Haar dagen waren altijd te kort

Roos Prins 1996-2014

Achttien jaar was ze en vastbesloten iets moois van haar leven te maken. Ze had hard gewerkt om toegelaten te worden tot het Engelstalige Amsterdam University College, en dat was gelukt. Met een Engelse studente zou ze gaan samenwonen op de campus. Maar eerst zou ze gaan genieten van haar laatste schoolvakantie, zoals ze die noemde. Ook die tijd moest iets bijzonders worden.

Ontwikkelingswerk in Afrika, dat leek haar wat. Maar daar moest je zoveel geld op toeleggen, dat het buiten haar bereik lag. Een zus van haar moeder, die in Zimbabwe had gewerkt, bracht uitkomst. Samen zouden ze naar Zimbabwe gaan en bij een familie in lemen huisjes verblijven. Daarna zou ze nog een tocht door Zuid-Afrika maken. Dat zou het afscheid van haar meisjesjaren worden en het begin van haar onafhankelijke leven.

Daar was ze aan toe. Met haar ouders vormde ze een hecht gezin. Thuis leek Roos op gelijke voet te staan met haar moeder Eveline Brunklaus, lerares Frans, en haar vader Jeroen Prins, die de financiën doet van een ziekenhuis. Aan de eettafel werd er over van alles en nog wat gediscussieerd en Roos deed daar enthousiast aan mee. Ze kon zich goed uiten, dat had ze in haar eerste levensjaren al laten horen. Als klein kind babbelde ze honderduit, soms tot verlegenheid van haar ouders. Zoals die keer dat ze met haar vader in een winkel stond. "Mijn moeder ligt in het ziekenhuis om te zien waarom ik geen broertje of zusje krijg", verkondigde ze aan iedereen die het horen kon.

Toen ze een reeks kinderziektes achter de rug had, werd ze een gezonde meid. Alleen groeide ze zo hard dat haar ouders zich daarover zorgen begonnen te maken. Toen ze op haar zevende op ballet ging, was ze twee koppen langer dan haar leeftijdgenoten. Onhandig slingerde ze met haar lange benen alle kanten op en na drie jaar verruilde ze ballet voor hockey. Daar was ze beter op haar plaats. Ze vond haar beste vriendinnen bij de hockeyvereniging HIC in Amstelveen.

In haar kinderjaren woonde het gezin in de Amsterdamse Valeriusstraat, in een mooie buurt, maar wel op drie hoog. Toen Roos zeven was, verhuisden ze naar Amstelveen, naar een rijtjeshuis met een tuin. In Amsterdam bleef ze schoolgaan, eerst de Peetersschool, later het St. Ignatiusgymnasium. Ze voelde zich Amsterdamse en vond Amstelveen maar een dorp. Liever fietste ze drie kwartier naar de hoofdbibliotheek van Amsterdam dan dat ze naar die van Amstelveen ging.

Leren vond ze heerlijk en ze deed graag iets extra's voor school. Al in groep drie van de basisschool meldde ze zich vrijwillig voor een spreekbeurt. Ze koos voor spinnen als onderwerp. Daarvoor verzamelde zulke enge plaatjes dat ze altijd bang bleef voor spinnen.

Haar huiswerk deed ze met zoveel animo, dat haar ouders in de merkwaardige positie verkeerden dat ze hun kind moesten afremmen. Een van de weinige keren dat ze ziek thuis bleef, had ze huilend van vermoeidheid onder de douche gestaan. Haar ouders voerden de regel in dat ze tot half negen 's avonds huiswerk mocht maken, daarna moest ze nog een half uur 'iets leuks' doen. Toen ze dat op een ouderavond vertelden en dat werd doorgekletst, werd Roos ermee geplaagd.

Ook al was Roos heel sociaal, ze bleef toch een beetje een buitenstaander. Sommige leerlingen vonden haar een uitslover, maar ze kwamen wel bij haar om hulp bij het schoolwerk. Ook haar brede belangstelling wekte verbazing. Er waren maar weinig leeftijdgenoten met wie ze over Plato kon praten.

Wereldvreemd was ze niet. Toen in de aanloop van de Olympische Spelen in Sotsji de positie van homoseksuelen in Rusland in discussie kwam, was Roos strijdvaardig. Ze fietste naar het stadshart van Amstelveen waar premier Rutte campagne zou voeren voor de gemeenteraadsverkiezingen. Wat is er belangrijker, principes of de handel? vroeg ze hem. Hij zei dat principes en handel elkaar niet hoeven te bijten. Roos nam daar geen genoegen mee, en drong verder aan. Maar Rutte gaf geen krimp en boos om zijn ontwijkende antwoord fietste ze naar huis.

Roos had ook oog voor mode. Sinds haar twaalfde kreeg ze kleedgeld, maar dat was veel te weinig voor haar soms dure smaak. Als ze een prijzige trui in de winkel zag, dan hield ze die maandenlang in de gaten totdat die voldoende was afgeprijsd voor haar budget. Ook kon ze blij zijn met een ruig tweedehands leren jasje.

Haar ideeën over mode twitterde en blogde ze de wereld in. Ze dacht dat ze daar verder mee wilde en schreef zich in voor de talentenwedstrijd Kunstbende. Een paar damesschoenen die ze op de markt had gekocht, beplakte ze met scherven van een spiegel. Haar vriendin Sa-Ra showde die, en het bloed liep over haar enkels.

Met haar ietwat trillende handen kon Roos niet nauwkeurig genoeg zijn om mode te maken. Een naaimachine, die ze van haar grootmoeder kreeg, bleef ongebruikt. Ze deed liever iets waarin ze kon uitblinken.

Schrijven bijvoorbeeld, dat deed ze graag en goed. Ze deed een schoolstage van twee dagen bij het vrouwenblad Elle. Voor de jongerenwebsite MovieZone van het filmmuseum EYE schreef ze recensies. Als ze dacht aan een beroep voor later, dan was het journalistiek. Om zich te oefenen meldde ze zich bij de communicatiecommissie van haar hockeyvereniging.

In haar examenjaar deed ze mee aan een schrijfwedstrijd van het Genootschap Nederland-Engeland. In het Engels schreef ze een essay over duurzaam ondernemerschap, naar aanleiding van het lekkende olieplatform in de Golf van Mexico. Roos kreeg er de publieksprijs voor en ze mocht op de thee komen bij de Britse ambassadeur.

Ze klaagde weleens dat de dagen te kort waren voor alles wat ze wilde doen. Een baantje wilde ze niet, uitgaan deed ze weinig. Als ze met vriendinnen naar een club ging waar ze officieel te jong voor was, dan genoot ze ervan dat ze met haar lengte van 1 meter 83, nog geaccentueerd door hoge hakken, makkelijk langs de portier kwam. En anders kletste ze zich wel naar binnen.

Haar humor kon scherp zijn. Toen ze een tijdschrift zag met een diep gebruind fotomodel voorop, zei ze: 'Kijk, die maakt reclame voor huidkanker'.

Eén ding zat haar wat dwars: ze had nooit verkering gehad. Twee keer had ze met een jongen gezoend, maar daar was het bij gebleven. Toen ze voor het eerst alleen naar het Lowlands-festival ging (ze was er twee keer eerder met haar ouders geweest) hoopte ze dat ze een leuke jongen tegen zou komen. Dat gebeurde inderdaad. Ze stapte op hem af en begon druk te praten over haar groeicurve waardoor ze zo lang was geworden. Dat werd dus niks met die jongen. Daar kon ze zelf ook om lachen.

Roos wilde de wereld in. "Je denkt toch niet dat ik in Nederland blijf", had ze haar ouders gezegd. Na haar eindexamen zou de reis naar Afrika de eerste stap zijn. Op 7 juli vertrok ze naar Zimbabwe met haar tante, die haar na twee weken afzette in Zuid-Afrika. Vanuit Pretoria zou Roos een rondreis van elf dagen maken, in een busje met tien andere jongeren. Ze nestelde zich op de achterbank, naast een jongen, en ze gingen op weg naar het Krugerpark.

Wachtend voor een T-kruising werden ze van achteren geramd door een taxibusje. Iedereen bracht het er redelijk goed van af, behalve Roos. Zwaargewond en bewusteloos werd ze naar het ziekenhuis gebracht, maar tevergeefs.

Roos Prins werd geboren op 28 januari 1996 in Amsterdam. Ze stierf op 28 juli 2014 in Nelspruit, Zuid-Afrika.

Roos Prins wilde verder in de journalistiek, maar eerst ging ze een reis door Afrika maken.

Er waren maar weinig leeftijdgenoten met wie ze over Plato kon praten

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden