Hadewych, de ongrijpbare mystica

Tekening van Marie Creemers, een vrouw uit de kring rond Albert Verwey, gemaakt in 1925 na het lezen van diens vertaling van ¿De vizioenen van Hadewych¿. ( COLLECTIE UVA)

„Ik probeer Hadewijch zichzelf te laten zijn, haar te zien in haar eigen tijd, cultuur en katholieke traditie.” Annette van Dijk promoveerde op 22 april in Tilburg op een dissertatie over de plaats van Albert Verwey in de Hadewijch-receptie.

De dertiende-eeuwse Vlaamse mystica Hadewijch houdt Annette van Dijk al bezig sinds haar studie Nederlands, eind jaren zestig van de vorige eeuw. „Ik had een fascinerende docent literatuurgeschiedenis. Door hem wilde ik dieper in de middeleeuwse letterkunde duiken. Hadewijch, waarschuwde hij, moest ik maar niet doen, dat was te moeilijk. Maar ik vond haar teksten mooi van ritme en woordgebruik, al begreep ik lang niet alles.”

Na haar doctoraalexamen ging Van Dijk het onderwijs in, trouwde en kreeg kinderen. „Mijn geloof was gaan schuiven. Moest ik mijn kinderen nu wel of niet opvoeden in een gelovige traditie? Ik twijfelde, en besloot daarom een jaartje theologie te gaan studeren. Ik wilde God als het ware nog één kans geven.”

De studie fascineerde haar zo, dat ze besloot hem af te maken. Tijdens de colleges kruiste Hadewijch opnieuw haar pad. „Maar nu werd ze vanuit de theologie en haar mystieke traditie uitgelegd.”

De mystica die opstijgt in de Minne, in de liefde tot God: die benadering was wel even slikken voor Van Dijk. „Het was net of er een stukje van mijn Hadewijch werd afgenomen, want ik had primair een schoonheidsbeleving bij haar werk. Waarom zou dat niet kunnen, vroeg ik me af, enkel de pure schoonheid beleven van haar teksten?”

En toen gebeurde er, zoals ze het zelf noemt, een klein wondertje. „In een tweedehands boekhandel in Amsterdam liep ik aan tegen de dissertatie die neerlandica Marie van der Zeyde, de levensgezellin van dichteres Ida Gerhardt, over Hadewijch had geschreven. Het uitgangspunt van haar studie was de vraag wat er overblijft van Hadewijchs gedichten, als je de theologische context weghaalt. Zij keek dus op dezelfde manier naar Hadewijch als ik, voordat ik theologie ging studeren.”

Toen Van der Zeyde’s proefschrift in 1934 uitkwam, werd ze in de recensies de grond ingeboord.

„Dit ’zusje’”, dacht Van Dijk, „moet gerehabiliteerd worden. Ik wijdde er mijn doctoraalscriptie aan, ’Dichter bij Hadewijch’, maar was er eigenlijk niet tevreden over. Het leidde ertoe dat ik een proefschrift ging schrijven over de receptie van Hadewijch in de literaire kunst, vanaf 1838, het jaar van de herontdekking van haar geschriften.”

Van Dijk kwam het archief op het spoor van de dichter, criticus, vertaler en hoogleraar Albert Verwey (1865-1937), die na zijn betrokkenheid bij de ’Beweging van Tachtig’ toonaangevend was voor het culturele leven van zijn tijd.

Verwey was een groot bewonderaar van Hadewijch, die hij ’de dichteres van alle tijden’ noemde. Het was volgens hem de taak van de dichter om het ’Leven’, de kern en het wezen van het bestaan zichtbaar te maken, en Hadewijch vervulde die taak in zijn ogen op het allerhoogste niveau. Verwey bewonderde haar vooral om de manier waarop zij het goddelijke, dat hij ’Leven’ noemde, beschreef.

Hij vertaalde Hadewijchs visioenen in het Nederlands, hij schreef gedichten over Hadewijch en recenseerde aan haar gewijde publicaties. Veel van zijn geschriften over de mystica zijn niet erg bekend, en een deel is zelfs nooit uitgegeven. Van Dijk besloot zich te concentreren op de betekenis van Verwey voor de Hadewijch-receptie. In haar studie bespreekt ze Verweys geschriften over Hadewijch en brengt zij ze bovendien allemaal in één uitgave bijeen.

Vanuit bestudering van de teksten van Verwey wilde Van Dijk ook opnieuw naar Marie van der Zeyde kijken. Verwey was immers een van de tijdgenoten die haar proefschrift zo kritisch hadden gerecenseerd.

Aanvankelijk beoordeelde ook Verwey, net als Van der Zeyde, Hadewijch alleen in haar hoedanigheid van dichteres. Na zijn ontmoeting met de Vlaamse jezuïet Jozef van Mierlo in 1921 nuanceerde hij die benadering.

Van Mierlo wijdde ruim 110 publicaties aan haar en verzorgde tweemaal een complete uitgave van haar werk, vertelt Van Dijk. Hij overtuigde Verwey ervan dat hij Hadewijch niet alleen kon benaderen als dichteres maar ook naar haar theologische achtergrond moest kijken. Je kunt niet zonder, was zijn overtuiging. Verwey bleef haar bovenal zien als dichteres, maar liet zich toch gedeeltelijk overtuigen door Van Mierlo. Was hij voorheen niet geïnteresseerd in Hadewijchs mystieke leer, sinds de ontmoeting met Van Mierlo was hij de mening toegedaan dat die leer een middel was om tot het wezen van haar gedichten door te dringen. Om die echt goed te begrijpen, moest de lezer zich dus in die leer verdiepen, vond Verwey.”

En dat was nu precies wat de toen nog erg jonge Marie van der Zeyde in haar proefschrift niet deed. Van Dijk: „In haar proefschrift pakte ze Van Mierlo hard aan. Ze vond dat hij veel fouten had gemaakt. Ze wilde niet rot doen tegen hem, maar haar opzet was juist om te kijken wat er van Hadewijch overbleef als je dat katholieke eraf deed. Verwey schreef een felle recensie over haar proefschrift. Op een aantal punten was hij het niet met haar eens, maar bovendien stoorde hij zich aan de betweterige toon van haar geschrift. Zo hoorde je geen proefschrift te schrijven.”

De tijd was niet rijp voor Van der Zeyde, zegt Van Dijk. „Vooral veel katholieken onder wie Anton van Duinkerken begrepen niet wat zij deed.”

Verwey was zelf niet gelovig, maar wel religieus, meent Van Dijk. „Met de unio mystica (de mystieke vereniging van de gelovige met God) had hij niets. Maar het profetische van Hadewijchs mystiek en de beschrijvingen van wat zij schouwde tijden haar visioenen, vond hij wel interessant.”

In haar studie koppelt Van Dijk de Middeleeuwen en de tijd van Verwey aan elkaar. „Ik wilde onderzoeken hoe men door de tijden heen is omgegaan met teksten. De geschriften van Hadewijch waren in haar eigen tijd, rond 1250, en de daaropvolgende eeuwen waarschijnlijk alom bekend en verspreid, maar met de Reformatie zijn ze verdwenen en vergeten. In 1838 zijn ze weer gevonden. Er bestaan nog drie middeleeuwse handschriften van haar werk en enkele kloosters bezitten nog fragmenten. Twintig jaar na de herontdekking werd haar werk voor het eerst uitgegeven. Over herkomst, achtergrond en betekenis ervan was nauwelijks iets bekend, maar toch kwam er al snel een stroom publicaties op gang met allerlei speculaties over aard en karakter van Hadewijch en de betekenis van haar geschriften.”

Voor Verwey was het een moeilijke opgave om Hadewijchs werk te interpreteren. Hij was natuurlijk ook een kind van zijn eigen tijd. In dat kleurrijke fin de siècle ging men haar werk bekijken vanuit de opkomende psychiatrie, occultistische theorieën en esoterische stromingen die tot de ’de nieuwe mystiek’ behoorden, vanuit het katholicisme en vanuit de toen in de kunst heersende beelden van de vrouw.

„Het erotische aspect van Hadewijchs visioenen riep bijvoorbeeld de vraag op of ze een gedegenereerde non was, seksueel geobsedeerd, een hysterica of een lijdende vrouw. Men ging Hadewijch bekijken, als een eigentijdse vrouw, vanuit eigentijdse denkmodellen. Maar we hebben hier te maken met een vrouw uit een andere tijd, een andere cultuur en een andere traditie. Je kunt haar niet los van die tijd begrijpen en haar gedrag niet uitleggen vanuit normen van de eigen tijd. Verwey heeft dat heel goed begrepen. Hij liet zich niet meeslepen door de lezers die Hadewijch hysterisch noemden, maar realiseerde zich steeds dat zij haar eigen achtergrond had. Hij heeft volgens Van Dijk getracht niet te projecteren, maar zuiver naar Hadewijch te kijken. „In zijn colleges heeft hij geprobeerd haar objectief neer te zetten, in de context van het middeleeuwse kloosterleven. Maar de dichter in hem won het. Van Van Mierlo had hij geleerd dat Hadewijch beïnvloed was door Richard van Sint Victor. Deze Parijse mysticus hanteerde een schema dat de verschillende fasen beschrijft van opstijgende liefde. Verwey trok dit schema uit de mystieke context en boog het om naar zijn eigen dichterlijke concept: zo gaat dat als je met poëzie bezig bent, vertelde hij zijn studenten.”

„Hij wilde Hadewijch bij de mensen brengen, wilde dat ze leesbaar en begrijpelijk werd, dat haar hartstocht werd begrepen. Daar bewonderde hij haar om, zoals hij alle mensen bewonderde die het gevecht aangaan vanuit de hartstocht, om tot verzoening te komen. Haar hartstochtelijke strijdbaarheid binnen haar eigen geloof, waarin ze grenzen verkende en theorieën aanvocht, bracht Verwey tot de uitspraak: ’Welk een ketter is die vrouw geweest’. En dat was duidelijk als een compliment genoemd. Voor Verwey waren ketters altijd ware gelovigen.”

Het ging hem volgens Van Dijk niet om het nastreven van Hadewijchs visioenen maar om de hartstocht waarmee ze dat deed. „Met haar streven naar eenwording met Minne had hij niets, wel met het feit dat ze erover schreef en zo steeds dichter bij haar onderwerp kwam. Voor Verwey was een goed gedicht raken aan het oneindige. Er moest authentieke hartstocht in zitten. Pure schoonheid, waarnaar de Beweging van Tachtig streefde, was voor hem niet voldoende. Het ging Verwey om vormgeven aan het hogere, aan wat mensen wel voelen maar niet kunnen verwoorden. Zo haakte hij poëzie en spiritualiteit aan elkaar.”

Over haar eigen fascinatie voor Hadewijch zegt van Dijk: „Je groeit in Hadewijch. Ik probeer haar zichzelf te laten zijn. Ik heb eerbied voor haar, en ben beducht om culturele missers te maken. Je moet een Rembrandt niet naast een modern schilderij hangen. Datzelfde geldt voor teksten. Elke tekst heeft een eigen mystiek. Als je gaat vergelijken met teksten uit een andere tijd, maak je dat kapot.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden