Gustave Flaubert zag Egypte met gekwelde gevoelens

De reis die de Franse schrijver Gustave Flaubert en zijn vriend en fotograaf Maxime Du Camp in 1849 en 1850 naar landen van de Antieke beschaving ondernamen, is altijd met mythes omgeven. Gaandeweg is het verhaal zo spannend geworden, dat je welhaast moet denken dat hier de half doorzichtige sluier die altijd over de Oriënt wordt gehangen, is opgelicht. Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden corrigeert het beeld enigszins door Flaubert op de voet door het Egyptische land te volgen. Voor de vele Flaubert-fans zal dat een ontluisterende uitwerking hebben.

Echt leuk moet Flaubert de langdurige reis niet hebben gevonden. Daarvoor was de reis te weinig afwisselend, sloeg de verveling bij de zoveelste steenmassa al snel toe en kwelden ziekten en het gebrek aan comfort hem voortdurend. Na een bezoek aan Balyana noteert hij op 1 juni 1850 een klaagzang die zijn weerga niet heeft: „Balyana, waarvan ik niet meer zie dan wat palmen. Nog uitgeput van de koorts, die het gevolg was van de tocht naar Koeseïr, haak ik voor Abydos af. Bovendien krijg ik, eerlijk gezegd, wel stilaan genoeg van de tempels. Vooral mijn ezel, dat onhandelbare beest waarop ik maar wat zit te hossebossen, heeft veel aandeel aan het feit dat ik besluit terug te keren naar de boot, waar ik de rest van de dag slapend doorbreng”. En in Philae was hij kort daarvoor helemaal stuurs geworden: „Ik zet geen voet van het eiland, ik verveel me. Wat is dat toch, mijn god, dat voortdurende gevoel van neerslachtigheid dat ik met me meesleep! Zelfs op reis vergezelt het me!”, aldus zijn dagboeknotities.

Dat dagboek is de enige neerslag van de acht maanden durende reis die Flaubert en fotograaf Maxime du Camp in 1849 en 1850 naar Egypte ondernamen. De complete reis was nog veel langer. Na Egypte reisde het duo eerst nog naar de Libanon, het Heilig Land en Syrië, om via Italië naar Frankrijk terug te keren.

Bij zoveel reiservaring vraag je je af wat dat daadwerkelijk in Flauberts oeuvre heeft nagelaten. Dat is niet veel. Eerst was er al de vage aanleiding waarom Flaubert de trip wilde ondernemen. Anders dan zijn tijd- en landgenoten die al sinds een eeuw of wat op Grand Tour naar het zuiden gingen waar ze naar sporen van de Antieke beschaving zochten, wilde Flaubert in 1849 vooral weg van huis en vriendenkring. Achtentwintig was hij toen hij aanhoudende kritiek van zijn beste vrienden op zijn boeken niet langer wilde weerleggen.

Toevalligerwijs lag er een verzoek van zijn vriend en fotograaf Maxime du Camp om hem te vergezellen op een reis naar de Egyptische monumenten. Du Camp betoonde op de reis een niet nalatende ijver om werkelijk alles uit de faraonische periodes vast te leggen. Gelukkig maar dat hij zo nauwgezet werkte, want veel van wat hij destijds heeft vastgelegd, is sindsdien verdwenen.

Omdat Du Camp gebruikmaakte van calotypes (een techniek die rond 1850 stilaan was achterhaald door de komst van de albumen prints) waarbij lange belichtingstijden noodzakelijk waren, was het fotograferen voor hem en zijn kompaan een tijdvergende bezigheid. Maar je kunt ook denken dat Flaubert genoeg gelegenheid had om de monumenten te bestuderen en te documenteren voor zijn boeken. Voorlopig gebeurde dat nauwelijks: ’Madame Bovary’ dat nog in hetzelfde jaar van zijn wederkomst in Frankrijk in druk verscheen, heeft weinig met een oriëntaalse sfeer te maken.

Dat hij toch wel wat voor archeologie voelde, bewijst het feit dat hij in 1858 afreisde naar Carthago in Tunesië.

Wat hij daar zag, zou als basis dienen voor de gelijknamige roman waaraan hij nog vier jaar zou werken tot die in 1862 zou verschijnen. Maar het dromerige beeld van de Oriënt dat Flaubert in Frankrijk voor zichzelf had gecreëerd, dat was toen al lang verdampt. De belangstelling voor het Nabije Oosten met zijn vele verhalen die in de sprookjes van duizend-en-een-nacht zo beeldend worden opgevoerd, is in feite alleen terug te vinden in ’Salammbô’ dat in 1862 verscheen, twaalf jaar na de Egyptische trip en vier jaar na het bezoek aan de laagdrempelige resten van de oude stad Carthago.

Behalve dat Du Camp zoveel mogelijk historische sites fotografeerde, liet hij zich ook niet onbetuigd als het aankwam op het aanschaffen van een mooi reissouvenir. Bij het zien van een authentieke mummie hakte het tweetal snel de handen af om die vervolgens weer het land uit te smokkelen. Ook beelden, portretten en andere oud-Egyptische voorwerpen verdwenen in de passagierskisten van Du Camp en Flaubert. Het RMO, dat een groot aantal calotypes van Du Camp bezit, vult de tentoonstelling aan met maar liefst honderd oudheidkundige objecten die rechtstreeks aan de Egyptische reis gerelateerd worden. Zo kort voor de jaarwisseling is dit in één slag een van de belangrijkste tentoonstellingen over de Antieke wereld in 2009 geworden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden