Haar laatste levenswil

Theologe Christa Anbeek wil niet dat geestelijk verzorgers zich laten bijscholen tot stervenshulpdeskundigen, zoals het initiatief ’Uit Vrije Wil’ graag zou zien. Vanuit het perspectief van zo’n stervenshulpdeskundige schetst Anbeek hoe het zou kunnen gaan als het ’Vrije Wil’-scenario werkelijkheid wordt. „Niemand anders kan de keus voor leven of dood maken dan jijzelf.”

12 januari 2014

Morgen breng ik mijn laatste bezoek aan mevrouw Albrecht. Drie gesprekken heb ik met haar gevoerd. Ze is 76 jaar oud, moeder van een dochter van 49.

Een paar jaar nadat haar dochter geboren was, strandde het huwelijk van mevrouw Albrecht. Gelukkig had zij haar diploma van de kweekschool en kon zij zowel zichzelf als haar dochter onderhouden. Ze werkte met veel plezier en voelt zich nog altijd trots als zij bedenkt hoe zij als zelfstandige vrouw samen met haar dochter een weg gevonden heeft. Het contact met haar dochter is goed; als je als enige ouder een kind opvoedt lijkt de band zich te versterken, ook als je kind volwassen is.

De laatste jaren worstelt mevrouw Albrecht met een ’innerlijke leegte’. De eerste jaren na haar pensioen heeft ze samen met een vriendin veel gereisd. Helaas is deze vriendin vier jaar geleden overleden. Kanker. Mevrouw Albrecht heeft het ziekteproces van haar vriendin van dichtbij meegemaakt. Het was afschuwelijk om iemand zo te zien aftakelen.

Mevrouw Albrecht is één keer met haar dochter op reis geweest. Dat was leuk maar eigenlijk vindt ze dat ze haar dochter niet zo lang aan haar gezin met opgroeiende kinderen mag onttrekken. Ze voelt er niet voor om alleen op reis te gaan en groepsreizen zijn al helemaal niets voor haar. Als ze alles zo overziet, heeft ze al een tijd het gevoel dat haar leven voltooid is. Wat gedaan moest worden is gedaan, als ze vooruit blikt ziet ze een leegte die alleen maar kwellender kan worden als haar fysieke en geestelijke krachten gaan afnemen. Haar dagelijkse wandeling geeft haar nu nog plezier en ook wel het lezen van de krant of een goed boek, maar wat als dat ook onmogelijk wordt?

Soms bezoekt ze wat ouderen in het verpleeghuis, verderop in het dorp, maar die ervaring biedt haar al helemaal geen aantrekkelijk vooruitzicht. De verzorging van haar demente moeder staat haar nog helder voor de geest. Eigenlijk vindt ze dat het genoeg is geweest. Als ze zelf kon kiezen zou ze vandaag het liefst stilletjes het licht uitdoen. Met haar dochter heeft ze het hier nog niet over gehad. Ze weet dat haar dochter van haar houdt en het vreselijk zou vinden om haar te moeten missen. Maar vroeg of laat komt dat moment toch. Je kunt een kind van 49 toch niet voor het verdriet van het leven blijven behoeden?

Drie gesprekken heb ik met mevrouw Albrecht gevoerd. In mijn opleiding tot stervenshulpverlener heb ik geleerd hoe belangrijk het is om de vrije wil en zelfbeschikking van onze cliënten niet ter discussie te stellen. Dat is betuttelend – iemand mag tenslotte zelf kiezen of hij wil leven of dood wil, dat maakt juist onze menselijkheid uit.

Wel horen wij te onderzoeken of, zoals de Wet op Levensbeëindiging uit 2013 het zegt, ’de doodswens authentiek en duurzaam is’ en bijvoorbeeld niet is ingegeven door derden. Nou, van dat laatste is bij mevrouw Albrecht in ieder geval geen sprake. Veel vrienden of familie heeft ze niet. Ze heeft alleen met mij over haar wens gesproken, en met m’n collega C., de tweede stervenshulpdeskundige die ik heb ingeschakeld. Dat schrijft de wet voor.

Pas daarna heeft ze haar dochter bij het gesprek betrokken. Die schrok eerst hevig, ze voelde zich ook schuldig. Ze dacht altijd dat zij en haar kinderen het leven van haar moeder betekenis gaven. Inmiddels heeft ze zich bij de situatie neergelegd. Zij respecteert de wens van haar moeder, maar wil morgen niet bij de zelfdoding aanwezig zijn.

Later op die dag

Ik ben best zenuwachtig. Ik heb zojuist de middelen bij de apotheek afgehaald. De arts van de Stichting Stervenshulp heeft ze voorgeschreven en me ook instructies gegeven voor het toedienen. Hij zal er morgen niet bij zijn, maar ik kan hem wel bellen, zei hij. Natuurlijk, die telefonische bereikbaarheid is bij wet geregeld.

Het voelt vreemd om deze zware pillen in huis te hebben. Ik kan ze zo zelf innemen – maar gelukkig gaat mijn vrije wil voorlopig nog een andere kant op. Ik hoop maar dat alles goed gaat, morgen. Stel je toch voor dat ze gaat overgeven, of het benauwd krijgt, of dat ze gewoon toch niet doodgaat

In mijn opleiding heb ik geleerd dat zoiets zich nauwelijks voordoet en dat we in het geval het wel gebeurt de Stichtingsarts moeten bellen. Alles is afgedekt, maar ik vind het toch eng. Ik ben nog nooit alleen bij een stervende geweest. In mijn werk als geestelijk verzorger heb ik wel mensen tot de laatste adem begeleid, maar daar waren ook altijd anderen bij betrokken, familie, vrienden, verzorgenden en soms ook een huisarts. Ik sta er straks alleen voor, want ik moet alle hulp verlenen. Nu het zo dichtbij komt voelt zelfbeschikking eenzaam, ook voor mij als hulpverlener.

’s Nachts

De drie gesprekken met mevrouw Albrecht malen door mijn hoofd en houden me uit de slaap. Daarom zit ik nu te schrijven.

Tijdens mijn opleiding tot geestelijk verzorger, en vooral ook in mijn werk daarna, ben ik mezelf gaan zien als een zingevingsdeskundige. De eerste jaren werkte ik in een psychiatrische instelling en de laatste jaren als vrijgevestigd geestelijk verzorger. Toen heb ik de opleiding tot stervenshulpverlener gedaan, het leek mij een aanvulling op mijn expertise. En ik geef toe dat ik dit werk ook zie als een welkome nieuwe bron van inkomsten. Verzekeraars vergoeden sinds jaar en dag geen levenshulpdeskundigen bij mensen thuis. In de diverse instellingen worden geestelijk verzorgers trouwens ook meer en meer wegbezuinigd.

Om kort te gaan: ik werd stervenshulpverlener. Maar nu mijn hulp nodig is, slaat toch de twijfel toe.

Als zingevingsspecialist heb ik vaak mensen begeleid die door een wending in hun leven de – tot dan toe vanzelfsprekende – zin niet meer zagen. Het verlies van een kind, ziekte waardoor werken onmogelijk wordt, een psychose die een opleiding in de war schopt allemaal dromen aan diggelen.

Los van de pijn en het verdriet komen er ook vragen op. Wat heeft dit alles voor zin? Wie ben ik eigenlijk? Wie zijn wij? Heeft het leven een richting en doel? Moeilijke vragen waar niet zomaar een antwoord op is. Dat maakt het werk van geestelijk verzorger voor mij zo interessant. Voorgegeven antwoorden zijn er niet, ieder zal zelf zijn weg door het kwetsbare leven moeten vinden. Elk mens moet zelf bepalen wat van doorslaggevende waarde is in zijn bestaan. En die waarden komen onder druk te staan, zoals bijvoorbeeld bij het verlies van een kind. Hoe vind je dan opnieuw een weg? Hoe krijg je zicht op de bedoeling van het leven?

In deze zoektocht sta ik mensen bij, dat maakt mijn werk bijzonder. Vaak was ik er getuige van hoe groot de veerkracht en vindingrijkheid van mensen is. Na een periode van diep verdriet en rouw om verlies vinden veel mensen nieuwe richting in hun leven.

Neem de voorzitter van de cliëntenraad van de GGZ-instelling waar ik werkte. Hij was opgeleid als architect, maar heeft zijn werk maar kort kunnen uitoefenen. Psychosen en verslaving maakten succesvol maatschappelijk functioneren onmogelijk. Jaren later kon hij zijn expertise als architect inzetten door zitting te nemen in de bouwcommissie voor de nieuwbouw van de psychiatrische instelling. Daarbij kwam ook zijn ervaring als psychiatrisch patiënt heel goed van pas. Hij wist écht hoe je zo’n gebouw, een huis voor patiënten, moest bouwen en inrichten.

Als voorzitter van de cliëntenraad zette hij zich in voor meer aandacht voor zingevingsvragen. Hij vond dat het autobiografisch onderzoek centraal moest staan. Want wat vroeger waardevol was, kan misschien op een nieuwe manier richting, kleur en smaak aan het leven geven.

Ik weet het, nieuwe zin vinden lukt niet zomaar. Dat heb ik regelmatig meegemaakt. Het leven lijkt geen beloftes voor de toekomst meer in zich te houden. Alles van waarde ligt in het verleden, als daar al veel waardevols te vinden is, want soms ontbreekt ook dat.

In de instelling waar ik werkte gold als beleid dat er geen hulp bij zelfdoding gegeven mocht worden. Veel hulpverleners leidden daar ten onrechte uit af dat ze de doodswens van cliënten ook niet mochten bespreken. Terwijl ik vind dat juist het gesprek over geen-andere-weg-zien-dan-de-dood een ultieme vorm van menselijk contact is. Als een mens over een doodswens durft te praten, laat hij de ander toe in zijn wanhoop, verdriet, kwetsbaarheid en vervlogen hoop. Juist dan bij iemand willen zijn en blijven, ook al vind je samen geen nieuwe zin, dat is menselijkheid. Dat vormt toch het hart van het werk van een geestelijk verzorger?

Zin is niet maakbaar, ook door mij als geestelijk verzorger niet, al noem ik me zingevingsdeskundige. Soms breekt alles bij de handen af, maar ook dan moeten we een ander niet alleen laten. Gelukkig is er tegenwoordig een richtlijn die hulp voor psychiatrische patiënten met een ’onophoudelijk doodsverlangen’ mogelijk maakt.

Mijn ervaringen als geestelijk verzorger hebben gemaakt dat ik geïnteresseerd raakte in de opleiding tot stervenshulpverlener. Uiteindelijk is de keuze om te leven of te sterven aan de mens zelf, niemand anders kan voor jou de uiteindelijke afweging maken.

Toch blijven de gesprekken met mevrouw Albrecht maar in mijn hoofd rondmalen. Waarom is zij eigenlijk zo bang voor kwetsbaarheid en afhankelijkheid? Waarom kan zij, zeker nu ze op een bepaalde manier nog helemaal niet zo afhankelijk is, geen verbinding met anderen meer maken? Hoe komt het dat zij, wanneer ze over haar leven praat, dat steeds doet in termen als ’doen’, ’succes’ en ’autonomie’? Is dit niet ook sterk door onze cultuur bepaald? Wat is de bron van haar leegte? Heb ik daar als geestelijk verzorger wel genoeg op doorgevraagd?

Mijn opleiders hebben me geleerd niet betuttelend of paternalistisch op te willen treden. Daar ben ik in getraind. Vrijwillig, duurzaam en authentiek, dat zijn de basiscriteria voor een zorgvuldige toetsing. Of de doodswens omkeerbaar is, kan en mag ik als hulpverlener niet beoordelen. Je bent niet verplicht om te leven! Twee of drie gesprekken zijn genoeg om dit zorgvuldig te toetsen, daar ben ik van overtuigd.

Toch lig ik wakker van mijn nachtgedachten. Doe ik, als ik ervan uitga dat het leven eenmalig is, de ander niet te kort? Door zelfdoding doe je jezelf in ieder geval voorgoed te niet. Een leven dat tot dan toe nog niet af was, wordt door de dood voltooid. Nieuwe mogelijkheden voorgoed afgesloten. Geen smaak meer, geen kleur, geen licht, geen aanraking. Jij niet meer.

13 januari 2014

’s ochtends

Uiteindelijk toch nog in slaap gevallen. Nu maar snel op pad.

’s Middags

Alles is goed gegaan. Toen ik bij mevrouw Albrecht kwam, was ze opgewekt. Er was duidelijk iets van haar afgevallen.

Ik informeerde of haar dochter nog gebeld had. Gisteravond had ze haar nog even gesproken, zelfs de kleinkinderen even, ook al wisten die niet dat dit hun laatste gesprek met oma was. Dat wilde haar dochter niet. ’Ach ja’, zei mevrouw Albrecht, ’het is net als wanneer je gewoon op reis gaat. Ook dan stap je in de nachttrein en roep je dahaaag terwijl je nooit zeker weet of er een weerzien komt.’

Na een kop koffie zei mevrouw Albrecht dat het zo goed was. Ik heb de middelen klaargemaakt. Het ging heel gemakkelijk, mijn angsten zijn echt voor niets geweest. Rustig zakte ze in slaap en na twintig minuten zag ik heel duidelijk dat ze niet meer ademde. Daarna heb ik de lijkschouwer gebeld, zo staat het in het protocol.

Hij zou haar dochter bellen. Die had gezegd dat ze mij liever niet meer wilde spreken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden