Nederland. Voor de zoektocht naar grondstoffen zijn de investeringen relatief gering, vandaar. In Kenia, waar mijn instituut veel werkt, is de kans dat je iets vindt waar toekomst in zit maar 5 procent. Die bedrijfjes hebben geen enkele stimulans om hun milieu-impact te meten, of zelfs maar verbinding te leggen met de plaatselijke bevolking. Want dat kost geld. En de opdrachtgever en investeerders zetten die exploratiebedrijven onder druk om de kosten laag te houden. Die kleine bedrijven opereren volledig onder de radar."

Zelf werkte Morrison ooit bij de Body Shop, de cosmeticaketen die zich er al in de jaren zeventig op liet voorstaan dat ze inkocht en produceerde met respect voor mens en natuur. Hij weet dus dat het anders kan, dat er ook bedrijven zijn die wel degelijk vanzelf overtuigd zijn van het nut van 'goed doen'. Waarom dan ziet hij dan toch zo'n nadrukkelijke rol voor de overheid?

"De regering moet van tevoren duidelijk zijn over haar verwachtingsniveau. Wat moet een ondernemer redelijkerwijs doen? En ze moet de mkb'er helpen met de vraag: wanneer heb ik genoeg gedaan? Bereid je je alleen voor op bestaande risico's? Of inventariseer je ook wat er mogelijkerwijs kan gebeuren? Dat kan hij nooit in zijn eentje beantwoorden."

Minister Ploumen vindt dat ze die zaken goed op orde heeft en Morrison neigt ernaar haar gelijk te geven. "Nederland is in elk geval verder dan veel andere landen."

Er zijn online checklists om na te lopen, iedere serieuze kandidaat voor een krediet van het groeifonds krijgt een persoonlijk gesprek bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en een stevige check op de levensvatbaarheid van het ondernemingsplan.

Maar nu de regering zich op deze manier aan ondernemers verbindt, moet ze nog iets doen, vindt Morrison. "Zelfs een prima bedrijf maakt fouten. Je kunt niet altijd voorkomen dat er iets misgaat. Dat risico is veel te groot voor een klein bedrijf. Het is van het grootste belang dat de Nederlandse overheid een deel van dat risico absorbeert."

Wat zit er in kas?

Dit jaar heeft het Dutch Good Growth Fund een bescheiden 100 miljoen euro in kas. De gemiddelde lening aan een mkb'er bedraagt 300.000 euro, wat betekent dat het fonds dit jaar zo'n 330 ondernemers kan helpen. Volgend jaar komt er 150 miljoen bij, in 2016 nog eens 150 miljoen en in 2017 300 miljoen, zodat het totaal uitkomt op 700 miljoen. Een vierde daarvan, 175 miljoen euro, is bestemd voor Nederlandse bedrijven en nog een vierde voor ondernemers uit landen met veel lage- en middeninkomens die zorgen voor banen, groei en kennisoverdracht. Het derde kwart is voor Nederlandse bedrijven die exporteren naar ontwikkelingslanden. De laatste kwart wordt later verdeeld over de drie doelen, afhankelijk van succes en vraag. Het fonds is revolverend, wat wil zeggen dat het geld dat wordt geïnvesteerd moet terugkomen, zodat met dezelfde euro meerdere ondernemers aan een lening kunnen worden geholpen.

De Nigerianen willen wel

Heugelijk nieuws op Ugometrics, een Nigeriaanse site voor kleine ondernemers. "Nigeriaanse mkb'ers zullen op korte termijn profiteren van een Nederlands fonds gevuld met 700 miljoen euro", staat er. Daarmee is de boodschap die minister Ploumen, twee weken geleden op handelsmissie naar het Afrikaanse land, enigszins vervormd aangekomen. Haar nieuws dat Nederland binnenkort het Dutch Good Growth Fund begint waar ook Nigeriaanse mkb'ers op kunnen intekenen is breed opgepikt. Maar dat ze de 700 miljoen in het fonds moeten delen met 66 andere nationaliteiten is niet steeds even helder.

Ook een lening?

Het Dutch Good Growth Fund staat open voor mkb'ers die willen ondernemen in een van de 66 zogeheten lage- en middeninkomenslanden die het ministerie voor buitenlandse zaken heeft geselecteerd. De landen liggen verspreid over Afrika, Azië, Latijns-Amerika en Midden- en Oost-Europa. De mkb'er moet een goed doortimmerd plan hebben, kunnen aantonen dat er muziek in zit, maar toch geen lening kunnen krijgen bij een gewone bank.

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland doet de eerste toets. Is de ondernemer goed voor mens en milieu? Draagt zijn zaak bij aan de ontwikkeling van de lokale economie? Schept hij banen, zorgt hij voor productie, deelt hij zijn kennis? Een onafhankelijke adviescommissie heeft het laatste woord. Na ongeveer vier maanden weet de ondernemer of hij geld krijgt of niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden