Ham en de snorharen van Joyce

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Wat bracht Bindervoet en Henkes naar Zürich? De Ulysses-vertalers voeren een vraaggesprek met zichzelf.

Zürich. Waarom Zürich?

Zürich is de James Joyce-stad bij uitstek! De stad lijkt wel wat op zijn geboortestad Dublin: licht provinciale metropolen, gelegen aan weerszijden van een kabbelende rivier, al stroomt de Liffey de Ierse zee in en komt de Limmat de Zürichsee uit. Een stad moest water hebben vond Joyce. Hij hield van het geluid van water. Kabbelen, bruisen, klateren, lispelen...

Maar waarom Zürich?

Hij verbleef er op drie vrij cruciale momenten in zijn leven. Eerst in oktober 1904, in zelfverkozen ballingschap met zijn geliefde Nora Barnacle, nadat ze Dublin vaarwel hadden gezegd om er nooit meer terug te keren. Althans, dat was de bedoeling. Joyce is nog een paar keer teruggeweest, in 1912 voor het allerlaatst, precies op de helft van zijn levensweg.

Ierland was hem te benauwd. Er lag een voddendeken van geloof, familie, armoede en nationalisme over het groene eiland, en daar wilde hij aan ontsnappen. Hij was ook een economische vluchteling. Een gelukzoeker! Hij had gehoord dat er een baantje voor hem was en dat hij aan de slag kon als leraar vreemde talen op de Berlitz-school, met uitzicht op het meer. De jonggeliefden logeerden in Gasthaus Hoffnung, wat Joyce als een goed voorteken beschouwde. Het is de plek waar ze het voor het eerst met elkaar deden, weten we uit een brief van Joyce. Het gebouw zelf staat er niet meer, dat is reeds lang gedemoliert geworden.

Jammer. En die baan?

Die was er niet. Uiteindelijk belandden ze in Triëste in het koningkeizerrijk Oostenrijk-Hongarije. Toen ze dat land in het oorlogsjaar 1915 werden uitgezet, als ongewenste vreemdeling en onderdaan van een vijandelijke mogendheid, keerden ze meteen terug naar Zürich omdat ze er zulke goede herinneringen aan hadden. Je kon er de minestrone van de straat eten! De stad was een broeinest van revolutionairen, kunstenaars en andere ontheemden geworden. De dadaïsten, Stefan Zweig, Einstein, Lenin, Mussolini, ze kwamen er allemaal. En hier schreef Joyce het leeuwendeel van Ulysses. Hier vonden de grote stilistische doorbraken plaats die deze roman tot het grote modernistische meesterwerk van de twintigste eeuw zouden maken.

En de derde keer?

In de jaren twintig en dertig, toen hij in Parijs woonde, kwam hij er vaak op bezoek: zijn oogarts zat er, zijn dochter ging er in analyse bij dr. Jung. De derde keer dat hij er weer kwam wonen, was behoorlijk cruciaal: hij is er overleden, aan een darmperforatie, nog geen maand nadat hij Frankrijk was ontvlucht voor de germ-huns.

Hebben jullie nog een bedevaart gemaakt naar zijn graf?

Ja, we hebben er gepicknickt, met Duits bier, Frans mineraalwater, Beiers brood, Berliner bollen, Italiaanse olijven en Zwitserse chocola. Toen we op het stenen bankje bij het graf gingen zitten, kroop net een lichtgroene hagedis weg. De reïncarnatie van de geest van Joyce! Daar dronken we op.

We kwamen voor de workshop. Serious purposes. Werken aan de winkel. Zürich is namelijk nog steeds de Joyce-stad. In de oude binnenstad resideert de James Joyce Stiftung, met aan het grijze hoofd oprichter Fritz Senn (82), de laatste der oude Joyceanen en de albezielende aanvoerder van de workshop. Hobby’s: fotografie, voetbal, sambal, jazz, Joyce. Zestig jaar geleden stortte hij zich op de boeken van Joyce om te ontsnappen aan dreigende depressiviteit. Een beter alternatief dan drank of drugs want ’het had tenminste geen schadelijke bijwerkingen’. Escapisme, hij kan het iedereen aanraden, zegt Senn in zijn memoires uit 2007.

Hoe kwamen jullie daar terecht?

We waren uitgenodigd. De Stiftung organiseert elk jaar workshops. Geen oneindige vergezichten rustend op particuliere stokpaardjes (‘Joyce en het post-neokolonialisme’, ’Joyce en de feministische deconstructie’). Altijd an den Text heran. En geen lezingen die vanaf papiertjes worden voorgelezen, want daar houdt eredoctor Fritz ook niet van. Die dingen heten niet voor niets papers! De workshops zijn ongeconstrueerde rondetafelconfrontaties waar iedereen elkaar mag onderbreken. Mág, er moet niks. Er mag gezongen worden. En er mag ook gelachen worden, naar goed Joyceaans gebruik. Dit keer ging het onder de totaaltitel Transwork over het vertalen van ’Ulysses’, in een select gezelschap vertalers, een paar aangevlogen studenten en studentinnen van diverse pluimage en enige verlichte academici. Maar het ging om die Ulysses-vertalingen-in-wording. Hoe doe je dat, ’Ulysses’ vertalen? Wat zijn de onvertaalbaarheden? Hoe vertaal je een palindroom, of liedjes die niemand meer kent en waar ook nog eens op geparodieerd wordt? Hoe vertaal je Shakespeare-citaten die gediscontextualiseerd worden? Wat moet je doen als niemand het weet, als geen enkel naslagwerk, in de kast of op twee benen uitkomst biedt? En ook belangrijk: voor wie vertaal je eigenlijk? Voor de academicus met zijn begrippenapparaat? Voor jezelf? Voor het geld? (hilariteit) Of voor u, onschuldige, maar welwillende lezer? En de hamvraag: waarom vertalen?

’Ulysses’ is toch al vaker vertaald?

Wis en waarachtig! Alle overzettingen waren geheel nieuwe gooien naar het onmogelijke. De Finse dichter-vertaler-uitgever Leevi Lehto is bezig aan de tweede Finse vertaling; de eerste wordt beschouwd als een Fins modernistisch standaardwerk op zichzelf. Twee Hongaren waren bezig aan een revisie die aan het uitgroeien was tot een totale hervertaling. De Italiaan Enrico Terrinoni, gepromoveerd op Joyce en het Occulte, veerde op toen er een vleermuis ter sprake kwam, dat was heel belangrijk in het ’vampirische discours’. Maar goed, daar had hij het verder niet over. Hij maakt een ’commerciële’ nieuwe vertaling.

En wij dus, die ook naadloos in de ontwikkeling van de hervertalingen passen. Er zit systeem in: je hebt eerst de pioniers, de enthousiastelingen die nog niet konden weten wat wij nu weten. Bij ons was dat de vertaling van John Vandenbergh (1969). Dan de tweede golf die vergissingen probeert recht te zetten, maar daarbij gauw, uit een soort pedanterie en betweterij, uit het oog verliest wat de taal van Joyce bijzonder en Joyceaans maakt, en die dus ook weer een correctie behoeft. Zoals bij ons de vertaling van Paul Claes en Mon Nys uit 1994.

Een derde Nederlandse ’Ulysses’. Moet dat?

Neem een eenvoudig eenwoordig vragend zinnetje als ’Sandwich?’ Een gedachte die in de hoofdpersoon Leopold Bloom opkomt als hij door trek gedreven een café binnenstapt. Het lijkt eenvoudig, een sandwich was toen ook al een sandwich. Maar! Dit simpele woordje is voor Bloom het begin van een associatieketen langs het spoor van een folkloristisch raadselversje: Why should no man starve on the deserts of Arabia? Antwoord: Because of the sand which is there. Volgende vraag: How came the sandwiches there? Antwoord: The tribe of Ham was bred there and mustered. En dat is de volgende gedachte van Bloom: Ham and his descendants mustered and bred there. Dus je zit woordspelig meteen verknoopt in de Bijbel met Ham, die zijn vader Noach naakt en dronken zag, en een hele proviandkast woorden die met eten te maken hebben, ham, brood en mosterd, en dat alles in een ongedwongen, haast natuurlijke samenhang. Bloom denkt vanwege die sandwich aan het rijmpje. Als je de sandwich de sandwich laat, kan je nooit meer automatisch aan een raadseltje van vroeger denken met zand en woestijnen. Toch hebben alle vertalingen dat broodje ongemoeid gelaten, of althans het niet zo vertaald dat het als aanleiding kan dienen voor een uit het collectieve geheugen opgediept raadsel. De eerste vertalers wisten niet beter, die hadden niet door dat het een standaard grapje was, noch wát het grapje was. De woordspeling is banaal en juist dat zijn de moeilijkste dingen om over te zetten. Als een vertaler dan een even kinderachtige woordspeling maakt, loopt hij het risico erop aangekeken te worden. De vertaler, vatte Fritz Senn samen, krijgt zelden het voordeel van de twijfel dat de schrijver wel wordt gegund. Maar: „Je moet iets riskeren, want dat deed Joyce ook.” Je moet het niet terugbrengen naar de norm. Elke zin moet een gebeurtenis zijn. Als je alleen de mededeling vertaalt ben je hopeloos verloren. Joyce dwingt de vertalers tot vrijheid.

Wat gaan jullie met die sandwich doen?

De opdracht is: vind of maak een raadsel waarvan je je kunt voorstellen dat kinderen dat aan elkaar vertellen op het schoolplein, waarna ze dan uitroepen: ’Bah wat flauw!’ De nieuwe Duitse vertaler-herziener laat de goed-Duitse Hans Worst aanrukken als stand-in voor Ham. De Hongaren splijten de grap: één zinnetje gaat over het eten en een ander knoopt daaraan een verwijzing naar de bijbelse figuren. Nu wil het toeval voor ons Ollanders dat wij met één been in het Engelstalige moeras staan: Nederlands is een volle neef van het Engels. Daarin is ham niet alleen ’Ham’ – een oude variant van het gangbaardere ’Cham’ – maar ook ’ham’. Zelfs in het Vlaams is het hesp! Geen enkele andere taal kan Noachs zoon en het onkoosjere en niethalalle broodbeleg combineren. Met gebruikmaking van ons eigen curieuze begrip ’boterham’ kan Bloomverder denken: „Boterham? Het botert niet tussen pap en Ham, want Ham was broodje nuchter.” Dit is geen authentiek kinderraadseltje, maar het heeft er nu wel de schijn van. We faken het, ook een strategie die veelvuldig ter sprake kwam. Je hoort de lezer uitroepen: ’Bah wat flauw!’ Maar dan begrijpt hij het tenminste wel en is de vertaler geslaagd in zijn missie.

Wat is die missie?

Een vertaling doet idealiter hetzelfde voor de doeltaal als het origineel voor de brontaal. Als een lezer zich afvraagt waarom er nou zo veel ophef wordt gemaakt over dat boek, wat er nou zo goed aan is, ligt dat meestal aan de vertaling. Over de eerste Duitse vertaling vroeg Kurt Tucholsky zich af: „Of er is een moord gepleegd, of er is een lijk gefotografeerd.” Vaak stranden de pogingen van de welwillende lezer in de vertaling. Terwijl juist vertalers van Ulysses een gouden kans krijgen om hun eigen taaleigen op te peppen met de vitaliteit en de grappigheid van het Joyceaans en vice versa.

En hoe zit het met Joyce’s snorharen?

Het gebouw waar we al deze wijsheden om de oren kregen geslingerd, herbergt een dodenmasker van Joyce, een van de drie originele afgietsels van het originele gipsmasker. Toen dit exemplaar werd overgedragen aan de Stiftung schijnen er nog wat snorhaartjes van Joyce aan te hebben vastgezeten. Een van de curatoren meldde ons dat die verloren waren gegaan, en daarmee ook kostbaar Joyce-DNA, waarmee we hem wellicht hadden kunnen terugklonen, zodat hij ons eindelijk ’Finnegans Wake’ kon uitleggen.

Of Ulysses helpen vertalen natuurlijk.

Of Ulysses helpen vertalen natuurlijk.

(Trouw) Beeld
(Trouw)
Joyce met vrouw en kinderen in Zÿrich. ( Illustratie: Erik Bindervoet) Beeld
Joyce met vrouw en kinderen in Zÿrich. ( Illustratie: Erik Bindervoet)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden