Review

GUSTAVE FLAUBERT EN GEORGE SAND, 'WIJ MOETEN HUILEN EN LACHEN'Geen spontane jongen, uw vriend, nee, helemaal niet!'

Gustave Flaubert en George Sand, 'Wij moeten lachen en huilen', Brieven, vertaald en ingeleid door Edu Borger, PriveDomein nr 182, uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam 1992, 566 blz. - f 62,50.

'Wij moeten lachen en huilen' heet de onlangs in het Nederlands vertaalde briefwisseling tussen George Sand en Gustave Flaubert. De titel is afkomstig uit een van de eerste brieven van Flaubert, toen hij nog niet zo verbitterd was: "Grote Naturen - die de Goede zijn - zijn in de eerste plaats kwistig en niet al te zuinig met het inzetten van zichzelf. Wij moeten lachen en huilen, beminnen, werken, genieten en lijden, kortom van top tot teen zo veel mogelijk vibreren. Dat is, geloof ik, het meest menselijke."

De titel dekt de inhoud onvolledig, maar dat hindert niet. Belangrijker is dat de meer dan vierhonderd brieven die Flaubert en de achttien jaar oudere Sand aan elkaar schreven nu ook toegankelijk zijn voor mensen die geen Frans lezen. Want het is een traktatie om hun inspirerende en rijke briefwisseling te lezen die werkelijk over alles gaat: over politiek, het familieleven, de Commune van 1870, de menselijke domheid, maar bovenal over vriendschap en literatuur.

Dat George Sand en Flaubert met elkaar bevriend raakten, is op zich al verbazingwekkend. Een groter verschil tussen deze twee schrijvers is niet denkbaar. Flaubert had net 'Salammbo' gepubliceerd, zijn tweede roman na 'Madame Bovary', waaraan hij jaren had gewerkt, pijnlijk op zoek naar het juiste woord.

George Sand daarentegen schreef moeiteloos de ene roman na de andere. Een 'pisseuse d'encre' werd ze spottend genoemd, een 'pissende inktpot', de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche noemde haar 'een schrijfkoe'.

Tot haar verdediging moet gezegd worden dat George Sand met haar werkzaamheden een hele familie moest onderhouden, anders dan Flaubert. Die leefde van een klein kapitaal, hem nagelaten door zijn vader, geneesheer-directeur van een ziekenhuis in Rouaan.

George Sand, ooit de minnares van de Poolse componist Frederic Chopin en van de breekbare dichter Alfred de Musset, was zelf ook verbaasd over haar vriendschap met Flaubert. "Wij zijn, geloof ik, de twee meest verschillende werkers ter wereld. Maar omdat we zoveel van elkaar houden, gaat alles goed" , noteerde ze monter in een brief aan Flaubert.

De schrijver uit Croisset, een dorpje vlakbij Rouaan, was al evenzeer gesteld op zijn collega uit het meer zuidelijke gelegen Nohant:

"Ik vraag mij af waarom ik van u houd. Komt het omdat u een groot man bent of een betoverend wezen? Ik weet het niet. Het is in ieder geval zeker dat ik u voor u een bijzondere genegenheid koester die ik niet kan definieren."

De briefwisseling begon in 1863, met een epistel van Sand aan Flaubert. Zij had welwillend over 'Salammbo' geschreven, omdat ze de vele negatieve kritieken onterecht vond. "U moet mij niet dankbaar zijn omdat ik mijn plicht vervuld heb" , schreef ze aan Flaubert. In diezelfde brief nodigde ze hem uit voor een bezoek aan Nohant:

"Komt u mij eens opzoeken wanneer u tijd heeft. Het is niet ver weg, ik ben er altijd, maar ik ben oud, wacht niet tot ik kinds geworden ben."

Het zou tot Kerstmis 1869 duren voor Flaubert voor het eerst gehoor gaf aan haar uitnodiging.

Vanaf 1866 werd de briefwisseling frequenter. Dat had te maken met de diners in Magny, het Parijse restaurant waar schrijvers en geleerden elkaar eens per maand ontmoetten, waarvoor George Sand als eerste en enige vrouw werd uitgenodigd. De gebroeders Edmond en Jules de Goncourt schreven op 12 februari 1866 over haar eerste diner in Magny in hun dagboek:

"Ze bekeek het gezelschap met een verlegen blik en fluisterde Flaubert in het oor: U bent hier de enige tegenover wie ik me helemaal op mijn gemak voel. (. . .) Ze heeft kleine, bijzonder fijne handjes, die bijna helemaal schuilgaan in mouwen van kant."

Hoewel de toon in hun brieven al snel vriendschappelijker en zelfs intiemer werd, bleef er toch een soort afstand tussen hen bestaan, mogelijk het gevolg van hun verschil in leeftijd. George Sand tutoyeerde Flaubert na enkele jaren, maar Flaubert sprak haar consequent met 'u' aan, hoewel hij bijzonder op haar gesteld was:

"Afgezien van u en Toergenjew ken ik geen sterveling bij wie ik mijn hart kan uitstorten over dingen die me het diepst raken, en u woont allebei ver van mij vandaan!"

Een regelmatig terugkerend thema in hun brieven is het verschil in werkwijze: de moeizame ploeteraar tegenover de veelschrijver. "U weet niet wat het is" , schreef Flaubert aan zijn collega, "om een hele dag met je hoofd in beide handen je arme hoofd te pijnigen om een woord te vinden. Bij u stroomt de idee breed en ononderbroken als een rivier. Bij mij is het een dun waterstroompje, ik moet grote kunstgrepen verrichten om een waterval te verkrijgen."

George Sand begreep inderdaad niet waar Flaubert het over had. Zelf schreef ze elke nacht van twaalf tot vier en nog eens twee uur overdag. (Van de dichter Theophile Gautier is de mooie anekdote afkomstig dat George Sand eens om een uur 's nachts een roman had voltooid, en onmiddellijk aan de volgende begon: "Schrijven is voor haar een natuurlijke behoefte." ) Voorzichtig vroeg ze aan Flaubert of er achter al dat geklaag niet een flinke dosis koketterie schuilging: "Wat u schrijft lijkt zo makkelijk, zo overvloedig, het is een eeuwig teveel. Ik begrijp niets van uw angst."

Flaubert antwoordde per kerende post:

"Het verbaast me absoluut niet dat u niets van mijn literaire angsten begrijpt! Ik begrijp er zelf niets van. Maar toch bestaan ze, die angsten, en ze zijn hevig ook. Ik weet niet meer hoe je het moet aanleggen om te schrijven en na eindeloos proberen lukt het me een honderdste van mijn ideeen uit te drukken. Geen spontane jongen, uw vriend, nee, helemaal niet! Ik worstel nu bijvoorbeeld al twee hele dagen met een alinea zonder eruit te komen. Soms moet ik er bijna van huilen! U zult wel medelijden met me krijgen! En ik zelf niet minder!"

Flaubert werkte aan 'Leerschool der Liefde', een roman over de bourgeoisie, een onderwerp dat hem langzamerhand de keel uit kwam: "De roman zal pas over twee jaar af zijn! En dan zeg ik de burgerlui voor immer vaarwel!. Niets is zo uitputtend dan het spitwerk in de menselijke domheid."

Twee dagen voor 'Leerschool der Liefde' in 1869 verscheen, waarschuwde George Sand haar vriend voor de kritiek: "Je zult geprezen en gekraakt worden. Je hebt te veel werkelijke superioriteit om geen schele ogen te maken en het zal je een zorg zijn, nietwaar?"

George Sand had het goed gezien: de critici begrepen inderdaad weinig van Flauberts roman. "Uw oude troubadour wordt flink afgekraakt door de Bladen" , berichtte Flaubert. "Het laat me volstrekt koud! Wat niet wegneemt dat ik verbaasd ben over zoveel haat."

In dezelfde brief vroeg hij haar om een positieve kritiek te schrijven, als tegenwicht tegenover al dat verbale geweld ( "Als u het vervelend vindt, doe het dan niet. Geen beleefdheden onder ons." ) aan welk verzoek ze meteen voldeed:

"Ik heb de nadruk op de grote lijn van je boek gelegd. Die wordt het minst goed begrepen en dat is de sterkste kant ervan."

Flaubert bedankte haar uitbundig:

"Wat een goede vrouw bent u, en wat een dappere kerel. Afgezien van de rest."

Volstrekt loyaal, maar niet zonder kritiek stond George Sand ten opzichte van Flaubert, ook op terreinen buiten de literatuur en het toneel. Als een moeder maakte ze zich zorgen over zijn gezondheid, hij bewoog te weinig. Toen hij haar eens schreef dat hij haar raad had opgevolgd en aan lichaamsbeweging had gedaan, om elf uur 's avonds in de vrieskoude, foeterde ze hem uit:

"En jij, lieve, jij wandelt 's nachts door de sneeuw. Dat is nu zelfs voor een uitzonderlijk uitstapje tamelijk waanzinnig en zou jou ook ziek kunnen maken. Niet de maan, maar de zon heb ik je aangeraden, we zijn geen uilen, verdorie."

Ook vond ze dat Flaubert teveel van de literatuur hield, en te weinig om het leven gaf. Vooral zijn steeds heftiger wordende aanvallen op de domme burgerij ( "Maar ik, ik stik op sommige dagen van woede! Ik zou mijn tijdgenoten in het Privaat willen verzuipen!" ) verontrustten haar:

"Ik zou je, op de leeftijd die je nu hebt, minder gerriteerd en minder in beslag genomen door de domheid van anderen willen zien. In mijn ogen is het verloren tijd, net als het tekeergaan tegen de last die regen en vliegen je bezorgen."

In 1873 logeerden Flaubert en Toergenjew tijdens de Paasdagen in Nohant, temidden van de uitgebreide familie van George Sand. Zoals altijd verzorgde Maurice, de zoon van George Sand, een voorstelling met marionetten in het huistheater. Later op de avond werd er gedanst en gezongen, ook door George Sand, dan al bijna zeventig. Zelfs Flaubert moest er aan geloven. "Flaubert trekt een rok aan en beproeft de fandango" , schreef George Sand op 13 april in haar dagboek. "Hij is erg grappig, maar krijgt het na vijf minuten benauwd. Hij is een stuk ouder dan ik. Toch vind ik dat hij er minder dik en vermoeid uitziet. Nog steeds een te levendig brein, tot schade van het lichaam."

Maar George Sand had ook kritiek op Flaubert. "Hij praat aan een stuk door en het kost Toergenjew, die veel interessanter is, moeite er een woord tussen te krijgen. Vanavond een woordenstroom die tot een uur duurt."

Toen het illustere tweetal vertrokken was, noteerde ze opgelucht:

"Ik ben moe, ik heb spierpijn van mijn dierbare Flaubert. Toch houd ik heel veel van hem en hij is voortreffelijk, maar hij heeft een te uitbundige persoonlijkheid. Hij radbraakt ons."

In 1876, haar sterfjaar, voerden Flaubert en Sand per brief hun ultieme discussie over het wezen van de literatuur. George Sand, die in Flaubert haar meerdere erkende ( "Ik heb mijn ambitie nooit zo hoog gesteld als jij" ) verweet Flaubert dat hij in zijn romans teveel aan de oppervlakte bleef. Door teveel naar de vorm te zoeken, verwaarloosde hij de inhoud, en deed hij de werkelijkheid tekort. Ook vond ze dat Flaubert zich op moreel gebied te weinig uitsprak. Als schrijver moest hij veel nadrukkelijker aanwezig zijn in zijn romans.

Flaubert was het, vanzelfsprekend, niet met haar eens:

"Wat mijn gebrek aan overtuigingen betreft, helaas! ik stik van de overtuigingen. Ik barst van de ingehouden woede en verontwaardiging. Maar met mijn ideaal van de Kunst geloof ik dat je die niet moet laten blijken en dat de Kunstenaar in zijn werk even onzichtbaar moet zijn als God in de natuur. De mens is niets, het werk is alles." Ook bestreed hij haar mening dat hij teveel in de vorm bleef steken, wel dat hij een teveel aan assonanties en herhalingen vermeed. "Mijn doel is goed schrijven, daar maak ik geen geheim van."

Maar Sand bleef op haar standpunt staan:

"Jij bent alleen nog maar op zoek naar de goed geschreven zin, dat is ietsalleen maar iets - het is niet de hele kunst, het is er niet eens de helft van, hoogstens een kwart, en wanneer die drie andere kwarten mooi zijn, kun je heel goed zonder het kwart dat het niet is." Flaubert was niet overtuigd en sloot de discussie: "Ten slotte geloof ik dat vorm en inhoud twee spitsvondigheden zijn, twee entiteiten die niet onafhankelijk van elkaar kunnen bestaan."

Enkel om George Sand een plezier te doen schreef Flaubert daarna 'Een simpele ziel'.

De novelle gaat over de oude dienstmaagd Felicite, die een wat eenzelvig bestaan leidt in een provinciestadje. Op een dag wordt ze doof, ze hoort alleen nog de kreten van haar sprekende papegaai, die ze laat opzetten als het dier overlijdt. Op haar doodsbed ziet ze de opgezette papegaai aan voor de Heilige Geest. 'Een simpele ziel' is een prachtig verhaal, met veel warmte en invoelingsvermogen geschreven. Zoals van Madame Bovary, zou je ook van Felicite kunnen zeggen dat zij Flaubert zelf is.

In zijn laatste brief aan George Sand, gedateerd op 29 mei 1876, schreef Flaubert:

"U zult door mijn 'Geschiedenis van een simpele ziel' waarin u uw directe invloed zult herkennen, zien dat ik niet zo koppig ben als u denkt. Ik geloof dat de morele strekking of liever gezegd de menselijke achtergrond van dit werkje u zal bevallen!."

George Sand heeft de novelle niet meer kunnen lezen. Ze stierf op 8 juni, 's morgens om negen uur. Haar dochter Solange had de hele nacht bij haar gewaakt. Om zes uur 's morgens vroeg George Sand aan Solange om haar bed zo te verschuiven dat ze het eerste zonlicht kon zien. Terwijl ze afscheid nam van haar kleindochters verloor ze het bewustzijn en stierf.

Gustave Flaubert heeft zijn vriendin nog vier jaar overleefd. Hij overleed op 8 mei 1880, 58 jaar oud, aan een hersenbloeding. In zijn geboortehuis in Rouaan is nog altijd de opgezette papegaai te zien, die zo'n doorslaggevende rol speelde in 'Een eenvoudige ziel'. Maar ook in het vroegere tuinhuis van Croisset, nu ingericht als museum, valt een opgezette papegaai te bewonderen. Zowel de gids van het museum als de beheerder van het tuinhuis beweren dat 'hun' papegaai de enige echte is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden