Günter Grass / Het linkse geweten

Schrijver Günter Grass onthult in zijn vorige maand verschenen boek ’Beim hüuten der Zwiebel’ dat hij als zeventienjarige lid was van de Waffen-SS. Volgens velen valt daarmee een morele held van zijn voetstuk. Voor Jerker Spits doet de bekentenis van Grass geen afbreuk aan zijn literaire kwaliteiten. De affaire laat bovendien zien dat het publieke debat in Duitsland, anders dan in Nederland, op het scherpst van de snede wordt gevoerd. „In Nederland verzanden discussies nog voordat zij goed en wel begonnen zijn.”

De Duitse gemoederen komen maar niet tot bedaren. Vorige maand bekende Günter Grass dat hij in 1944 als zeventienjarige in dienst was geweest van de Waffen-SS. Op 12 augustus kondigde hij in de Frankfurter Allgemeine Zeitung aan dat hij deze pijnlijke bladzij uit zijn verleden zou openbaren in zijn nieuwe boek ’Beim hüuten der Zwiebel’ (’Bij het pellen van de ui’).

Schrijvers, critici en opinieleiders hebben Grass er sindsdien stevig van langs gegeven. Zijn biograaf Michael Jürgs sprak van het „einde van een morele instantie”. Der Spiegel omschreef Grass’ onthulling als de „late bekentenis van een morele apostel”. Had het morele boegbeeld niet eerder open kaart moeten spelen? Zou Grass de Nobelprijs hebben ontvangen, als hij rond voor zijn bezwaard verleden was uitgekomen? Waarom hoonde Grass in 1985 de opmerking van bondskanselier Kohl dat op het soldatenkerkhof te Bitburg ook onschuldige minderjarigen lagen? Was de schrijver zelf niet een van hen?

Deze vragen zijn begrijpelijk. Met zijn kritiek op de verdoezeling van het Duitse verleden verwierf Grass als publieke intellectueel de status van het geweten der natie. Als geen ander probeerde hij een stempel te drukken op het publieke debat, vooral als het ging om de omgang met het nationaal-socialistisch verleden. Het linkse geweten uit Lübeck versleet zijn ideologische vijanden graag voor halve nazi’s. De politieke uitspraken van de nu bijna tachtigjarige auteur liegen er niet om. „Hoe moeten wij de gefolterde en vermoorde verzetsstrijders, hoe moeten wij de doden van Auschwitz en Treblinka gedenken, wanneer zij, de meelopers van toen, het wagen, hier vandaag de richtlijnen van de politiek te bepalen?”, vroeg Grass toen Kurt Georg Kiesinger in 1966 het bondskanselierschap bekleedde. De christen-democraat Kiesinger was vanaf 1933 lid van de NSDAP geweest en had verschillende functies bij het ministerie van propaganda vervuld. In 1985, het jaar waarin Helmut Kohl met de Amerikaanse president Ronald Reagan de soldatenbegraafplaats te Bitburg bezocht, waar ook SS’ers begraven liggen, keerde Grass zich tegen „verklaringen van onschuld” voor deze mannen. Na de val van de Muur verklaarde Grass zich tegenstander van de Duitse eenheid. De Duitse deling was de straf op de zonde van Auschwitz. Daarom mocht Duitsland niet één land worden. Er was soms heel wat kennis van de Duitse zielenroerselen nodig om Grass’ waarschuwende stem te kunnen begrijpen.

Er lijkt al langer sprake van een kentering in Grass’ opvattingen over het Duitse verleden – een verschuiving die nauw samenhangt met veranderende opvattingen in de Duitse maatschappij.

In zijn voorlaatste novelle ’Im Krebsgang’ (’In krabbengang’, 2002) staan de Duitse lijdenservaringen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog centraal. Ook voor Grass was het niet langer taboe om over Duitsers als slachtoffers te spreken. De geëngageerde auteur leek zijn landgenoten niet langer aan te willen klagen, maar in bescherming te nemen. De nu bijna tachtigjarige Grass nam daarmee afscheid van zijn eigen rol als voortdurende bezweerder van een onbewust verdrongen of opzettelijk vergeten verleden, waarin de schuld van Duitsers centraal stond. Grass’ blik op de Duitse geschiedenis werd de afgelopen jaren minder eenkennig, al bleef hij anderen hun verdringen verwijten.

De affaire-Grass is niet vrij van tragiek. Zijn lange tijd eenkennige oordelen over goed en kwaad brachten een morele inquisitie tot stand die zich nu tegen zijn eigen persoon lijkt te keren. Grass is slachtoffer van de felle aanklachtcultuur die hij zelf als publiek intellectueel mede gestalte heeft gegeven. Juist door de radicale scheiding tussen ’goed’ en ’fout’ en de buitengewoon morele inslag van publieke figuren als Grass kwam een intellectuele conformiteit tot stand die een open discussie over het Duitse verleden hinderlijk in de weg stond. Tegenstanders van het morele appèl dat de trommelaar Grass uitdroeg, werden in de publieke arena hard aangepakt. Wie zich niet aan genormeerde, vaste formules voor de omschrijving van de Duitse schuld hield, kreeg niet zelden het verwijt geen lering uit het verleden te hebben getrokken.

Maar het laatste decennium lijkt er sprake van een voorzichtige normalisering. Er is meer aandacht voor de grijstinten, voor Duits slachtofferschap en ook voor het gevaar van verstarring dat uit een geritualiseerde vorm van gedenken voortkomt. Jongere generaties zijn op zoek gegaan naar hun eigen, minder gedwongen wijze van herinnering.

Dit leek de Duitse schrijver Martin Walser te voorvoelen toen hij zich in 1998 tegen de ’instrumentalisering van Auschwitz’ keerde. In zijn geruchtmakende Friedenspreisrede verzette Walser zich tegen het dwangmatige karakter van de Duitse herinneringscultuur en de naar zijn mening beschamende manier waarop het verleden voor huidige politieke doeleinden werd ingezet. Walser dacht hierbij vooral aan het bruin maken van de tegenstander in een publiek debat, het gebruik van Auschwitz als een ’morele knuppel’ om de vijand onschadelijk te maken. Je hoeft niet meer met je tegenstander in debat te gaan, als je hem verwijt geen rekenschap van het verleden te hebben gegeven. Als een van de voorbeelden voor deze „instrumentalisering van onze schande” kapittelde Walser zijn collega uit Lübeck. Walser was er de afgelopen maand dan ook als de kippen bij om te herinneren aan de verstarde vormen van gedenken die maakten dat Grass nu zelf van jager tot prooi was geworden.

Walsers poging het belang van het verleden te relativeren hangt samen met de zoektocht naar de eigen Duitse identiteit – een thema dat door het verloop van de Duitse geschiedenis in de twintigste eeuw een beladen, controversieel karakter heeft. Walser wilde door te relativeren een positieve identificatie van Duitsers met hun land mogelijk maken. Dit laatste is precies wat Grass als een groot gevaar voor Duitsland beschouwt. Grass is als verlicht, links-liberaal intellectueel een aanhanger van het grondwetpatriottisme van de filosoof Jürgen Habermas. Een positieve identificatie met de Grondwet achten Grass en Habermas, gezien het geweld dat van Duitsland is uitgegaan, de enige geoorloofde vorm van patriottisme. De burger kan zich als citoyen identificeren met moeizaam verworven burgerrechten die voor iedereen gelijk zijn.

Het laatste wereldkampioenschap voetbal toont aan hoe ver het morele rigorisme van Grass afstaat van de gewone Duitser. Het Verfassungspatriotismus lijkt een hulpeloze theoretische constructie. Bij Grass is er sprake van angst en een diepgewortelde onzekerheid in de omgang met de Duitse identiteit. De voetbalsupporter wil zijn eigen land toejuichen en heeft geen last van zijn geweten als hij met de Duitse vlag zwaait. Voorbij zijn de tijden waarop een minister met gerust hart kon zeggen dat hij zich ongemakkelijk voelde als bij een officiële ontvangst het Duitse volkslied werd gespeeld.

Het Verfassungspatriotismus heeft, zo lijkt het, zijn langste tijd gehad. De hereniging van 1990 plaatste het debat over de Duitse nationale identiteit hoog op de agenda. Duitsland werd in veel opzichten de centrale macht in Europa en dit noopte tot een andere omgang met het verleden. Duitsland moest weer nadenken over zijn plaats in de wereld en kon zich niet langer verschuilen achter zijn geschiedenis. Woorden als natie en zelfbewustzijn verloren hun bedenkelijke connotaties – tot afschuw van Grass. Het waren woorden die hem deden schuimbekken. En vermoedelijk doen ze dat nog.

Het kamp van Grass heeft in het publieke debat aan invloed verloren. Nu een van de boegbeelden als morele autoriteit vleugellam is, lijkt het verder in het defensief gedrongen. Dit maakt dat er in het Duitse publieke debat nog meer ruimte zal komen om voorheen onaangevochten overtuigingen ter discussie te stellen.

Flinterdunne scheidslijn

Heeft door de affaire rond het SS-verleden van de schrijver ook zijn literaire werk aan zeggingskracht ingeboet? Moeten zijn klassiekers nu anders gelezen worden? Is ook Grass’ literaire oeuvre bevlekt na diens val als moreel apostel? Op het eerste gezicht lijkt het moeizaam Grass’ engagement van zijn literaire werk te scheiden. Zijn boeken thematiseren het donkere verleden van Duitsland of spelen tegen deze achtergrond. Ook de werken van Grass die in het naoorlogse Duitsland spelen, zoals ’Im Krebsgang’, behandelen zware thema’s als vergeten en schuld. Het comité van de Nobelprijs voor Literatuur prees Grass voor zijn literaire inzet voor een open verwerking van het Duitse nationaal-socialistische verleden. „Hier nam hij de grote opgave op zich, de geschiedenis van zijn tijd te herzien doordat hij wat was verloochend en vergeten weer opriep: de slachtoffers, de verliezers en de leugens, die het volk vergeten wilde, omdat het er eens in geloofde.” De scheidslijn tussen de literaire auteur en de publieke intellectueel Grass lijkt flinterdun.

Tegenstanders zien hun kans dan ook schoon Grass als apologeet van politieke correctheid van zijn troon te stoten of, als hij al gevallen is, de oude trommelaar nog een trap na te geven. Maar een kunstwerk laat zich niet tot zijn morele boodschap reduceren. Daarnaast is er een groot verschil tussen de uitspraken van Grass als publieke intellectueel en de heel wat minder eenduidige manier waarop de schrijver zijn grootse thema’s behandelt. De bekentenis van Grass doet geen afbreuk aan de literaire kwaliteit van klassiekers als ’Die Blechtrommel’, ’Ein weites Feld’ en ’Im Krebsgang’. Er zijn mindere werken van Grass, die sneller vergeten zullen zijn. Maar ik zie niet in hoe Oskar Matzerath uit ’Die Blechtrommel’ plotseling op de vuilnisbelt van de literatuurgeschiedenis terecht zou komen, omdat zijn geestelijk vader op hoge leeftijd bekende lid van de SS te zijn geweest. De vertelkunst van ’Im Krebsgang’, de stilistische kwaliteit van ’Katz und Maus’ worden er niet minder om.

In ’Beim Hüuten der Zwiebel’ toont Grass andermaal zijn kwaliteiten als schrijver. De titel is een treffend beeld voor het afpellen van de geschiedenis. Naarmate je de ui van zijn schillen ontdoet, worden je ogen vochtiger. Het beeld van de geschiedenis wordt troebel. In zijn meanderende, barokke proza verhaalt Grass over de grutterswinkel van zijn ouders in Danzig, zijn heimelijke bioscoopbezoek, de benauwende omgeving van zijn ouderlijk huis en zijn rekrutering. Op het precieze waarom van zijn lidmaatschap van de SS geeft Grass in zijn autobiografie geen eenduidig antwoord. Grass vermengt verdichting en waarheid – een beproefd procédé bij autobiografisch schrijven, niet alleen in de Duitstalige literatuur. Grass speelt in zijn roman met de vorm van een biecht. Het boek is eerder de neerslag van een worsteling met de herinnering dan een nauwgezette beschrijving van het wat en waarom. Grass toont zich in de literaire reconstructie van zijn verleden even soeverein als in de timing van zijn geruchtmakende interview in de Frankfurter Allgemeine Zeitung.

Maar de affaire-Grass gaat om méér dan alleen de persoon van de schrijver. De discussie over het oorlogsverleden van de schrijver werpt een interessant licht op het cultuurpolitieke debat zoals dat in Duitsland gevoerd wordt. En dat is heel anders dan in Nederland. In felle discussies wordt bepaald welke plaats bepaalde aspecten van het verleden in het collectieve bewustzijn dienen in te nemen. Er is een boeiende gedachtewisseling over heden en verleden. In landelijke dagbladen verschijnen opinieartikelen van hoog niveau, die bijdragen aan een debat dat de culturele identiteit van de natie bepaalt.

Het culturele debat staat niet los van het politieke. Wat schrijvers en kunstenaars zeggen, houdt Duitsland bezig. Het gaat om meer dan kunst alleen. Over kunst, cultuur en moraal – en vooral ook over de samenhang tussen deze – wordt in Duitsland stevig gediscussieerd. Ze worden serieus genomen, omdat zij ertoe doen. In Nederland zou de discussie alweer snel terugkeren naar de hypotheekrenteaftrek of de AOW.

Ook burgers nemen aan het debat deel. Er verschijnen talloze ingezonden stukken van gewone lezers, van Grass-liefhebbers en Grass-haters, van politieke vijanden en vrienden. Ook bij de koffie of een goed glas bier vinden stevige discussies plaats. De affaire-Grass toont andermaal aan dat Duitsland uitblinkt in het voeren van gedegen debatten.

Je zou willen dat ook Nederland wat vaker op het scherpst van de snede debatteerde, met uitwisseling van krachtige argumenten. Dat, net als in Duitsland, een debat lang genoeg aanhield om tot de nodige verdieping en een gedegen uitwisseling van argumenten te komen. In Nederland verzanden discussies nog voordat zij goed en wel begonnen zijn. In Duitsland houdt een publiek debat het land wekenlang, soms maandenlang in de ban.

Met zijn bekentenis heeft Grass een nieuwe impuls gegeven aan de Duitse Streitkultur. De schriftelijke neerslag van deze intellectuele confrontatie zal, als het vuur van het debat gedoofd is, letterkundigen, historici en sociologen nog jaren bezighouden.

Voor dit oneindige karakter van het cultuurpolitieke debat over verleden en toekomst heeft Grass zelf in zijn novelle ’Im Krebsgang’ de passende woorden gevonden: „Das hört nicht auf. Nie hört das auf.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden