Hand weigeren wordt wel door het hof erkend

De orthodox-islamitische handweigeraar Mohammed Enait is enkel in het ongelijk gesteld vanwege een belangenafweging.

Elma Drayer schreef onlangs in haar column dat het Haagse Gerechtshof zich gelukkig niet liet verblinden door 'religieuze smoesjes' in de zaak van Mohammed Enait. Deze orthodoxe moslim was een baan als klantmanager bij de Rotterdamse sociale dienst geweigerd. Hij wilde vrouwen ter begroeting niet de hand schudden. Hij verloor zijn zaak bij de Rotterdamse rechtbank en ging in hoger beroep bij het hof in Den Haag.

Daar is hij opnieuw in het ongelijk gesteld. Maar niet omdat het hof zich niet liet verblinden door religieuze smoesjes. Integendeel. Het hof erkent nadrukkelijk dat het niet-schudden van handen door deze moslim een uiting van zijn geloofsovertuiging is die in beginsel wordt beschermd door de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) en door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

Daarmee bevestigt het hof dat andere motieven dan religieuze overwegingen niet zijn gebleken. Het hof oordeelt dat Mohammed Enait voldoende aannemelijk gemaakt heeft dat er orthodoxe religieuze stromingen zijn waarin het verboden wordt vrouwen de hand te schudden, en dat hij tot een dergelijke stroming behoort. Toch is hij in het ongelijk gesteld.

Volgens het hof is waardepluriformiteit sinds lang een wezenskenmerk van de Nederlandse rechtsstaat. Daarbij is van belang dat religieuze minderheden niet alleen worden gedoogd, maar ook in staat worden gesteld om volledig deel te nemen aan het maatschappelijk leven, ook met hun van de meerderheid afwijkende denkbeelden en gedragingen. Het is dus niet nodig dat zij de traditioneel in Nederland gebruikelijke beleefdheidsvormen in acht nemen. Anders zouden deze minderheden ernstig belemmerd worden in het vinden van een baan.

Het hof erkent ook dat handen schudden niet langer de enige in Nederland gebruikelijke begroetings- en beleefdheidsvorm is.

Maar waarom stelt het hof Enait dan toch in het ongelijk? Het hof redeneert dat het schudden van handen een in Nederland gebruikelijke, algemeen geaccepteerde begroetingsvorm is. Het hof oordeelt dat in een pluriforme en multiculturele samenleving als de Nederlandse het belang van het hanteren, althans niet afwijzen, van een dergelijke gemeenschappelijke omgangsvorm bij de bejegening van klanten van de sociale dienst zeer zwaarwegend is.

Weliswaar is het hof met Enait van mening dat een andere wijze van begroeten eveneens respectvol zal kunnen zijn, maar het hof acht het zonder meer aannemelijk dat dit niet door alle klanten zo zal worden ervaren. De gemeente moet neutraliteit uitstralen naar alle burgers, ongeacht geslacht, waarbij de klantmanager als vertegenwoordiger van de gemeente fungeert.

Het hof zegt dus niet dat Enait religieuze smoesjes ophangt. Het erkent daarentegen het recht op zijn religieuze overtuiging. Wel stelt het hof de gemeente Rotterdam in het gelijk. De gemeente heeft hem op rechtmatige grond een baan geweigerd.

In dit geding draait het om de neutraliteit van de overheid. Deze neutraliteit vereist niet per definitie dat orthodoxe religieuze geloofsuitingen niet kunnen worden toegestaan. Wel moeten de belangen van religieuze burgers gewogen worden tegen de belangen van andere burgers.

Het hof oordeelt in deze casus dat het belang van burgers die zich tot de sociale dienst wenden, en al in een relatief kwetsbare positie verkeren, zwaarder weegt dan dat van Mohammed Enait. Deze uitspraak betekent ook dat het in een andere zaak in beginsel mogelijk is dat een orthodoxe moslim die weigert vrouwen de hand te schudden in het gelijk gesteld wordt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden