Haiku, Willem Johan van der Molen, lied en poëzie

“Er zijn wel eens mensen die aan me vragen: Willem, wanneer ga je weer eens poëzie schrijven? Want dit zien ze niet als poëzie.”

Terwijl hij het zegt, wijst Willem Johan van der Molen op een stapel met een stuk of vijftien ongepubliceerde haiku-bundels en enkele door hem samengestelde bloemlezingen.

“Kijk, dit, dit en dit hier, allemaal werk van de laatste vijftien jaar. En dat treft me dan wel eens, dat er mensen zijn die zeggen, goh, we hebben weinig meer van hem gehoord. . . hij schrijft zeker niet meer. Dat is toch raar?”

“Het komt waarschijnlijk omdat ze niet bij een grote uitgever zijn gedrukt. Adriaan Morriën vindt mijn werk mooi en gaat ermee naar Van Oorschot, mijn eerste uitgever, om te bemiddelen. Het antwoord is: 'Ik vind de inhoud wel aantrekkelijk maar hou niet van de vorm'. En een ander zegt: 'Kun je er niet wat langere gedichten van maken?' En weer een ander: wel mooi, maar het past niet in ons fonds'. Hazeu zegt: 'Je moet het geen haiku noemen'. Maar dat zijn het toch?”

In de werkkamer op de plek van de oude deel van zijn prachtig tussen de landerijen liggende boerderij nabij het Drentse Orvelte brengt de dichter het gesprek steeds opnieuw op de haiku.

Sinds hij in 1985 als bijzondere schaderegelaar bij Centraal Beheer afscheid nam, heeft hij de van origine Japanse versvorm ontdekt en zich ontwikkeld tot een soort ambassadeur van het genre. Zo geeft hij sinds een jaar of vijf ook zijn eigen periodiek voor het korte gedicht uit, 'Kortheidshalve'. In het jongste nummer staan onder meer de volgende verzen: Veraf het roepen;/ het onbegrepene in me/dat altijd luistert. En: Het hoofd denkt een woord;/ maar wat de hand opschrijft/ heeft betekenis.

“Maar men wil er maar niet aan”, zegt hij met zijn licht zangerig Westfriese accent. “Er zit veel kaf tussen het koren. Te veel amateurisme ook, dat geef ik toe. Maar, zeg ik dan, juist daarom is het nodig dat goede dichters zich met de haiku gaan bezighouden. Dat komt de hele poëie ten goede.”

Vlak na de oorlog werd Van der Molen als dichter ontdekt. In 1946 debuteerde hij bij Van Oorschot met de bundel 'Gered voor vannacht'. Daarna volgden 'Sous-terrain' (1950), 'Voor dovemansoren' (1951) en de roman 'Tien tenen en elf ribben' (1953). Voor 'De onderkant van het licht' (1954) ontving hij de Van der Hoogtprijs, destijds de belangrijkste aanmoedigingsprijs. Ook werkte hij mee aan de berijming van de psalmen en gezangen van het 'Liedboek voor de kerken'. Toen werd het stil. Latere bundels als 'Een zwaard van zand' (1976) en verschillende bij De Beuk en andere kleinere uitgevers gepubliceerde haiku-bundels als 'Geeft 't leven terug' (1982), 'Wegwijzers naar nergens' (1984) en 'Een doodstil iemand' (1990) werden door de kritiek vrijwel volledig genegeerd.

Spreekt Van der Molen het liefst over zijn recente werk, hij begrijpt dat hij het verleden niet helemaal kan vermijden. Want daar liggen de verhalen. Van der Molen komt er uit tevoorschijn als een onrustige, kleurrijke figuur met wie altijd wel iets te beleven was. Zo zwierf hij in de jaren tijdens en na de oorlog lange tijd tussen zijn ouderlijk huis in Broek op Langedijk en Amsterdam waar hij geen vaste verblijfplaats had. Vaak logeerde Van der Molen bij de Morriëns, Chris van Geel, de acteur Jan Vreeken en niet te vergeten, zijn oude mentor, de romancier en toneelcriticus Hans P. van den Aardweg die hem ook in contact bracht met Adriaan Roland Holst en andere schrijvers. Toen ook leerde hij Jettie Bentz van den Berg kennen, de zus van de acteur, met wie hij tussen '46 en '68 'spelenderwijs het leven deelde'.

Logeerde hij meestal hier en daar, vaak ook vond de jonge dichter geen onderdak en sliep hij buiten op straat, in portieken of ergens op een politiebureau. Van der Molen: “Dat waren soms vreemde toestanden. Het regende, het werd koud en je had geen adres. Dan liep je na sluitingstijd van het café met een vrouw mee in de hoop daar te kunnen blijven. Maar meestal ging dat niet zomaar en moest je midden in de nacht weer helemaal terug naar het centrum. Soms zag je een paar agenten op de fiets. Je keek eens om, zij keken eens om. En dan begon je te rennen. . . Vaak kwamen ze je na en vroegen je persoonsbewijs, wat ik dan weigerde. Nou, en dan rekenden ze me in en brachten ze me naar het bureau onder het Rijksmuseum en had ik weer een nacht onderdak.”

“Ik ben in 1923 geboren in Broek op Langedijk. Mijn ouders waren eenvoudige mensen. Mijn vader had een kruidenierszaak annex melkhandel. Mijn moeder hield kostgangers. Het was een typisch middenstandsmilieu. We waren gereformeerd. Iedereen was dat trouwens, of christelijk gereformeerd of hervormd of doopsgezind. De enige niet-protestant in het dorp was de postbode. Die was daar neergezet door de PTT. Hij was rooms. Zo iemand, daar keek je met andere ogen naar.”

“Ik voelde me al vroeg een buitenstaander. Vooral in de kerk. Van al die zingende en biddende mensen ging een vreemde sensuele bekoring uit. Ik nam de dingen pas aan als ik ze zelf ook kon ervaren. Het existentialisme sprak me sterk aan. Ik herinner me dat ik Kierkegaard en Nietzsche citeerde, tegen de keer in. Andere schrijvers lijken er veel onder geleden te hebben, onder de kerk en vooral het burgerlijke, het hypocriete daarin. Ik niet. Het raakte me niet. Bovendien kon ik mijn ouders wel waarderen. Na de lagere school mocht ik bijvoorbeeld naar de Rijks-hbs in Alkmaar. Dat was iets bijzonders. Ook al omdat het geen christelijke hbs was, die was er eenvoudig niet.”

Op de hbs leerde Van der Molen de vrijheid kennen en raakte hij, zoals hij het zelf uitdrukt, helemaal in de sfeer van de stad. Daar werd ook de interesse voor de literatuur gewekt. Zo leerde hij door zijn leraar Nederlands (D. L. Daalder, aan wie Van der Molen het gedicht 'Op school' uit zijn eerste bundel 'Gered van vannacht' opdroeg) het werk van schrijvers als Emants kennen en kwam hij niet lang daarna in contact met vrienden als de seminarist Simon Kapteijn (pseudoniem voor de dichter Michaël Deak, die vooral bekend was om zijn erotische verzen), de jonggestorven Jan Grootenbroers en Jan Praas. In die tijd ontstonden ook de eerste verzen. Ze werden geplaatst in het in 1943 opgerichte blad 'Parade der profeten' - een tijdschrift voor jonge kunstenaars 'zonder program', waar Praas de grote motor van was. De bijdragen waren zeer verscheiden. Willem Barnard debuteerde er als Guillaume van der Graft, Ad den Besten schreef er zijn eerste gedichten, maar ook jonge schrijvers als Willem Frederik Hermans en Hans van Straten werkten mee aan de 'Parade'.

Een studie MO-Nederlands en een baantje als schippersknecht, dat hij aannam om uit de handen van de Duitsers te blijven, voerden Van der Molen naar Amsterdam, waar “de vrijheid nog weer meer trok dan in Alkmaar”.

Behalve zijn onweerstaanbare drang naar vrijheid, die aan het eind van de jaren vijftig pas wat gecontroleerder vorm kreeg in de reizen die hij meer en meer voor Centraal Beheer in het buitenland maakte, noemt Van der Molen nog een motief dat zijn ontwikkeling achteraf gezien kenmerkt: het leven tussen twee werelden.

“Vreemd is dat eigenlijk. Ik leefde aan de zelfkant. Van café naar café. Mijn rustpunten waren de Morriëns, Van Geel, Van Hattum en na de oorlog vooral Hoornik. Door zijn essays in 'De tafelronde' kwam ik met de grote poëzie in aanraking: Achterberg, Aafjes, Vasalis. Kortom: de Criterium-poëzie van net voor de oorlog.”

“In dezelfde tijd maakte ik door een toeval ook kennis met E. L. Smelik. Smelik was predikant van Groot-Zuid, 'de gemeente voor buitenkerkelijken' en formeerde al snel een kring voor kunstenaars. Daar trof ik Inez van Dullemen, Ad den Besten, Wim Schulte Nordholt en Barnard. Zo ben ik betrokken geraakt bij het Liedboek.”

“Smelik heeft me later ook nog getrouwd. Ik herinner me de preek nog. Het motto was die bekende regel van Slauerhoff: 'Alleen in mijn gedichten kan ik wonen'. Dat was op 28 december, 1950. De dag van Onnozele kinderen. Het was heel koud en ik herinner me dat ik de avond ervoor nog een wit bontjasje bij Agnes den Besten heb geleend. Toen we knielden, zagen de mensen op de eerste rij de scheuren in mijn schoenzolen zitten.”

“Over die twee werelden gesproken. Op kantoor had ik aanvankelijk als bediende een mager betaald baantje. Men zag mij daar ook als een vreemde eend in de bijt. Maar buiten kantoortijd was dat niet anders. Voor mijn vrienden was ik de kantoorman, de kapitalist van wie de rondjes moesten komen.”

“Mijn betrokkenheid bij het Liedboek heeft mijn bestaan sterk veranderd. Nijhoff kende mij als dichter. En Nijhoff was bevriend met de topman van Centraal Beheer, Van Schaik, een man van niveau met een grote belangstelling voor kunst. Op een gegeven moment schijnt Nijhoff tegen hem gezegd te hebben: 'Weet je wel dat jij een dichter op kantoor hebt zitten?' Daarna veranderde er veel en kon geen zee meer te hoog. Mijn superieuren zeiden tegen me: 'U bent geen gewoon kantoorbediende. U hoeft er ook niet altijd te zijn'. En zo kreeg ik de vrijheid om zo nu en dan een weekje weg te blijven, zodat ik aanwezig kon zijn bij het werk aan de psalmberijming op de Pietersberg.”

“Ik heb Nijhoff trouwens zelf nooit ontmoet. Hij is als 'private person' aan die berijming begonnen. Hij was ook nooit op de Pietersberg aanwezig. Smelik trouwens ook niet. Eigenlijk was het maar een klein trouw groepje met Ad den Besten, Willem Barnard, Jan Wit en Wim Schulte Nordholt. Heeroma? Nee, die zag ik ook niet vaak.”

“Ik was er vooral voor de zogenaamde 'vloekpsalmen'. In mijn eerste bundels, zoals 'Sous-terrain', had ik wel wat vloekgedichten staan. Dat was wat retorisch, dat werk. En ach, ik werd in die tijd aangetrokken tot alles wat mij aanwakkerde tot nihilisme. Dus ik voelde me ook wel aangetrokken tot opstandige psalmen. Die werden natuurlijk ook niet zo vaak gezongen. Psalm 52 of 58 bijvoorbeeld: 'De mensen die zich van God keren, dwalen sinds zij geboren zijn' en zo.”

'Blijf bij mij Heer', Lied 392, is minder opstandig. . .

“Ja, daar heb ik in eerste instantie met Schulte Nordholt aan gewerkt. Later zijn daar in de commissie weer dingen aan veranderd, geloof ik. Met de gezangen heb ik me verder ook niet zo beziggehouden. Ik moest steeds vaker naar het buitenland voor mijn werk. Ik ben er trouw geweest in de tijd van de psalmen, dat was ook een technische kwestie. Voor mij was het werk ook niet theologisch gefundeerd, het was vooral een kwestie van techniek. Misschien ook wel een verzoening met mijn jeugd. Zoals dat voor Nijhoff misschien ook wel het geval was. Maar voor de anderen kwam er meer bij kijken. Zij stelden zich in dienst van de gemeente, besef ik nu, en dachten meer aan de eredienst. In die zin hoorde ik er niet bij. Toen de psalmen af waren en de gezangen aan de beurt kwamen, voelde ik me buitenspel staan. Zodra het op een eigen geloofsleven aankwam, moest ik afhaken.”

Vervolg op pagina 21.

Haiku, lied, poëzie en Willem Johan van der Molen Vervolg van pagina 16.

Toch lijkt u een zondagskind. Alles ging vanzelf...

Willem Johan van der Molen lacht een beetje: “Ja eigenlijk wel. Ik vroeg me ook nooit iets af. Ik was iemand van wie men wat verwachtte. Rijnsdorp heeft wel eens geschreven dat ik in aanleg een groter dichter was dan Achterberg. Wonderlijk natuurlijk, vooral van hem.”

Was u gevoelig voor kritiek?

“Soms wel. Ik herinner me een kritiek van Van Heerikhuizen. Destijds was dat een bekend criticus. Hij moest niets hebben van mijn debuut, 'Gered voor vannacht'. Hij vond de toon verwerpelijk en hekelde de 'nihilistische levensstijl' die erin zat. Hij vond dan ook maar dat ik op het land moest gaan werken. Nou dat trof me dan wel hoor.”

Uw gedichten zijn nogal somber. Ze gaan vooral over de dood, uitzichtsloze relaties, bitterheid. Waar komt dat vandaan?

“Ja dat zit diep. Mischien zijn het wel verdringingen. Je kunt natuurlijk zeggen: Wat doet een schrijver wanneer hij poëzie maakt? Was Roland Holst nou zo'n eenzame prins? Zo'n mythische figuur? Of was dat een literair thema van hem? Iets uit zijn persoonlijkheid dat opwelt? Daar heb ik geen antwoord op. Mijn thema's zijn in al die jaren weinig of niet veranderd. Toch staat mijn oude werk gevoelsmatig ver van me af. De oude poëzie is niet herkenbaar als 'begeleiding van mijn leven'. Dat wilde ik wel en misschien ben ik daar destijds wel op stukgelopen. Nu blijf ik in de haiku wat dichter bij huis. De grote gevoelens zijn er nog wel, maar ze zijn tot overzichtelijke proporties, tot herkenbare beelden teruggebracht. Drente speelt daar trouwens een grote rol in.”

“Door mijn verhouding tot Pauline, met wie ik nu al weer meer dan vijfentwintig jaar getrouwd ben, is mijn leven in een wat rustiger vaarwater terechtgekomen. Ik denk ook dat ik door haar weer aan het schrijven ben geraakt.”

Zijn er in Nederland goede haiku-dichters?

“Van Schagen. Hij is jammergenoeg vrij verbitterd gestorven. K. Schippers rekent zijn korte gedichten, die ik als haiku's beschouw, tot het beste wat hij ooit gemaakt heeft. En Inge Lievaart; haar haiku's onderga ik als sterker dan haar langere poëzie.”

Waar moet volgens u een goede haiku aan voldoen?

Van der Molen pakt een papier zijn eigen definitie staat en leest die voor: 'Van origine een kort Japans natuurgedicht, meestal verwoord in drie regels, rond 17 lettergrepen, een tiental woorden, liefst minder dan meer. Concrete zintuiglijke ervaringen of flitsend beeldende belevingen. De meestal sterk plastische haiku is een van nature direct toegankelijke, niet-reflectieve op het oog open poëzievorm die na lezing stimuleert tot verdere associatieve invulling.''

Dan kijkt hij op: “Als ik nu zeg: Een vreemde avond/ De bomen zijn weer bomen/ en het gras is groen.

Spreekt dat je dan aan? Begrijp je dat?''

De bomen zijn weer bomen, dus ze zijn een moment weggeweest...

“Als je dit nou in Bosnië plaatst of op andere plaatsen waar mensen bedreigd worden, iedereen bekaf is en alleen nog proberen om te overleven. En dan opeens zwijgt het geweld: Een vreemde avond. De bomen zijn weer bomen. Ze zijn er niet alleen meer om achter te schuilen... Kijk, je doorziet even heel concreet dat het leven buiten je om is doorgegaan, terwijl jij er niet aan deelnam. Ieder mens kent die ogenblikken en die probeer ik in zo'n haiku dan universeel te maken.”

“Je maakt een gedicht nooit helemaal. De kern ervan overkomt je, het is een impuls die tot taal wordt. Daarna komt de associatie en volgt de techniek. Als ik in bed lig, kan ik plotseling denken: 'vreemde avond'. Ik dacht niet aan een land, dat komt later. Later volgt de uitleg.”

“Vroeger toen ik nog door Amsterdam dwaalde, kwamen er vaak ongemerkt regels in me op. Ik was eens bij Hoornik en die vertelde me toen dat hij met Kouwenaar in de jury zat van een prijsvraag voor de KLM. Het ging om een gedicht over de burgerluchtvaart. Ik nam het voor kennisgeving aan en vergat het weer, totdat ik daarna een vliegtuig zag boven de Amstel, waar ik woonde. Plotseling dacht ik: 'Vliegtuigen horen in de hemel thuis'.

Had ik een zinnetje! Ik naar Hoornik. Wanneer moet ik het inleveren? vroeg ik. 'Aanstaande maandag', zei hij. Nou, zei ik: 'Dan heb ik de prijs gewonnen!' Ik ging aan de slag en kreeg de prijs ook. Dat was in 1955.''

De combinatie prijs en Kouwenaar brengt Van der Molen tenslotte op de Vijftigers: “De experimentelen stelden zich anders op dan wij gewend waren. Luidruchtiger. Ik zag dat wat Lucebert deed echt anders was. Zijn woorden schiepen een nieuwe associatie, een nieuwe speelruimte, waar ik buiten stond.”

“Dichten is een gevoelig instrument. Er was meer dat me dwars zat. Ik voelde dat er verder geen vernieuwing meer in zat, in mijn poëzie. Ik had de top bereikt en het leek wel of daarmee de aardigheid er ook een beetje van af was. Toenook hielden die regels op. Ik had geen vreugde in het schrijven meer.”

“Ja, zo is het dus gelopen. Weet je nu voldoende? Of wil je nog meer weten?”

Dan staat Van der Molen op en laat hij me een boekje zien dat hij schreef na het overlijden van zijn vriend Jan Willem Schulte Nordholt in augustus dit jaar. 'Een ruiter is het hart' heet het. Hij wijst op het motto uit Schulte Nordholts gedicht 'Afscheidsbrief' en leest het voor:

'Ach, ik weet niet waarom ik nog schrijf, maar ik doe het maar, ik wil zo graag

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden