Haags Mauritshuis levert puur esthetisch genoegen

DEN HAAG - Maar liefst duizend gulden vroeg de Zeeuwse schilder Ambrosius Bosschaert de Oude voor de opdracht die hij in 1621 van Prins Maurits kreeg om een 'blompot' te schilderen, de benaming destijds van wat nu bloemstilleven heet. Bosschaert was een veel gezochte schilder en kon dientengevolge zijn prijzen hoog opschroeven. Bovendien moest hij de nodige zorg aan zo'n rijk gedetailleerd stilleven besteden; tijd en werk bepaalden de prijs voor het schilderij dat omgerekend tegen de huidige koers in de buurt van een miljoen zou komen.

Bosschaert was niet de enige die op zo'n fiks honorarium kon rekenen. Jacob de Gheyn II had in 1606, dus 15 jaar voordat Bosschaert zijn vorstelijke opdracht kreeg, een bloemstuk gemaakt voor Maria de Medici. Hij ontving daarvoor 600 gulden, oftewel dertig keer meer dan het bedrag waarop in dezelfde tijd een goed schilderij werd getaxeerd. En Jan Brueghel de Oude, aan wie het oudste, op 1605 te dateren zelfstandige bloemstilleven valt toe te schrijven, kreeg in 1606 voor een schilderij met bloemen van een kardinaal in Milaan de tegenwaarde van een kostbaar sieraad met diamanten dat hij naast de bloemen op zijn werk had geschilderd.

Het schilderen van bloemstillevens was in het begin van de 17e eeuw een gespecialiseerd genre geworden dat aanvankelijk in een beperkt aantal centra werd bedreven. Bosschaert kwam uit Middelburg, waar een groep schilders woonde die zich uitsluitend op het vervaardigen van dit soort stilleven toelegde. Elders, in steden die ook landschap-, portret-, historie- en interieurschilders voortbrachten, kwam het schilderen van bloemstukken veel minder voor. Alleen in Antwerpen bestond onder schilders grote belangstelling voor het onderwerp. Hier zaten schilders als Jacob de Gheyn II, Daniel Seghers en Jan Brueghel de Oude die de grondleggers van het genre waren. Van de steden in de Noordelijke Nederlanden kunnen Delft en Utrecht worden genoemd.

In Utrecht was de van oorsprong Vlaamse schilder Roelant Saverij komen te wonen die de Vlaamse kunst eigenhandig exporteerde. Saverij is bekender geworden door zijn indrukwekkende landschappen, vaak gestoffeerd met nobele paarden, maar zijn bloemstillevens zijn minstens even fraai. En even gezocht: Saverij werkte onder meer aan het hof van de grote kunstverzamelaar Rudolf II in Praag. Misschien voor hem, maar zeker voor zijn broer Matthias heeft hij minstens een bloemstuk gemaakt. Het is een in 1612 geschilderde 'vaas met bloemen' waarin als gebruikelijk bloemen uit verschillende perioden naast elkaar staan gegroepeerd: rozen, kievitsbloemen (die pas in 1597 in de Nederlanden bekend waren geworden), irissen en tulpen torenen uit boven een bont groepje diertjes als vlinders, bijen, salamanders en muizen. Het paneel verkeert trouwens nog steeds in vorstelijke handen, tegenwoordig is het de vorst van Liechtenstein die het werk in zijn (weinig getoonde) collectie in Vaduz beheert.

Het zijn deze schilders die momenteel het Haagse Mauritshuis in bloei zetten. Met een kleine dertig stukken is het een bescheiden expositie geworden die echter werk van hoge kwaliteit laat zien: de schilders zijn gekozen op grond van representativiteit en faam. Behalve op grond van hun kwaliteit zijn ze uitgekozen op hun specifieke benadering van dit genre: ze schilderden allemaal boeketten, bloementuilen in een vaas of kom, vrijstaand in de ruimte en nooit een bloem en detail.

Door dat alleen werk uit de 17e eeuw is uitgekozen, valt de nadruk direct op het hoogtepunt van de bloemstillevenkunst: zowel de opgang naar dit niveau als de terugval in kwaliteit die zich in de 18e eeuw zou voordoen, komt niet in beeld. Zo gepresenteerd heeft het er alle schijn van dat de 17e eeuwse schilders puur op kijkplezier uit waren. Wat zij aanvankelijk nogal houterig neerzetten - de boeketten werden geruime tijd in een symmetrische pose geplaatst -, groeide langzaam uit tot een voluptueuze voorstelling, rijk van kleur, van toon, van stofuitdrukking en inhoud. Naarmate er meer met lef werd gewerkt, waarbij de wat stijve opbouw plaatsmaakte voor bewuste antisymmetrie en een sterkere diagonale werking, nam ook het kijkgenoegen toe: de bloemen zagen er steeds meer waarheidsgetrouw uit, tot ze tenslotte, als waren ze levensecht, zo van het doek geplukt konden worden.

Het bezwaar tegen deze opzet is dat het er op lijkt alsof het verschijnsel bloemstilleven in de 17e eeuw plotsklaps uit de lucht kwam vallen en meteen op het hoogste niveau stond. Zo was het natuurlijk niet: het genre kende een lange aanlooptijd die een flink deel van de 16e eeuw bestrijkt en zelfs zijn wortels kent in de 15e eeuw. Van Memlinc is bekend dat hij, waarschijnlijk als eerste, een stilleven van een vaas op een tapijt met een enkele bloem heeft gemaakt.

Dat het bloemstuk zijn oorsprong heeft in de religieuze schilderthematiek, waarbij bijvoorbeeld Maria geportretteerd met bloemen omgeven, komt in het Mauritshuis ook niet ter sprake. Het ontbreken van een historisch kader aan de getoonde schilderijen werkt verwarrend en enigszins misleidend; een mooie show hoort drama te bezitten die nu ontbreekt.

Anderzijds wilde het museum geen herhaling leveren van het vele dat in de afgelopen tijd op het gebied van stillevens is getoond; sinds zo'n vijftien jaar bestaat er voor deze schilderkunst veel belangstelling wat al tot een behoorlijk aantal exposities heeft geleid.

Het Mauritshuis, dat deze tentoonstelling op eigen kracht samenstelde en zonder de hulp van een deskundige als Sam Segal, komt ook niet met een actuele visie. Deze expositie is danook niet bedoeld voor wie de nieuwste inzichten op het gebied van het bloemstilleven wil volgen. Catalogus en tentoonstelling bevestigen eerder een bestaand beeld dat daaruit bestaat dat de Nederlandse stillevenschilderkunst in de 17e eeuw op een hoog niveau stond. Over de inhoudelijke kant van de meeste schilderijen wordt de bezoeker weinig wijs gemaakt: zelden komt die te weten welke bloemen hij ziet, waarom juist die bloemen op het bewuste schilderij voorkomen, wat hun betekenis in die tijd was. De kijker is er aan gewend geraakt dat hij 17e eeuwse kunst tegenwoordig met een ander oog moet bekijken dan vroeger het geval was: weinig van wat hij ziet heeft een betekenis die uitsluitend aan het uiterlijk afleesbaar is. Juist in de afgelopen jaren is de kennis over deze soort schilderkunst sterk toegenomen. Je verwacht dat daar toch minstens iets mee werd gedaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden