Han Janswoude 1950-2008

Hij deed twee studies en promoveerde. Maar sociaal vaardig was Han Janswoude niet zo. Was hij het ergens mee oneens, dan procedeerde hij.

Hij deed liefst ’s avonds boodschappen, als het donker was en in de winkels rustig – de uren van de vakkenvullers. Maar als zij hem in de supermarkt zagen aankomen, stoven ze naar de koffiekamer. De dampen die hij verspreidde kregen ze liever niet in hun neus. Was hij weer weg, dan was er een spuitbus nodig om zijn kwalijke lucht te verjagen.

De lucht van poep.

Wat er met die man was wisten ze in de supermarkt niet, al viel er wel iets af te leiden uit het feit dat hij meestal een paar flessen port en sherry tegelijk kocht en bij de drogist de ene keer laxeermiddelen, en een andere keer juist middelen die stoppen. Maar toen hij de productie van zijn darmen ook op de tegelvloer van de winkel bleek achter te laten, was voor de supermarkt de maat vol. Ofwel u doet er iets aan, ofwel we moeten helaas van u als klant afscheid nemen, zeiden ze tegen hem.

Han Janswoudes karakter noopte hem te kiezen voor het laatste. Hij werd klant bij de andere supermarkt in zijn woonplaats Ughelen, een dorp dat tegen Apeldoorn aan ligt. Qua afstand maakte dat voor hem weinig uit en trouwens, hij deed zijn boodschappen toch altijd in zijn rode Suzuki.

Groot was hij, en lang. Ook zonder de lucht die hij bij zich had zou hij met zijn witte haar en zijn lange, sleetse regenjas wel zijn opgevallen. Hij sprak beschaafd en was op zich in winkels heel correct en vriendelijk, al zou hij nooit een praatje maken. Hij liet het bij ’Goedenavond’, ’Alstublieft’ en ’Fijn, dank u wel’. Verwarrend was dat hij ook weer niet altijd vervuild rondliep. Soms zag je hem opeens schoongewassen en in pak, met stropdas. Maar of hij nu netjes was of vervuild, altijd stond het zweet hem op het voorhoofd.

Tot zijn binnenwereld kreeg niemand toegang. Zijn huis was al verboden terrein voor anderen. Hij deed nooit open als de deurbel ging. Aangetekende brieven nam hij nooit van de postbode aan, maar haalde hij op bij het postkantoor. Hij nam zijn vaste telefoon lang niet altijd op en gaf het nummer van zijn mobiel alleen bij uitzondering, als het heel erg nodig was.

Ooit, toen zijn ouders nog bij elkaar waren, toen zijn vader –tekenaar bij een ingenieursbureau in Arnhem– op het stuk land naast het huis coniferen kweekte en de tuin rond het huis bijna pijnlijk nauwgezet bijhield, zag het huis er heel anders uit. De dakpannen op het steile puntdak glommen toen van het glazuur, het schilderwerk bladderde niet, de klimop groeide niet over de luiken heen en die zaten ook niet met een hangslot dicht. Van reclamefolders die enkelhoog in de gang lagen was geen sprake. Er stonden nog geraniums in bloembakken voor de ruiten, en die blonken nog. Je kon moeder Willy orgel horen spelen en Han was een veelbelovende scholier die door zijn moeder zeer bewonderd werd omdat hij zo goed kon leren.

Een beetje bijzonder waren de Janswoudes uit Ughelen toen ook al. Ze waren op zichzelf, maar wel vriendelijk. Eigenlijk heetten ze geen Janswoude, maar Jansen. Maar daar had je er, vonden ze, zo veel van. Tijdens Hans schooljaren veranderden ze hun achternaam –dat kostte maar liefst 500 gulden, vertelde zijn moeder– en heetten vanaf toen Janswoude. Nu waren ze uniek: de enigen in heel Nederland. Ze leefden niet op grote voet, maar zaten er in stilte wel warmpjes bij. Hans moeder had veel zusters, van wie een met een handicap. Aan die zuster was verderop in Ughelen een flink stuk grond en een huis nagelaten. Toen zij overleed, jong nog, liet ze dat aan Han na.

Met het huwelijk van zijn ouders ging het niet goed. De band tussen moeder en zoon was hecht en het was alsof vader er niet tussen kwam, een indringer was, mikpunt van spot en ergernis was. Hij ging weg; er werd gescheiden. Contact hadden vader en zoon niet meer, tenzij in de rechtzaal. Han, inmiddels jurist, procedeerde tegen zijn vader omdat hij vond dat zijn moeder maar bekaaid uit de scheiding was gekomen.

Niet alleen werd hij jurist, ook werd hij ingenieur en zelfs promoveerde hij – al voerde hij, zoals juristen wel vaker doen, die doctorstitel niet. Hij promoveerde in 1987 op de milieuvergunningen die gedeputeerde staten afgeeft en pleitte voor kwantitatieve normen in het milieurecht, zodat de vergunningverlener meer houvast heeft en er geen sprake meer hoeft te zijn van willekeur. Daarmee was Janswoude zijn tijd vooruit.

Maar toen het cortège plechtig binnenschreed, dacht die stoet heel even dat ze de verkeerde zaal waren binnengegaan. Op Han, zijn moeder en nog geen handjevol collega’s na was de zaal leeg. In de promotiecommissie zaten meer mensen dan in het publiek. Van een gezellig diner na afloop, met vrienden en familie, met toespraken of zelfs een lied, was geen sprake.

Als docent ’Inleiding Recht’ op de Leidse universiteit was Han Janswoude eigenlijk niet zo’n succes – om boeiend les te geven moet je meer communicatief talent hebben dan hij had. Hij stapte over naar de rechtbank en werd in 1996 in Den Bosch rechter bij de afdeling Civiele Rechtspraak. Maar die verbintenis eindigde vier jaar later alweer. Officieel was Han Janswoude ziek geworden. Niet officieel boterde het ook tussen de rechtbank en hem niet.

Hij was schuw voor vrouwen, om niet te zeggen: doodsbenauwd. Hij was zo iemand aan wie je niet eens vraagt of hij een vriendin heeft; omdat je het antwoord al weet en omdat die vraag veel te dichtbij zou komen.

Zo je in het leven van Han Janswoude kunt spreken van een grote liefde, dan was dat die voor juridische procedures tegen een buitenwereld die hij voor geen cent vertrouwde. Als hij het ergens niet mee eens was, spande hij een bezwaarprocedure of een rechtszaak aan. Tegen de hoogte van de aanslagen van het waterschap, omdat hij onvoldoende duidelijk vond waarop die eigenlijk gebaseerd waren. Tegen gemeentelijke dwang om te zorgen dat het loof van zijn populieren niet over de weg heen hing. Tegen de komst van een snackwagen op een plek waar hij dat niet wilde. Tegen een wijziging in een bestemmingsplan. Tegen de bouw van een carport bij de buren. Tegen de plicht om 87 euro griffierecht te betalen voor een eerdere beroepszaak. Tegen de krakers die in het huis waren getrokken dat hij had geërfd. En toen zijn inmiddels bejaarde moeder, na een paar jaar op de somatische afdeling van een verpleeghuis, de indicatie kreeg dat ze naar de afdeling voor demente bejaarden zou moeten, procedeerde hij ook tegen de vooringenomenheid van de rechter die daarmee akkoord ging.

Vaak duurde zo’n procedure lang, maar Janswoude had geduld en vocht in beroep stug door. Vaak verloor hij, maar in het geval van zijn moeder niet. Ze woonde sinds tien jaar niet meer thuis –ze was slecht ter been geworden, gevallen en (tot zijn verontwaardiging) na het ziekenhuis in een verpleeghuis en een rolstoel terechtgekomen– maar hij bezocht haar elke dag. Meestal na zonsondergang; voor aansporingen van de verpleging om zich eens fris te wassen hield hij zich doof. Bij hem thuis, waar hij nu alleen woonde, was na het vertrek van zijn vader de kweek van coniferen al sinds jaren geleden gestopt. Het stuk land verwilderde en nu zijn moeder ontbrak begon ook het huis zoetjesaan te vervallen. Alleen zijn overbuurman leek enige invloed op hem te hebben. Als de overburen zeiden dat hij toch eens wat moest doen aan die berg van zestig volle vuilniszakken, dan deed hij dat zowaar.

Toen hij eind mei al een paar dagen niet bij zijn moeder was geweest en ook niet had afgebeld, sloeg het verpleeghuis alarm en belde de politie. Die trof hem aan op de grond in zijn huis, dat in een onbeschrijfelijke chaos was veranderd. Volgens de ene versie zou hij in de ambulance op weg naar het ziekenhuis zijn overleden. Volgens een andere was hij toen al dood, want waarom anders zag de brancard waarop hij uit het raam van de eerste verdieping werd getakeld eruit als een dicht pakket?

Zijn moeder was ontroostbaar toen ze van zijn dood hoorde. Ze at en dronk niet meer en alleen met haar overburen van weleer wilde ze nog praten. Tegen ieder ander riep ze „Ga weg!” Precies een week na zijn dood overleed ook zij.

Johannes Jacobus (Han) Janswoude werd op 7 november 1950 geboren in Apeldoorn. Hij overleed er op 22 mei 2008.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden