Haenchen en Audi ideale vertellers van Wagners goden- en mensenverhaal

AMSTERDAM - Walküren zijn toch struise vrouwen met lange blonde haren, al dan niet tot vlechten gevouwen, die ruig Hojotoho zingend, op paarden langs het hemelgewelf razen? Inderdaad, dikke Bertha's, dat is het algemeen bekende beeld van deze Germaanse Amazones. Maar zo zijn ze niet in een opera-productie onder regie van Pierre Audi. Die weet, met behulp van kostuumontwerpster Eiko Ishioka clichés rond Wagner op subtiele wijze om te buigen, zo bleek zaterdagavond in het Amsterdams Muziektheater.

De vijf uur durende voorstelling, inclusief twee pauzes, vloog niet alleen als een schaduw voorbij, maar het publiek hield duidelijk ook de adem in (er werd nauwelijks gehoest), zo spannend werd het drama over de falende god Wotan in choreografie en muziek verteld. De theatrale belevenis leverde een acht minuten durend ovationeel applaus op.

De pieken in de bijval golden Jeannine Altmeyer als de mooist denkbare (in zang en acteer-expressie) opper-Walküre Brünnhilde en dirigent Hartmut Haenchen die de vele segmenten in de vertelling, onder een geweldige spanningsboog plaatste.

Bij Haenchen, Audi en Ishioka zijn de Walküren fraaie vrouwen die subtiel bewegen én zingen, waardig tot de dienst aan de oppergod als wensmaagd en schildmaagd. Natuurlijk, hun beroemd geworden Hojotoho-roep, zeker die van de magistraal zingende Altmeyer, schalde riant boven de golvende orkestklanken uit. Maar zelfs in die roep straalde hun hoge aard door, geaccentueerd door modieus-manlijk vormgegeven zwarte kapsels, gestileerde zwarte rij-kostuums en zilverschitterende vleugels. Zij oogden als oud-testamentische cherubsen, de engel-bewakers bij de Ark des Verbonds, of als de cherubijnen uit de christelijke iconografie.

Ook in het groot hield de tweede aflevering uit de 'Ring des Nibelungen' bij De Nederlandse Opera een omkering van alle zogenaamde Wagner-waarden in. Streefde 'der Richard' niet naar het onzichtbare orkest? In deze productie zit het uitstekende spelende Nederlands Philharmonisch Orkest niet ín de bak, maar rechts in de toneelruimte. Je hebt er vol zicht op, tot en met de achterste van de zes harpen links en het slagwerk uiterst rechts. Daartussen hoorns, hout- en koperblazers; daarvóór een falanx aan strijkers. Elke gradatie van zacht en dolce, tot forte kwam door, ook vanaf de achterste rij waar de basklarinet subtiel de oppergod Wotan ondersteunde, als hij Brünnhilde zijn onmacht bekent. Wat was John Bröcheler als Wotan bijzonder in deze verzuchting.

De linkerhelft van de toneelruimte wordt ingenomen door een gigantische plak hout, de doorsnede van de stam van een es. Zij omklemt met haar jaarringen het orkest. In die mythische boom heeft Wotan een zwaard gestoken dat alleen aan een held is voorbeschikt. Geweldige, gepunte ijzeren balken doorklieven als bouwelementen van het zwaard de plak hout; een echt zwaard wordt door een gesluierde Wotan tijdens het orkestraal voorspel er aan gehecht; Siegmund, zijn zoon uit een aardse vrouw, zal het later trekken om zijn belager Hunding te doden.

Maar helaas, Wotans hemelse vrouw Fricka, wraakgodin van de vreemdgang (Reinhild Runkel in maagdelijk wit, getooid met een zilveren haardos met knot zoals oude vrijsters droegen, en ook in stem een taart van een wijf), dwingt de oppergod zijn aardse zoon te verloochenen en diens zwaard te ontkrachten. Het verzet daartegen van Brünnhilde, zijn liefste spruit uit een al even buiten-echtelijke verhouding met oergodin Erda, moet hij bestraffen. Haar goddelijk maagdendom zal vernietigd worden door een mensen-man.

Zelfs in dit onbarmhartig besluit moet Wotan iets toegeven; zij zal alleen door een held kunnen worden genomen. Wotan beseft hoe onmachtig hij is; hij barst heftig uit: 'Nicht streb, o Maid, den Mut mir zu stören'. Op grootse wijze maakte John Bröcheler in deze scène hoorbaar en zichtbaar welke tweestrijd er in de oppergod woedde.

Leken Audi en zijn vormgevers in 'Das Rheingold' te kiezen voor een presentatie in klassiek Griekse stijl (de goden bleken afkomstig van de Olympus), in 'Die Walküre' is er sprake van een Japanse sfeer. Hunding (de macho-gevooisde Kurt Rydl) stapte de scène op als een Japanse krijgsheer, Wotan zag er in zijn rode mantel en witte jak uit als een Shinto-priester. Audi en zijn vormgevers hebben gekozen voor een 'Ring' van verschuivende beelden en sferen, zoals ook in het decor merkbaar: glas als hoofdmaterie in 'Das Rheingold', hout in 'Die Walküre'; metaal zal 'Siegfried kenmerken, en steen 'Götterdümmerung'. En steeds is er vuur. Met materie wordt mythe geschapen, en alle hokus-pokus is zichtbaar als geraffineerd toegepaste theater-techniek. Zo is ook het orkest zichtbaar, zwoegend en zwetend om in klank zodanig te vertellen, dat de toeschouwer in de ban van de Ring geraakt.

Haenchen en Audi ontpoppen zich in deze 'Walküre' als meestervertellers. Haenchen doordat hij de noten van Wagner (op basis van een minutieus bijgewerkte partituur) onopgesmukt hun werk liet doen. Hij stelde de poëzie voorop in de ontmoeting van Siegmund (teder en mannelijk gedaan door de grandioze tenor John Keyes) met zijn verloren tweelingzus Sieglinde (de reeds genoemde Nadine Secunde), en liet de vaderlijke liefde van Wotan voor Brünnhilde ontroerend verklanken. Audi is de meesterverteller doordat hij niet interpreteert (de hemel bespare ons een regisseur die Wotan als Bill Clinton identificeert), maar de emoties van de tekst hun werk laat doen, van daaruit de bewegingen modelleert. Zo schiep hij op het immense toneel (schitterend ontwerp van George Tsypin, knap vervaardigd door het technische personeel van het Muziektheater) intieme en spannende confrontaties. Dit goden- en mensenverhaal wordt een gouden Ring.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden