H.J. Stevens, Etten-Leur

“Sinds 1980 zit ik in Burma met mijn papieractiviteiten. Heel plezierig, ik ben de derde generatie van papierexporteurs. Ik zal nooit de eerste keer vergeten dat ik in Rangoon kwam: zo sereen, zo'n rust, schitterend van kleur, die gastvrijheid, die warmte. Alles wat God heeft gemaakt groeit er, bloeit er, zit in de grond, hangt aan de boom.”

“Ik ben teruggegaan, en teruggegaan, en teruggegaan. Monsters laten zien, contacten gelegd, praten, praten. Een band opgebouwd, ze zijn heel trouw, héél trouw. Zestien jaar geleden sprak ik met een Burmees. Die zegt 'een televisie, is dat niet zo'n klein bioscoopje, dat heb ik wel eens gezien'. In zo'n optiek leeft dat Burmaanse volk. Er is met Burma een enorme gap, ze praten daar nog in decennia, terwijl wij hier via Internet al in minuten of seconden praten. Dat moeten we kleiner maken.”

“In 1988 begon in Rangoon dat geduvel met die studenten. Het escaleerde. Maar een Burmees is koppig, is trots, die zegt 'meneer, dat zijn uw zaken, dit zijn mijn zaken en we moeten ons niet met elkaars zaken bemoeien.' Radiostilte. Mijn bankier vond dat ik mijn goederen maar niet meer moest verschepen, want misschien kwam er geen betaling door de politieke situatie. En niemand bleek meer naar Burma te verschepen. Heb ik toch gedaan. En het werd keurig betaald. Een paar maanden later belde de ambassadeur, kreeg ik als eerste weer een visum voor Burma.”

“In Rangoon werd ik afgehaald door een militair in een zwarte limousine; twee motorfietsen ervoor, twee motorfietsen erachter. De minister bleek mij te willen bedanken voor het vertrouwen dat ik in het Burmese volk had gesteld. Twee jaar later vroegen ze of ik consul wilde worden. Ik ben de eerste honorair consul in de historie van Burma. Waarom precies weet ik niet. Ik was wel trots; iedereen is ijdel, ook ik een beetje.”

“Het verhaal van die spoorweg is heel vervelend. Je stelt je voor als Consul van Burma en dan is het 'Oh, die spoorweg”'

“Je bent niet involved in politiek, en dat wordt ook niet van je verwacht. Het welzijn van de mensen in je jurisdictie, het promoten van het land in al zijn vormen, daar gaat het om. De nadruk ligt bij mij op de gezinnen, hoewel dat initiatief eigenlijk van mijn vrouw is uitgegaan. In mijn jurisdictie - Nederland - ken ik er tien, daarmee is de band héél intens. Veel bellen, veel vragen. De Burmezen zien je als hun vader. Voor een Burmees is ook het respect voor het gezag heel belangrijk, je bent tenslotte benoemd door het gouvernement; dat is dat Aziatische nog. Iedere Kerst hebben we thuis een borrel, iedereen is razend enthousiast en binnen vijf minuten zitten wij met ons tweetjes, want iedereen klapt in zijn eigen taal waar we niets van begrijpen. Ontzettend leuk.”

“Als ik iets doe, dan doe ik iets goed. Dat is mijn karakter. Dat maakt dit zo'n ideale positie. Je bent met mensen bezig die soms in problemen zitten, of soms heel blij zijn. Dan wordt er weer een kind geboren en hobbel ik er weer naar toe. Je hoort erbij. Ik stel hoge waarde aan een persoonlijke band.”

“Op een gegeven moment belde Vluchtelingenwerk in Amsterdam, dat er twee Burmezen waren in een of ander hotel. Ik daar naar toe: ze waren de personificatie van tristesse, doodnerveus, ze tuurden alleen maar naar hun schoenen. Ik adviseerde ze: ga toch terug naar Burma. Natuurlijk is er daar wat met ze gebeurd, maar als je dan hoort hoe ze hier gekomen zijn, ze zijn gewoon overgeleverd aan gangsters. Ik heb ze een middag meegenomen en schoenen en jassen voor ze gekocht. En een hamburger, want dat wilden ze zo graag. Ik zei: kijk nou naar buiten, naar dat weer, ga nou toch terug. Maar zo'n mevrouw van Vluchtelingenwerk stond op, sloeg met haar vuist op tafel en zei: 'Iedereen heeft het recht om in Nederland asiel te vragen'. Zij was op dat moment kennelijk iets meer dan ik. De twee Burmezen zijn gebleven: één heeft zelfmoord gepleegd en de ander is verdwenen. Dat vind ik vreselijk. Zo heb ik het nog een paar keer meegemaakt. Zo'n menselijk drama.”

“Ik ben low profile begonnen, want Burma zit tenslotte vaak in een verdomhoekje. Ik ben eerst begonnen te praten met organisaties als Amnesty International, het Burma-centrum, het Wereld Natuur Fonds. Zodat er begrip komt en we elkaars standpunten kunnen respecteren. Dat is niet altijd makkelijk, want ze hebben een heel eenzijdige kennis - one-track minds soms, jawel jawel. Maar daar heb ik ook veel van geleerd. Ik heb, denk ik, wel wat dialogen losgemaakt, en voor wat andere denkpatronen gezorgd.”

“Burma en politiek, dat gaat altijd samen. Wat dat betreft is er een duidelijk probleem: die constante dreiging van een boycot die Burma boven het hoofd hangt. Maar de Burmees is sterk, die boycot deert ze niet. Ze krijgen van niemand hulp en dat willen ze ook niet als er voorwaarden aanzitten. Ik denk dat we dat niet willen begrijpen, wij vinden dat ze door de bocht moeten. Myanmar heeft wat dat betreft nogal een opponent aan meneer Pronk. Je moet blijven praten, het nooit op een boycot laten aankomen.”

“Dat is helemaal geen politiek, het zit in het karakter van de Burmees. Laatst zei een Burmese schrijver tegen mij: 'Jullie Nederlanders hebben zoveel handel gedreven, zoveel opgebouwd met die grote vierkante handen van jullie. En wat zie ik nu: die hand gebruik je niet meer, alleen maar die wijsvinger. Stop daar nou eens mee.' Daar had hij groot gelijk in.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden