Had het anders gekund?

Wie Het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog van Loe de Jong niet alleen op de plank heeft staan, maar ook heeft gelezen, weet dat de auteur kort na de Duitse inval erin slaagde Nederland te ontvluchten. Op 14 mei 1940, de dag van de capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten, wisten De Jong en zijn echtgenote aan boord van een kustvaarder het vaderland te verlaten.

De Jong achtte zichzelf om twee redenen in gevaar: hij was redacteur van De Groene Amsterdammer en jood. Tezamen met tweehonderd landgenoten, in meerderheid joden, liet het jonge echtpaar Nederland achter zich. In Londen werd De Jong per 1 juli 1940 aangesteld bij de regeringsomroep in oprichting (Radio Oranje) en op 30 juli ging hij voor het eerst 'de lucht in'.

Daarnaast schreef hij vier delen over de gebeurtenissen in bezet gebied, die verschenen onder de titel Je Maintiendrai. Ook won hij de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, G. Bolkestein, voor het idee na de oorlog een instituut op te richten dat zich zou gaan bezighouden met het verzamelen van materiaal over de bezettingstijd.

Hetzelfde idee was ook in bezet Nederland ontstaan bij de hoogleraar economische geschiedenis N.W. Posthumus. Deze had bovendien al de nodige stappen gezet om het plan te verwezenlijken. Toen De Jong in het voorjaar van 1945 in Vrij Nederland een bericht las over de oprichting van het bureau, besloot hij zo spoedig mogelijk naar Amsterdam af te reizen voor een gesprek met Posthumus. Dit had het gewenste resultaat en met ingang van 15 september 1945 werd De Jong chef, later directeur, van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.

In deze functie had hij een belangrijke stem in de totstandkoming van het publicatieprogramma van het jonge Amsterdamse instituut. In 1948 werd besloten dat er een aparte studie moest komen over de lotgevallen van de joden in de jaren 1940-1945. De Jong suggereerde aanvankelijk Jaap Meijer als kandidaat en deze bleek geinteresseerd. De besprekingen met hem over de uitvoering van de opdracht liepen echter al spoedig mis, waarna Meijer zich verbolgen terugtrok. Eind 1949 stelde De Jong het bestuur voor zijn vroegere leermeester Jacques Presser te vragen. Toen hij Presser benaderde, zei deze onmiddellijk ja.

Meer dan vijftien jaar later, in 1965, verscheen de tweedelige studie Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945. Op 1 mei 1955 werd De Jong zelf officieel de opdracht verstrekt tot het schrijven van de Nederlandse oorlogsgeschiedenis, die zou uitmonden in de veertiendelige monumentale serie Het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog (1969-1989). Verspreid over de delen komt hierin vanzelfsprekend ook de jodenvervolging aan de orde.

Met de overheidsopdracht aan Presser neemt Nederland in internationaal perspectief een bijzondere plaats in. In geen enkel ander land werden vergelijkbare opdrachten verstrekt. Elders in West-Europa en de Verenigde Staten bleef het onderzoek naar de jodenvervolging een kwestie van particulier (joods) initiatief. Het Nederlandse Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, een staatsinstelling, beschouwde het onderzoek naar de lotgevallen van de joden echter direct als een integraal onderdeel van zijn taak.

Dit heeft wellicht te maken met het schrikbarend hoge percentage joden dat uit Nederland naar de vernietigingskampen werd gedeporteerd. Maar afgezien hiervan is het in belangrijke mate het resultaat van de ambitie en inzet van De Jong. In elk geval werd door de opdrachten aan Presser en De Jong de geschiedschrijving van de jodenvervolging in Nederland direct door professionele historici ter hand genomen.

Presser en De Jong richtten zich doelbewust en met succes tot een algemeen publiek. Mede door hun werk is de terugblik op de Tweede Wereldoorlog in Nederland in sterkere mate dan elders bepaald door de jodenvervolging. Ook is de kennis van de vervolging in Nederland wijder verbreid dan in vele andere landen. Hierdoor hebben de zogeheten ontkenners van de moord op de joden vooralsnog geen voet aan de grond gekregen.

Door de opdrachten aan Presser en De Jong te geven, waren twee overlevenden belast met de geschiedschrijving van de jodenvervolging, die ook hun leven zo ingrijpend had beinvloed. Voor hen was het optekenen van dit hoofdstuk uit de geschiedenis niet louter een academische of intellectuele kwestie, maar ook en wellicht in de eerste plaats een persoonlijke aangelegenheid. Hun rechtstreekse betrokkenheid gaf hun boeken een speciale gedrevenheid.

Dat De Jong de oorlog in betrekkelijke veiligheid aan de overzijde van Het Kanaal had doorgebracht, is vrij algemeen bekend. Ik denk dat aanzienlijk minder mensen weten dat hij na de oorlog de enige overlevende was van zijn ouderlijk gezin. Terwijl hij in Londen verbleef, waren zijn ouders, zusje en tweelingbroer overgeleverd aan de nationaal-socialistische bezetter. Zijn ouders en zijn zusje werden in mei 1943 in Westerbork geinterneerd. Via het Rode Kruis ontving De Jong daarvan in juli van hetzelfde jaar in zijn ballingsoord bericht. Overigens heeft hij ook dit dramatische gegeven, zij het in een voetnoot, vermeld in Het Koninkrijk.

Na de oorlog vernam hij dat zijn ouders verschillende kansen om onder te duiken hadden afgeslagen, onder meer omdat zijn zusje niet van haar ouders gescheiden wilde worden. Daarnaast vonden zij het ook bezwaarlijk hulp van niet-joden te aanvaarden, die daarmee zichzelf in levensgevaar brachten. De Jongs ouders veronderstelden de naar verwachting zware omstandigheden in het oosten wel aan te kunnen. Samen met hun dochter behoren zij tot de ruim 34.000 joden uit Nederland die tussen 2 maart en 30 juli 1943 in Sobibor werden vergast.

In dezelfde voetnoot wijdt De Jong ook een paar zinnen aan het lot van zijn tweelingbroer Sally. Deze was in maart 1943 met zijn vrouw en een bevriend echtpaar via Brussel en Frankrijk richting het neutrale Spanje gevlucht. In Frankrijk werden zij echter gearresteerd; zij kwamen in december 1943 aan in Auschwitz-Birkenau. Sally's echtgenote overleed spoedig en De Jongs broer verliet in januari 1945 het kamp bij de algehele ontruiming. Aangenomen wordt dat hij in april of mei 1945 bij een klein kamp in het Harzgebergte is gestorven.

Sally de Jong, wiens foto uit de oorlogsjaren een in het licht van de geschiedenis huiveringwekkende gelijkenis laat zien met de jonge Loe, was aanvankelijk als arts werkzaam geweest in Westerbork; hij ontwikkelde echter een steeds negatievere houding tegenover de Joodse Raad. Tijdens het oponthoud in Brussel schreef hij een rapport getiteld 'De Ondergang van het Nederlandsche Jodendom', dat via Zwitserland zijn weg vond naar Bureau Inlichtingen in Londen. Daar werd het rondgestuurd aan de Koningin, Prins Bernhard, tal van ministers en overige diensten. Zo kreeg ook Loe de Jong het - anonieme - rapport onder ogen, niet bevroedend dat zijn broer de auteur was van het drieântwintig pagina's tellende stuk. Pas na de oorlog ontdekte hij dat zijn tweelingbroer het rapport had geschreven.

Dit document dat onder zulke dramatische omstandigheden tot stand kwam, speelt in De Jongs herinnering een belangrijke rol. Hij zou zijn voorstel voor de titel van Pressers studie aan het rapport hebben ontleend. En in zijn oratie, die hij in 1967 uitsprak bij de aanvaarding van het buitengewoon hoogleraarschap in de geschiedenis van de jongste tijd aan de Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam, noemde De Jong het rapport “een van de schranderste en meest principiâle rapporten over de Jodenvervolging in Nederland die ik er onder ogen kreeg”.

Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de lotgevallen van zijn naaste familie ook zijn beoordeling van bijvoorbeeld het optreden van de Joodse Raad heeft beinvloed. Als geschiedschrijver toonde De Jong zich gebeten op het joodse leiderschap. Argumenten die door zijn voorgangers Herzberg en Presser ter verdediging van de joodse leiders waren aangedragen, wees hij in scherpe en dikwijls geirriteerde bewoordingen van de hand. Zo ontkende hij met grote stelligheid dat de Raad enig succes had geboekt met zijn coîperatieve houding. Het tempo van de jodenvervolging en de jodendeportaties, schreef hij op besliste toon, was louter door de bezetter bepaald. Hij komt tot de harde slotsom dat de Raad “van meet af aan een instrument [was] ten dienste van de Duitsers”. Door de medewerking aan de deportaties droeg de Joodse Raad “een zekere mate van medeverantwoordelijkheid”.

Hij liet het niet bij deze op zichzelf al vernietigende beoordeling, maar gaat nog een interessante en voor een geschiedschrijver opmerkelijke stap verder. Hij vraagt zich af wat er zou zijn geschied als de Raad zou hebben gekozen voor een combinatie van legaal en illegaal optreden. En wat zou er zijn gebeurd wanneer de joodse leiders in juni 1942 zouden hebben geweigerd verdere administratieve medewerking aan de deportaties te verlenen? De Jong geeft ook het antwoord: er zou een crisissituatie zijn ontstaan en voor hem staat het vast dat de deportaties in dat geval 'op een hardere wijze' en wellicht zelfs versneld zouden zijn uitgevoerd.

Dit alternatieve scenario lijkt op het eerste gezicht nauwelijks te verkiezen boven de door de joodse leiders gekozen beleidslijn. Maar De Jong acht het niet uitgesloten dat het een positief effect zou hebben gehad op de niet-joodse Nederlanders, wanneer de Joodse Raad het bijltje er bij neer had gegooid. Wellicht zouden zij in dat geval in grotere getale hulp hebben geboden aan hun vervolgde landgenoten. In De Jongs woorden: “De passiviteit in het Joodse milieu heeft ... de passiviteit in het niet-Joodse in de hand gewerkt.”

De Jong opent deze paragraaf met de vraag “Had het anders gekund?'. Het is frappant dat het rapport van zijn broer besluit met een paragraaf die precies dezelfde titel draagt. Hierop liet Sally de Jong ruim een halve pagina tekst volgen, waarin hij uitwerkt wat er gebeurd zou zijn wanneer 'de Joden' elke vorm van medewerking hadden geweigerd. Deze 'georganiseerde passieve weerstand' zou wellicht niet tot andere resultaten hebben geleid, stelde hij, maar de ondergang die hij toen - in mei 1943 - binnen enkele maanden voorzag zou dan tenminste 'solidair en zelfbewust zijn geweest'. Hij voorspelde dat 'de geschiedenis' de joodse leiders zou “beschouwen als lafaards en verraders van hun eigen volk”.

In ietwat diplomatiekere bewoordingen deed zijn broer, de geschiedschrijver, dat inderdaad. Ook andere opmerkingen uit het rapport zijn in gelijkluidende bewoorden terug te vinden in Het Koninkrijk en ander werk van De Jong. Hoewel De Jong dit zelf ontkent, heeft zijn broers visie hem vermoedelijk beinvloed, of althans gesterkt in zijn beoordeling. Niet voor niets prees hij het in Brussel geschreven rapport in zijn oratie. En zou hij niet ook het het lot van zijn ouders en zijn zusje in gedachten hebben gehad toen hij de paragraaf schreef over de mogelijke consequenties van een nadere politiek van de Joodse Raad? Als deze een minder coîperatieve houding had aangenomen tegenover de bezetter, hadden zijn ouders de mogelijkheden om onder te duiken wellicht niet afgeslagen.

Ik wil uiteraard geenszins beweren dat De Jongs visie op het joodse leiderschap louter en alleen voortkwam uit loyaliteit jegens zijn vermoorde familieleden. Zijn principiâle kritiek en morele afkeuring van de opstelling van het joodse leiderschap hingen nauw samen met zijn politieke opvattingen. Maar zijn persoonlijke ervaringen waren - hoe kon het anders? - een belangrijke drijfveer in het professionele vlak. Bovendien wilde hij dat zijn lezerspubliek dat wist. Daarom verwerkte hij de wederwaardigheden van hemzelf en zijn naasten tijdens de oorlogsjaren in zijn geschiedverhaal.

Verscheidene leden van de staf van het RIOD en de begeleidingscommissie hebben herhaaldelijk, maar vergeefs, geprobeerd hem op andere gedachten te brengen.

Ook naar aanleiding van het manuscript van het slotdeel over de bezetting discussieerde de begeleidingsgroep weer over de wenselijkheid van dergelijke passages. De Jong had deel 12 geopend met een beschrijving van zijn gedachten tijdens de dodenherdenking op 4 mei 1985. Hierin memoreerde hij nogmaals het lot van zijn ouders, zusje en broer en besloot “Hoe is mijn leven, hoe is dat van ongeteld velen door de oorlog getekend!” De Jong toonde zich niet ontvankelijk voor de kritische opmerkingen van meelezers. Met de woorden “Dit is geen wetenschappelijke, het is veeleer een emotionele kwestie”, was de discussie gesloten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden