Haenchen meteen van Wagner naar Brahms

Het Nederlands Philharmonisch Orkest kende een ongebruikelijke seizoensopening: niet in de bak van het Muziektheater (daar zat immers het Residentie Orkest voor de start van het 'Ring'-poject van De Nederlandse Opera) maar in het Concertgebouw, waar afgelopen weekeinde en komende dinsdag de bekende Brahms en de onbekende Schubert worden belicht. Eén dag na de enerverende Wagner-première trad Haenchen al weer aan voor dit inventieve programma op het eerste concert van zijn eigen orkest.

Dat begon zaterdagavond fraai met een onbekende Schubert-ouverture voor strijkers in c-klein. Vooral de langzame inleiding die de veertienjarige Schubert componeerde, werd op sprekende wijze tot klinken gebracht. Nog meer onbekende Schubert volgde met een 'Salve Regina' voor sopraan en strijkers, en een kort, uitbundig 'Benedictus es, Domine' voor koor en orkest.

Sopraan Sibylla Rubens gaf met pure, warme en zuivere toon mystieke landing aan Schuberts lofzang op Maria. Een prachtige inzinger voor haar aandeel in het vijfde deel van Brahms' 'Ein deutsches Requiem'. Ook het Toonkunstkoor Amsterdam kon zich, zij het kort, los zingen voor de marathon die het met Brahms te wachten stond.

Haenchen benaderde Brahms' Requiem met eerbied en grote rust. Met bedaarde tempo-keuzes (vooral het eerste deel was opvallend gedragen) deed hij een beroep op concentratie en uithoudingsvermogen van zijn koor.

Het Toonkunstkoor begon matig. De balans was niet goed waardoor de tenorengroep onvoldoende uit de verf kwam. Die tenoren vormden verderop ook een probleem; in welk amateurkoor niet overigens. Een op zich goede klank, maar in volume ontoereikend om in Brahms' meesterlijke fuga's door de massa's heen te breken. De sopranen klonken aanvankelijk gespannen, waardoor elke noot boven de balk hard en onaangenaam klonk. Dat knapte echter aanzienlijk op en bij de eerst grote climax (schitterend opgebouwd door Haenchen) in 'Denn alles Fleisch es ist wie Gras' straalde de koorklank, sopranen voorop, majestueus over het orkest heen.

Rubens maakte wederom enorme indruk in 'Ihr habt nun Traurigkeit', waarin haar stem gewichtloos boven koor en orkest leek te zweven. Bas Jan-Hendrik Rootering zorgde voor een stevige aanzet tot het Tuba mirum-gedeelte, dat Brahms verwerkte in zijn deel 'Denn wir haben hie keine bleibende Statt'. Voor koor en orkest kwam hier het hoogtepunt in een gedreven en pregnant-ritmische opbouw door Haenchen. Dat het koor hierna nog zo ontspannen en vrij klonk in 'Selig sind die Toten' mag op het conto van koordirigent Winfried Maczewski worden bijgeschreven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden