Haidar Abdel Sjafi 1919-2007

Haidar Abdel Sjafi, arts in Gaza, was de rechtlijnigheid zelve. Als een van de weinigen was hij voor de deling van Palestina in een Joodse en een Arabische staat.

Inez Polak

Dr. Haidar, zoals iedereen in Gaza de populaire arts noemde, was een linkse patriciër. Zijn leven lang zag hij zichzelf als een politicus tegen zijn zin in: „Mijn politieke betrokkenheid druist in tegen mijn aard. Ik ben arts, en een arts ziet de beproevingen van zijn volk en wordt gegrepen door al dat lijden.”

Verleden week overleed hij; hij had geweigerd zich in het buitenland te laten behandelen tegen kanker: „Ik vertrouw op de artsen van Gaza.’’

Het leven van de Palestijnse Arabische linkse nationalist omspande bijna een eeuw geschiedenis, van het einde van het Ottomaanse rijk en het Britse mandaat over Palestina, via de Egyptische heerschappij over Gaza en de Israëlische bezetting, tot en met het pijnlijke fiasco van het Palestijns bestuur en de machtsovername door de islamitische Hamas.

Hij zag het levenslicht in Gaza. Het zou hem een uitzonderlijke positie verschaffen in de strook land die in 1948 overspoeld werd door vluchtelingen, waar ’autochtonen’ een haast adellijke minderheid werden. Zijn vader, leider bij de Islamitische raad, was verantwoordelijk voor de heilige plaatsen in Hebron. Abdel Sjafi ging er korte tijd naar school, speelde er met de joodse kinderen. Op de sabbat was hij de ’sabbatsgoi’ die hun petroleumlampjes ontstak. Hij leerde joden als buren kennen. De generaties na hem zagen ze slechts als bezetter.

Hij studeerde medicijnen in Beiroet, toen tevens hogeschool voor het Arabisch nationalisme. Abdel Shafi geloofde er in. Zijn opleiding tot chirurg voltooide hij in Ohio. Terug in Gaza startte hij een kliniek, zette zich in voor de vluchtelingen en behoorde tot de oprichters van de Palestijnse bevrijdingsorganisatie. Die was niet veel meer dan een marionet van de Egyptische president Nasser. De oorlog van 1967 bracht een aardverschuiving. Arafat en zijn Fatah namen over, het oude leiderschap werd opzij gezet. Maar niet Abdel Sjafi, die ook voor Arafat onaantastbaar bleef.

Gaza was nu veroverd door Israël dat de arts tot twee maal toe verbande. Abdel Sjafi keerde terug dankzij internationale druk. Hij wilde niets te maken hebben met de bezetter, maar ontving wel de man die hem had verbannen, Mosje Dajan. „Ach, Dajan hield er nu eenmaal van de boel te verkennen’’, zou hij cynisch de gesprekken afdoen. Dajan was de enige niet. Er is waarschijnlijk geen journalist of politieke delegatie die de arts niet opzocht in zijn villa of op het kantoor van de Palestijnse Rode Halve Maan, de organisatie die hij op poten zette om de bevolking gratis gezondheidszorg te geven. Zijn analyses waren altijd scherp, de ontvangst altijd hartelijk.

In 1991 leidde hij de Palestijnse delegatie van de Midden-Oostenconferentie in Madrid. Hij wilde niet echt en waarschuwde voor te hooggespannen verwachtingen. Op de vraag of hij zich ongemakkelijk zou voelen, zo tegenover de Israëlische premier Sjamir, zei hij grijnzend dat het hem een goed gevoel gaf dat Sjamir zich niet op zijn gemak voelde.

In 1947, toen de VN voor de verdeling van Palestina tussen een Joodse en Arabische staat stemde, behoorde Haidar Abdel Sjafi tot de weinige Palestijnen die voor waren. Met dezelfde argumenten opende hij nu, 44 jaar later, zijn rede tijdens de conferentie: ’Er is geen manier om vrede te bereiken behalve op basis van coëxistentie.’ Tegelijkertijd toonde hij begrip voor het verzet ertegen: „Ik was, en ben, voor opdeling, maar ik begrijp de sterke drang in jezelf om die niet te aanvaarden.”

Twee jaar leidde Abdel Sjafi de onderhandelingsdelegatie in Washington, tegen zijn zin in, met veel nachtelijke ruzies tussen hem en Arafat. Abdel Sjafi baalde, helemaal toen duidelijk werd dat achter zijn rug het echte overleg in Oslo had plaatsgevonden. Temidden van de euforie waarschuwde de doemsprofeet met zijn borstelige wenkbrauwen dat het akkoord zou mislukken, omdat het voorbij ging aan essentiële eisen: het vrijlaten van de gevangenen en het verdwijnen van de nederzettingen.

In later jaren beschuldigde hij Arafat ervan de Palestijnse zaak te verkwanselen. Zijn grootste klacht luidde dat Arafat en de zijnen niet luisterden naar de stem van de lokale Palestijnen.

Haidar Abdel Sjafi werd op 10 juni 1919 in Gaza geboren. Hij overleed er op 25 september 2007.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden