Hadden ze maar principes

Balkenende en Bos in overleg (Trouw) Beeld
Balkenende en Bos in overleg (Trouw)

Het rapport van de commissie-Davids bevestigt het: politieke besluitvorming verloopt in Nederland óf oneindig traag, óf in een vloek en een zucht. Historicus Frank Ankermit vraagt zich af waar die eigenaardigheid vandaan komt. En waarom is er zo weinig principieel debat over principiële zaken?

Een overleg van amper drie kwartier op het ministerie van buitenlandse zaken was bepalend voor alles wat daarna zou gebeuren. Dat bleek uit het rapport van de commissie-Davids over de besluitvorming van Balkenende I in 2002.

In dat verbijsterend korte overleg kozen Jaap de Hoop Scheffer en de departementale top voor een voorbehoudsloze steun aan het Amerikaanse beleid inzake Irak. Het volkenrecht werd zonder omhaal terzijde geschoven. Het kostte De Hoop Scheffer vervolgens weinig moeite om ook de regering op die lijn te krijgen.

Balkenende bleek voor Irak nauwelijks belangstelling te hebben. Als minister-president faalde hij door te berusten in onzorgvuldige besluitvorming over oorlog of vrede. Deze week kreeg hij de rekening gepresenteerd voor dit even ernstige als pijnlijke gebrek aan politiek oordeelsvermogen. Het zou hem sieren als hij de moed had kunnen opbrengen dat eigen falen ruiterlijk te erkennen. Er zijn momenten waarop een politicus zichzelf niet ernstiger kan beschadigen dan door koppig vast te houden aan het eigen gelijk.

Aldus was de kritiekloze overname door het kabinet in 2002 van de wensen van buitenlandse zaken oorzaak van alle latere ellende – zoals een tiental jaar eerder de schande van Srebrenica er al het gevolg van was. We zouden dat departement in de toekomst toch eens beter in de gaten moeten houden. Niet alleen omdat we dan een wat rustiger buitenlandse politiek kunnen krijgen, maar ook omdat dit de levensduur van de toch al broze Nederlandse regeringscoalities kan bevorderen.

Het Niod-rapport over Srebrenica betekende het einde van het tweede kabinet-Kok. Het is de vraag Balkenende IV het rapport-Davids uiteindelijk zal overleven. Later deze maand zal de coalitie immers een beslissing moeten nemen over Uruzgan. En er bestaat een direct verband tussen het rapport-Davids en deze kwestie. De wortels van het conflict tussen PvdA en CDA over Uruzgan gaan diep. Aan de ene kant staat het CDA, dat onder leiding van Balkenende, De Hoop Scheffer en Verhagen de directie van de NAVO – lees de Amerikaanse president – graag ter wille is. Aan de andere kant staat de PvdA die wel bereid is begrip te tonen voor de verlangens van de VS, maar niet om het verstand geheel op nul te zetten. Dit conflict staat sowieso al op scherp omdat het CDA, in strijd met bestaande afspraken, de laatste maanden begon te knagen aan het besluit dat Nederland dit jaar de missie in Uruzgan beëindigt.

Bezie ons huidige kabinet. Dat besluit op basis van consensus, of het besluit niet. Tot het creatieve compromis zijn CDA en PvdA niet in staat. Tegenwoordig kijken wij met een lachje neer op de ideologische verschillen die onze protestantse, katholieke, socialistische en liberale voorouders verdeelden.

Het lijkt ondenkbaar dat de PvdA-fractie na het rapport Davids nog akkoord zal kunnen gaan met verlenging van de missie in Uruzgan. Blijft het CDA dat toch verlangen, dan hebben we op korte termijn nieuwe verkiezingen. Die niemand in de coalitie wil, nu de regeringspartijen er in de peilingen zo zeldzaam beroerd voorstaan. Waarschijnlijker is daarom dat het CDA, zij het met bloedend hart, bereid is om Uruzgan op te geven. Dan loopt alles toch nog met een sisser af. Dan heeft het rapport van de commissie-Davids het kabinet niet geveld, maar juist gered. Doorslaggevend zal zijn hoeveel arrogantie er bij het CDA zit.

Uit dit alles rijst een eigenaardig beeld op van onze politieke besluitvorming wanneer het om werkelijk belangrijke zaken gaat. Die verloopt ofwel in een vloek en een zucht (zie de vredesmissie in Srebrenica of de kwestie-Irak), ofwel oneindig traag. En soms komt ze zelfs helemáál tot stilstand.

Dat is bijvoorbeeld het geval met de besluitvorming over verbetering van onze staatsvorm. Sinds de commissie-Cals/Donner in 1967 hebben zich talloze verstandige dames en heren in de commissie-Deetman, de commissie- De Koning, de Nationale Conventie van 2006 en in het parlement gebogen over de tekortkomingen van ons overheidsapparaat en allerlei aanbevelingen gedaan. Het resultaat was onveranderlijk niets, noppes, nada. Zelfs zoiets doodsimpels als de gekozen burgemeester loopt vast op de zandbanken van een ongeëvenaard bestuurlijk conservatisme. Blijkbaar kunnen wij niet op een volwassen en evenwichtige manier beslissingen nemen over wezenlijke en principiële zaken.

Het zal een erfenis zijn van de verzuiling, ook wel aangeduid als de pacificatiedemocratie. In zo’n democratie worden politieke conflicten eerder van hun angel ontdaan dan opgelost. Ze worden ’gepacificeerd’. Dat is alsof je in een slecht huwelijk besluit om problematische situaties te vermijden in plaats van er een oplossing voor te vinden. Regeren is dan vooral een agreement to disagree.

Inderdaad stelde dat model ons een kleine honderd jaar in staat om onze politieke problemen binnen aanvaardbare proporties te houden. De consequentie was wel dat wij nooit leerden hoe je op een vruchtbare en constructieve manier wezenlijke en principiële meningsverschillen te lijf moet gaan. Het hier gangbare model van het begraven van meningsverschillen kan daar uiteraard niet voor doorgaan.

Maar de geschiedenis heeft een wel heel gemene truc met ons uitgehaald. Enerzijds bracht zij ons de dood van de ideologie en daarmee van de verzuiling, en dus van de pacificatiedemocratie. Tegenwoordig kijken wij met een lachje neer op de ideologische verschillen die onze protestantse, katholieke, socialistische en liberale voorouders tot op het bot verdeelden. We vragen ons af waarover die brave mensen zich zo verschrikkelijk opwonden, en waar die merkwaardige starheid vandaan kwam waarmee ze zichzelf en elkaar bezagen.

Anderzijds, juist toen wij tot dit soort moderne standpunten kwamen over de ideologische dogma’s van vroeger, juist toen kregen wij een aantal politieke problemen op ons bordje waarover je uitsluitend op basis van ideologische of politieke principes een standpunt in kunt nemen. Net toen wij de ideologie bij het oud vuil hadden gezet, werden wij geconfronteerd met uiterst principiële problemen: van de multiculturele samenleving, van wat te doen met het gederailleerde kapitalisme, van hoe ons op te stellen tegenover de Verenigde Staten. Net toen wij, helemaal in overeenstemming met de tijdgeest, alle ideologie en idealen hadden ingeruild voor het rustgevend politieke en morele vacuüm van de economische rationaliteit en de economische groei – juist toen werden wij opgezadeld met een aantal problemen dat zich alleen laat benoemen in termen van politieke principes.

Dat kwam wel heel slecht uit. We dachten dat principes behoorden tot het pathos van de Koude Oorlog, we dachten dat economen ons collectieve geluk principeloos uit konden rekenen, en juist op dat moment werden we met de neus op de feiten gedrukt en moesten we keuzes maken. Net op het moment dat we de politiek ontideologiseerd hadden, werden we gedwongen tot het ideologische debat.

Hoe doe je dat, omgaan met ideologische verschillen? Begin van alle wijsheid is het onderscheid tussen consensus en compromis.

De consensus legt vast waarover alle partijen het blijkbaar eens zijn. Beslissen met consensus is heel mooi, want van niemand wordt verlangd zijn standpunt te veranderen. Dat betekent ook dat er uit de consensus nooit iets werkelijk nieuws geboren kan worden. De consensus registreert immers alleen wat er al was.

Dat is anders met het compromis (in de eigenlijke zin des woords). Dan is er een onoverbrugbaar meningsverschil, maar de druk van de omstandigheden is tegelijk zo groot dat er toch, linksom of rechtsom, een besluit moet komen. De betrokken partijen moeten om zo te zeggen over de schaduw van hun eigen standpunt heen kunnen springen; zij moeten op zoek naar iets nieuws waarmee zij zich toch – zij het met pijn en moeite – kunnen verenigen.

Eerste vereiste om een compromis te bereiken is dat je je tot op zekere hoogte losmaakt van je eigen tijd. Dat je jezelf, je eigen standpunt en dat van je eigen partij projecteert op de grote gang van verleden via het heden naar de toekomst. Je historiseert je eigen standpunt: je kijkt ernaar alsof je de historicus was van jezelf en alsof je je eigen handelen en dat van andere politici moest plaatsen binnen een veel wijdere historische context. De bestaande politieke realiteit wordt dan opgenomen binnen een ’groter verhaal’, waarin we onszelf allemaal kunnen plaatsen en herkennen.

Allerlei zaken die nu ontzettend belangrijk lijken en die je onder geen beding zou willen opgeven, verliezen dan veel van hun betekenis. Je ontwikkelt een zekere onthechtheid tegenover je eigen standpunten. Juist dat kan het onmogelijke mogelijk maken en je in staat stellen om tot een vergelijk te komen met je politieke tegenstander. Je vindt elkaar in een standpunt waaraan zowel jijzelf als je tegenstander nog nooit hadden gedacht.

Ambtenaren moeten bedenken hoe er tientallen miljarden op de staatsbegroting bezuinigd kunnen worden. Dat is even treurig als naïef.

Dan kan er inderdaad iets geheel nieuws ontstaan. Dan wordt er geschiedenis gemaakt, in de zin dat er een wezenlijk nieuwe sociaal-politieke orde ontstaat, die historici over honderd jaar ook als zodanig zullen herkennen. Dat is scheppende politiek. De consensus is conservatief. Het compromis is progressief en creatief.

Zo verzoenden Van Hogendorp en Thorbecke de principes van de Revolutie en het Ancien Régime in de constituties van 1813 en 1848. Zo was de verzorgingsstaat het compromis waarop kapitaal en arbeid ten slotte uitkwamen. Ook dat was iets geheel nieuws, want de notie lag noch besloten in de principes van het kapitalisme noch in die van het socialisme.

Cruciaal is dat het compromis – en de politieke creativiteit ervan – de aanwezigheid van een principieel conflict veronderstelt. Principiële conflicten zijn dus niet slecht maar juist goed, zoals Machiavelli niet moe werd te beklemtonen. Rome, zo zei hij, werd groot door het conflict tussen plebs en patriciaat. Het principiële conflict is voorwaarde voor vrijheid en vooruitgang.

Zijn er geen principiële conflicten, dan kun je ook geen compromissen sluiten. Dan kun je aan de toekomst geen vorm geven. Dan rest slechts een soort eeuwig heden, waarin een principieel antwoord op nieuwe uitdagingen niet meer mogelijk is. De politiek komt tot stilstand. De kloof met een zich wél steeds verder ontwikkelende maatschappij wordt steeds dieper.

Dat geldt a fortiori voor een meerpartijenstelsel als het onze dat alleen maar kan functioneren bij de gratie van het principiële conflict. Daarvoor werd het indertijd geconstrueerd. Een tweepartijensysteem kan het, zij het met moeite, nog stellen zonder principiële politieke meningsverschillen. Een meerpartijensysteem zonder principiële conflicten is als een auto zonder benzine of een zwembad zonder water. Het houdt op te functioneren.

Bezie ons huidige kabinet. Dat besluit op basis van consensus, of het besluit niet. Tot het creatieve compromis zijn CDA en PvdA niet in staat. De paradox is nu dat de oorzaak niet ligt in een onoverbrugbaar principieel conflict (zoals iedereen denkt), maar juist in de afwezigheid daarvan. Hadden we maar principiële conflicten! Nu rest ons alleen de consensus. De enge grenzen van de consensus zijn dan ook de grenzen van de politieke besluitvorming.

Die grenzen zijn paradoxalerwijze des te enger naarmate er minder principiële meningsverschillen zijn. Het bestaansrecht van politieke partijen ligt besloten in hun meningsverschillen. Maar hoe kleiner die verschillen, hoe meer de partijen zich zullen vastbijten in zaken waarvan niemand het belang inziet. Het gekke is daarom dat hoe meer politieke partijen ideologisch op elkaar lijken, hoe moeilijker ze tot een vergelijk zullen kunnen komen. Alleen partijen die ideologisch heel ver van elkaar afstaan, kunnen het zich permitteren om wezenlijke concessies aan elkaar te doen, zonder voor hun politieke identiteit te hoeven vrezen. De bewegingsruimte van politieke partijen die dicht bij elkaar staan is daarentegen vrijwel nihil.

Illustratief is hier het onvermogen van het kabinet om zelfstandig leiding te geven aan de bezuinigingsoperatie die nodig werd door de kredietcrisis. De regering droeg commissies van ambtenaren op om voorstellen te ontwikkelen. Zij moeten bedenken hoe er tientallen miljarden op de staatsbegroting bezuinigd kunnen worden.

Dat is even treurig als naïef.

Treurig, omdat ambtenaren nu leiding moeten geven aan hun bewindslieden, in plaats van andersom. Ambtenaren moeten doen waartoe hun politieke bazen zichzelf blijkbaar niet in staat achten. Konden Balkenende en Bos een schokkender testimonium paupertatis afgeven? Welke politicus van enige statuur legt zoiets in ambtenarenhanden? Het is alsof de CEO van een bedrijf zijn bureau opruimt, zijn jas aantrekt en tegen zijn secretaresse zegt het voortaan maar uit te zoeken. Het is een abdicatie.

En het is naïef omdat een kind kan voorspellen dat je met deze exercitie in de verste verte niet in de buurt komt van de bezuinigingen die nodig zijn. Al heel snel zullen de ambtenaren stuiten op de grenzen van de consensus tussen CDA en PvdA inzake bezuinigingen.

Bezuinigingen van deze omvang zijn een politiek, en geen ambtelijk probleem. Balkenende en Bos hadden daarom het principiële debat moeten aangaan over wat wel en wat niet tot de eigenlijke staatstaken behoort, het debat over de grenzen tussen publieke en private verantwoordelijkheden. Dan was het kader geschapen waarbinnen een compromis mogelijk werd. Maar zonder principes geen principieel debat, zonder principieel debat geen compromis, en zonder compromis geen substantiële bezuinigingen. En zo verspillen we alleen maar kostbare tijd.

Ander voorbeeld is de kwestie Uruzgan. Het debat tussen CDA en PvdA over voortzetting van de missie gaat nu niet dieper dan de vraag of we moeten vasthouden aan een eenmaal genomen besluit (PvdA) of dat we erop moeten terugkomen omdat we daarmee Obama en Clinton een plezier doen (CDA). Op zo’n niveau kan een debat inderdaad nooit meer zijn dan primitieve touwtrekkerij.

Dat wordt pas anders als de discussie wordt teruggevoerd naar haar principiële uitgangpunten. Naar de vraag, kortom, of de Navo nog steeds de onmisbare garantie voor onze collectieve veiligheid is die zij was tijdens de Koude Oorlog. Of heeft de Navo zich ontpopt tot een instelling die ons ongewild betrekt bij alle conflicten van de Amerikanen?

Een onbevooroordeelde kosten/batenanalyse van de Navo heeft ook een andere kant. Van de Europese eenwording komt nooit iets terecht zolang Europa zich als een Amerikaanse satelliet blijft gedragen, met de Navo als onbetwistbaar teken daarvan. Pas als Europa door het opdoeken van de Navo gedwongen wordt zijn eigen boontjes te doppen, pas dan zal het zich verplicht zien om wereldwijd als een politieke eenheid op te treden.

Net zoals de Zeven Provinciën zich pas hecht aaneen smeedden (in de latere Republiek der Verenigde Nederlanden) toen ze beseften dat ze het uitsluitend tezamen konden klaren tegen Spanje. Of zoals Benjamin Franklin tijdens de Amerikaanse Revolutie tegen zijn landgenoten zei: ’We must, indeed, all hang together, or, most assuredly, we shall all hang separately.’ Treffender kun je het toekomstig lot van Europa in de aanstaande multipolaire wereldorde niet karakteriseren.

Het beste dat Europa kan overkomen is dat Frankrijk en Duitsland samen het heft in handen nemen, terwijl de rest (inclusief Engeland) zo wijs is om daarin te berusten. Dat zal moeite kosten en pijn doen. Maar het is hier zoals wel vaker in het leven: als het geen pijn doet, helpt het niet. De dood van de Navo is de levensvoorwaarde voor de EU.

In dit licht moet ook de kwestie-Uruzgan worden bezien. De relatie met een aftakelend Amerika, de toekomst van de Navo en de plaats van de EU in de toekomstige multipolaire internationale orde zijn de drie belangrijkste parameters. Ook hier kan alleen een principieel debat leiden tot een bevredigende beslissing.

Ontzuiling en ontideologisering zijn mooi en prachtig, maar de politieke werkelijkheid trekt zich daar niets van aan. Die zal ons blijven confronteren met de noodzaak om principiële keuzes te maken. In de voorzienbare toekomst zelfs meer dan in het tijdperk van de ideologie.

.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden