Gustav Meyrink vond wat hij zocht: geluk

Portret van Gustav Meyrink (Carl Wittek, 1919), te zien op de tentoonstelling in Amsterdam. (BEELD STADTARCHIV, STARNBERG)

In de Praagse cafés viel ’dandy’ Gustav Meyrink begin vorige eeuw op als fantastische verhalenverteller. Met de roman ’Der Golem’ werd hij in 1915 op slag beroemd. De Bibliotheca Philosophica Hermetica in Amsterdam wijdt een expositie aan de schrijver.

Dankzij de aankoop van een grote privécollectie in 2005 beheert de Bibliotheca Philosophica Hermetica (BPH) in Amsterdam een van de belangrijkste Gustav Meyrink-verzamelingen. Een goede aanleiding, vond de BPH, om nu ook een breder publiek kennis te laten maken met deze kleurrijke ’magisch-suggestieve’ verhalenverteller uit het begin van de vorige eeuw.

Gustav Meyrink (1868-1932) werd in Wenen geboren als de onwettige zoon van een Duitse minister, Karl Freiherr von Varnbüler, en de succesvolle Duitse actrice Marie Meyer. Zij voedde haar zoon alleen op, in de steden waar ze optrad: Praag, München en Hamburg. Meyrink brengt het grootste deel van zijn leven door in Praag, waar hij in 1888 de bank Meyer und Morgenstern sticht.

Occultisme, en in het bijzonder de moderne theosofie en antroposofie, beleefden rond de vorige eeuwwisseling een bloeiperiode. Ook Meyrink was gefascineerd door het occulte en mystieke. Naar eigen zeggen staakte hij in 1890 een poging tot zelfmoord en borg hij het pistool weer op, nadat er toevallig op dat cruciale moment een brochure over occulte literatuur onder zijn deur was doorgeschoven. Vanaf dat moment verdiepte hij zich in onder meer alchemie, spiritisme, yoga en de werken van de theosofe Helena Blavatsky. Ook experimenteert hij met drugs. In 1891 richt hij in Praag de theosofische loge Zum blauen Stern op, waar hij met gelijkgestemden esoterische literatuur bespreekt.

Het moet een opvallende figuur zijn geweest, deze wat snobistische individualist met zijn dandyachtige voorkomen. Hij had veel contacten in kunstenaars- en schrijverskringen en onder theosofen en yogabeoefenaars. In de Praagse cafés ontmoet hij de Kafka-biograaf Max Brod, de ’ongekroonde koning van de Praagse Bohème’ Paul Lepping en andere fantastische verhalenvertellers. Zelf valt Meyrink ook op als boeiend verteller van spannende, occulte en fantastische verhalen die zich afspelen in de sfeer van het Praag uit die tijd. Brod leent occulte werken uit zijn bibliotheek en werd aanvankelijk ook door Meyrinks stijl beïnvloed. Hij vertelt Kafka enthousiast over Meyrink, maar Kafka is niet onder de indruk.

De schrijver Oskar Schmitz zet Meyrink aan de verhalen op te schrijven. Het handschrift van zijn eerste poging, ’Tiefseefische’ (1897), is te zien op de tentoonstelling in Amsterdam. Over dit psychologiserende, wat abstracte verhaal was hijzelf niet echt tevreden. Daarom is het tijdens zijn leven nooit gepubliceerd.

Zijn eerste verhalen worden gepubliceerd in Simplicissimus, een tijdschrift voor cultuur, literatuur en satire, waarin de kerk, het militaire apparaat, de keizer en het Pruisendom onderuit werden gehaald. Hij schrijft er veel verhalen voor, ook in de Eerste Wereldoorlog. Door conservatieve critici werd Meyrink van anti-nationalisme beticht. „Dat was overigens ten onrechte”, zegt Theodor Harmsen, die de tentoonstelling in de BPH heeft ingericht en het onderzoekswerk ervoor verrichtte.

Op verdenking van fraude bij zijn eigen bank kwam Meyrink in 1902 drie maanden in de gevangenis terecht. Vermoedelijk heeft zijn buitengewone belangstelling voor occultisme een rol gespeeld bij de verdachtmakingen. „Men dacht”, zegt Harmsen, „dat hij misschien zwarte kunst of occultisme gebruikte voor zijn bankzaken.” Er werden echter geen belastende zaken gevonden en hij werd gerehabiliteerd, maar met zijn bank kwam het niet meer goed. Na dit debacle voelt hij zich gedwongen Praag te verlaten. Hij verandert dan ook zijn naam in Meyrink, want Meyers lopen er al genoeg rond.

Hij vestigt zich in 1904 in Wenen, waar hij redacteur wordt van het tijdschrift Der liebe Augustin. Ook hier krijgt hij contact met schrijvers en kunstenaars, onder andere met jugendstil-kunstenaars van de Wiener Werkstütten, die ook illustraties verzorgen voor het tijdschrift. In datzelfde jaar begint hij aan de roman ’De Golem’.

Harmsen: „Als de roman uiteindelijk in 1915 uitkomt, wordt het een bestseller en is Meyrink in één klap wereldberoemd.” ’De Golem’ is de bekendste bovennatuurlijke roman in de moderne Europese literatuur: een meeslepend verhaal over mystieke ervaringen en vreemde transformaties, dat zich afspeelt in het Joodse getto van Praag.

Volgens Andreas Burnier, in het essay ’Gustav Meyrink, bewoner van twee werelden’ (1997), ligt de aantrekkingskracht van ’De Golem’ in de geheimen die erin ter sprake komen: de geheimen van het Joodse getto in Praag en de geheimen van het menselijke bestaan, van de relatie tussen dromen en waken, tussen werkelijkheid en afbeelding of afspiegeling. „De wereld is bij Meyrink een raadsel dat slechts kan worden opgelost langs de weg van geduldige ontsluiering van het geheim. De waarheid ligt daar waar je haar niet verwacht.”

In het essay ’De fantastische literatuur van Gustav Meyrink’ (1997) noemt Marianne Wünsch hem een meester in het spiegelen en transformeren van wat de realiteit lijkt te zijn. Volgens haar wil Meyrink daarmee bereiken dat het individu het tijd-ruimte-systeem overwint om zijn identiteit te verkrijgen en autonoom te worden.

Tot Meyrinks dood in 1932 worden er van ’De Golem’ 200.000 exemplaren verkocht. Een ongekend aantal voor die tijd. Alleen Heinrich Mann was in die tijd even succesvol. Van de winst heeft Meyrink echter niet kunnen meegenieten: zijn Duitse uitgever had hem één bedrag als honorarium gegeven.

Van zijn tweede roman, ’Het groene gezicht’ (1916), worden er 70.000 verkocht. Hiermee heeft hij volgens Harmsen wel iets meer verdiend. ’Walpurgisnacht’ (1917), ’De witte dominicaan’ (1921) en ’De engel van het westelijk venster’ (1927) verkopen nauwelijks meer.

„In al zijn sterk esoterisch getinte romans ontgint Meyrink een bepaald terrein”, vertelt Harmsen. „In ’De Golem’ is dat de kabbala (mystieke joodse leer, red.), in ’Het groene gezicht’ het spiritualisme van het zeventiende-eeuws Amsterdam, in ’De witte dominicaan’ het taoïsme. Zijn werk is te typeren als fantastische literatuur, waarin romantiek, idealisme, magie en spirituele belevenissen een rol spelen. Fantastische literatuur en kunst waren begin vorige eeuw populair. Meyrink wordt vaak geassocieerd met klassieke schrijvers uit dit genre als E.T.A. Hoffmann en Edgar Allen Poe.”

In ’Het groene gezicht’ spelen ook historische Amsterdamse figuren een rol. Bijvoorbeeld de mystica Antoinette de Bourignon en de bioloog Jan Swammerdam, een van haar volgelingen die met haar correspondeerde over zijn spirituele ervaringen. In werkelijkheid was de bioloog, entomoloog en anatoom Swammerdam gespecialiseerd in het ontleden van insekten; zijn naamgenoot in het boek is vlinderverzamelaar.

Geschreven middenin de Eerste Wereldoorlog, situeert Meyrink ’Het groene gezicht’ in het naoorlogse, tumultueuze Amsterdam. Het werk eindigt apocalyptisch met de verwoesting van de stad door een allesvernietigende storm. Op de expositie hangen de illustraties die Fritz Schwimbeck voor de roman maakte. Op een daarvan staat een in brand gevlogen Sint-Nicolaaskerk afgebeeld. Het aardigste voorwerp op de tentoonstelling is wel het notitieboekje waarmee Meyrink door Amsterdam wandelde en waarin hij met potlood opschreef wat hij zoal om zich heen hoorde: ’Stick, verreck, fal dod, chot verdomi, aschübliw’.

In zijn spirituele zoektocht onderzocht Meyrink allerlei stromingen. Hij was daar volgens Harmsen tegelijkertijd vaak kritisch over. „Hij gaf bijvoorbeeld af op spiritisme en astrologie. Iets moet uit jezelf komen, vond hij, je moet jezelf vinden, de spirituele werkelijkheid ligt in jezelf. Toch bezocht hij in de jaren twintig wel spiritistische seances bij de parapsycholoog Schrenk-Notzing. Thomas Mann was daar ook. Hij verwerkte die ervaringen in ’De Toverberg’. Je moet hierbij niet vergeten dat in de jaren twintig de literaire en de occulte en esoterische wereld dicht bij elkaar lagen.”

Meyrink trouwde twee keer, een ongelukkig eerste en een gelukkig tweede huwelijk, waaruit een dochter en een zoon werden geboren. Christelijk opgevoed, bekeert hij zich in 1927 tot het boeddhisme, waarvoor de belangstelling onder theosofen heel groot was. Ook Hermann Hesse, die Meyrinks werk met waardering beschreef en hem altijd is blijven volgen, voelde zich tot het boeddhisme aangetrokken. Maar de figuur van Christus, en de ’Christuskracht’ blijven Meyrink bezighouden. In een van zijn notitieboeken schrijft hij: ’Wij moeten niet Christus navolgen, maar hem van het kruis halen’. Een geliefd motto van Meyrink, dat hij vaak op briefkaarten aan vrienden zette, was de spreuk ’Summa scientia: nihil scire’ (het hoogste weten is niets te weten).

Politiek was Meyrink volgens Harmsen nauwelijks geëngageerd. „Hij was tegen het socialisme en ook anti-Pruisisch. Een duidelijke politieke kleur had hij niet, maar hij had voornamelijk contacten met links georiënteerde mensen.”

Behalve schrijver was Meyrink ook vertaler, onder andere van het verzamelde werk van Dickens en Rudyard Kipling. Ook schreef hij filmscripts. Tijdens zijn leven verschenen er drie versies van de film ’De Golem’. Die werden steeds weer in verband gebracht met zijn gelijknamige roman, maar hadden daarmee naar Meyrinks eigen zeggen niets te maken.

Gustav Meyrink had (brief-)contacten met vele grootheden van zijn tijd, zoals Martin Buber, Hermann Hesse, Alfred Kubin, Arthur Schnitzler en Stefan Zweig. Met Buber wisselde hij vooral van gedachten over mystiek. Zijn correspondentie met de joodse godsdienstfilosoof bevindt zich in de Jewish National and University Library in Jeruzalem. Meyrink schreef Buber op 29 oktober 1909 in een brief onder meer dat hij diens ’Die Legende des Baalschem’ het beste boek vond ’das überhaupt je geschrieben wurde’.

Met de theosofische wijsheidsleraar Bô Yin Râ, een kunstenaar en spiritueel zoeker die eigenlijk Joseph Anton Scheiderfranken heette, ontwikkelde Meyrink een warme vriendschap. Deze zelfde Bô Yin Râ was begin vorige eeuw de goeroe van prins Hendrik. Na Hendriks dood wendde ook koningin Wilhelmina zich tot ’De Meester’, zoals hij zich ook wel noemde.

Meyrinks zoon Harro raakt in 1932 door een skiongeval verlamd aan beide benen en maakt daarna een einde aan zijn leven. Enkele maanden later overlijdt Meyrink zelf ook. In een beroemd geworden brief aan zijn vriend, de uitgever Oldrich Neubert in Praag, beschrijft hij de dood van zijn zoon. Dit bijna niet te dragen verdriet brengt hem tot een van zijn diepste spirituele ervaringen: het bewustzijn van de eenheid van alles, voorbijgaand aan grenzen van leven en dood, waardoor er een oneindig geluk ontstaat. In de brief verbaast hij zich erover dat hij zich nu gelukkig voelt.

De romans van Gustav Meyrink worden in Nederland uitgegeven door de Rozekruis Pers.

(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden