Gunsmoke in de saloon van het Binnenhof

De naar de senaat weggebonjourde Wiegel zag met lede ogen aan hoe zijn oude vijand het politiek reformisme zich van een modieuze uitdossing had voorzien: socialisten en democraten, eens verafschuwd, werden partners van de VVD in 'Paars'. Poef! deed de schutter.

Want Brutus is een achtenswaardig man. En dat zijn ze allemaal, achtenswaardige mannen'. Shakespeare's 'Julius Caesar' trekt door het land, in een eigentijdse versie van het Utrechtse theatergezelschap Aluin, met 'vrienden, Romeinen en medeburgers' in kekke pakken en met donkere brillen, mannetjesputters gewikkeld in een dodelijke strijd om de macht en volksgunst in Rome.

Maar waren we in de nacht van dinsdag op woensdag niet getuige van een levensechte tragedie in onze eigen senaat? Toen bij de W van Wiegel het lid van de Eerste Kamer met 'nee' te kennen gaf dat hij nog steeds niets in een referendum zag, zwenkte de camera abrupt naar de premier en registreerde een gepijnigde blik in de richting van de VVD'er. De camera volgde Wiegel toen de senatoren zich na alle tumult uit het pluche verhieven, en vroeg hem of hij die blik had gezien. Ja, hij had de premier met diens uitnemende interventie gefeliciteerd, ontweek Wiegel. Maar, hield de camera vol, kon de heer Wiegel zich het gevoel van verraad voorstellen dat de heer Kok mogelijk op dat ogenblik gevoeld had ? Geen sprake van, reageerde die scherp, 'ik ken zijn karakter'. Een achtenswaardig man, Wiegel, die zich niet kan voorstellen dat de aanvoerder hem de koelbloedige dolksteek uit de coulissen kwalijk neemt. Maar wie werd er hier gestoken, en zei die blik van Kok wel 'Ook gij Brutus'?

De rechtse volkstribuun had zich in de jaren van politieke polarisatie, ten tijde van Den Uyl, van zijn beste kanten laten zien. Met zijn galmend applaus voor de gevestigde belangen en hoon van alle wereldverbetering jaagde hij de linkse rakkers de gordijnen in. Vandaar mochten zij blazend toezien hoe hij met de katholieke variant van behoudzucht en volksmennerij, Van Agt, de politieke buit verdeelde.

Maar in de loop der jaren vergewisten de liberalen zich ervan dat het culturele en intellectuele nihilisme van Wiegel de VVD niet slechts van een al te elitair image had bevrijd, maar bovendien in de armen van Jacobse en van Es had gedreven: 'geen gezeik, iedereen rijk'. Zijn protégé Ed Nijpels was korte tijd na Wiegels vertrek naar de provincie de vleesgeworden belichaming van dit platte ideaal.

Toen in de jaren tachtig een nieuwe pacificatie-politiek nodig was om de maatschappelijke groeperingen ervan te doordringen dat matiging en discipline vereist waren om de economische crisis te bedwingen, was de populistische retoriek van Wiegel en de zijnen niet langer op zijn plaats. Bovendien drong ook in die gelederen door dat, als Nederland geheel aan de 'powers that be' zou worden overgelaten - zonder enige mate van planning en terughoudendheid -, het landschap al gauw het aanzien zou krijgen van de kolenmijnen waarin minister Van Aardenne's onbetaalbare kolengraafmachines rondkropen.

Rechts verpopte zich alweer, en een nieuw slag liberalen zette zich aan de tafel, vervuld van een moralisme dat eerder in die kringen als bemoeizucht was aangemerkt. De volkstribuun vertrok naar het 'ultima Thule' van de politiek, Leeuwarden. Zijn werk als commissaris van de koningin verrichtte hij met smaak, maar de ontwikkelingen op het landelijk forum bleven zijn aandacht trekken. In de pose van provinciale prefect debiteerde hij zijn wijsheden over 'gedoe' in Den Haag of de partij. Vanzelfsprekend waren die commentaren van eenzelfde eenvoud als vroeger, want het is bekend dat in de buitenlucht de wereld aan de geest simpel toelijkt. Het orakel van Ljouwert. In de politieke antropologie heet dat verschijnsel 'catonisme', naar de vierkanten opvattingen van de Romeinse staatsman Cato de Oudere (234-149 voor Christus) die het bewind van de republiek met het bestier van zijn landgoed vereenzelvigde.

Wiegels afschuw van socialisten en andere radicalen zoals D66 had hoogstens een mild patina opgedaan op het platteland, maar was overigens nog bikkelhard. Geen wonder dat de nieuwe garde telkens als hij een balletje opgooide over de mogelijkheid van een comeback, hem hartelijk wegbonjourde.

In het centrum van de macht had zich de vreemde coalitie van rechtse en linkse krachten geïnstalleerd, en het nieuwe rood en blauw leverde een keizerlijk purper. Maar de oude rot die tegelijkertijd hetzelfde boosaardige jongetje van vroeger was gebleven, zag dwars door die modieuze uitdossing het ondier dat hij altijd gevreesd en bestreden had: het politieke reformisme.

Paars kantte zich in zijn sociale politiek, maar ook in zijn staatsrechtelijke voornemens, tegen de harde 'republikeinse' vormen die in vroeger jaren de samenleving in patriciërs en plebejers had verdeeld. Zijn eigen demagogie had de plebejers wel stroop onder de kin gesmeerd, maar het had nooit in Wiegels bedoeling gelegen om van die massa iets anders dan politieke cliënten te maken, stemvee dat op zijn tijd geaaid en gedold moest worden door de herenboer. Het moet hem diep getroffen hebben dat zijn eigen partij zich had laten inpakken door die koekenbakkers en luchtfietsers van de PvdA en D66 en dat de VVD het spel van de maatschappelijke hervormingen, zij het gereserveerd, meespeelde. De paarse coalitie maakte zich sterk voor een beschavingsoffensief dat de onderkant van de samenleving wilde opkrikken in materiele en morele zin, en ook veel eiste van de zelfbeheersing van de sterken in de wereld. Zowel de oude elite als de vrije jongens zagen deze gecompliceerde manoeuvres met lede ogen aan.

Hij kwam terug, en hij speelde zijn rol, niet op het forum maar in het achterhuis, een reus tussen de heertjes die de politieke beslissingen van een keurmerk mogen voorzien. 'Een kind met een geladen pistool' noemde van Mierlo, zelf ooit de Kleine Lord van de Nederlandse hervormingsgezinden, hem twee dagen na de aanslag. Zeker, hij was geladen, en zijn begrip voor de ingewikkelde verrekeningen in het regeerakkoord was net zo gering als voor de subtiele compromissen die in de samenleving werden gezocht.

Maar Wiegel was niet de enige rancuneuze acteur, niet het enige boze jongetje op het toneel. De gebeurtenissen rond het referendum laten zich lezen als Marquez' 'Kroniek van een aangekondigde dood', en wie zichzelf daarin al van meet af aan de rol van 'mooi lijk' had toegemeten was niet de verweerde minister-president, maar de sympathieke krullenbol van D66. De gepijnigde blik van Kok gold niet de steek die hém trof, maar de kogel die langs floot, en waarvoor de leider van D66, Thom de Graaf zich strekte.

Geen groter tegenstelling dan tussen het natuurtalent Wiegel (Robert Mitchum placht in de marge van het filmscript NAR aan te tekenen bij zijn claus, 'No Acting Required'), en de 'method actor' de Graaf, die zich zichtbaar inspant zich in zijn personage in te leven. 'Redelijkheid', het devies van D66, is dramatisch gezien ook de minst aantrekkelijke regie-aanwijzing die een acteur zich denken kan. Bovendien belichaamt D66, meer dan enige andere linkse partij, de goede bedoelingen van de jaren zestig waar de jonge Wiegel zijn nagels op gescherpt had. In een dezer dagen veelvuldig vertoond Journaal-fragment uit die tijd voegt hij Van Mierlo hooghartig toe dat hij het met hem eens is 'dat uw partij niets heeft klaargemaakt'.

De gelegenheid dezer dagen was te mooi om waar te zijn. Een coalitie die in het ongerede was geraakt door de Bijlmerramp; en D66, dankzij de verkiezingen zowel spil als Achilleshiel van het paarse bondgenootschap, dreigt met het hoofd van mevrouw Borst zijn onschuld te verliezen. Zij was zo'n beetje het laatste krediet dat de partij nog bezat.

Een combinatie van ijdelheid, grimmigheid en paniek drijft de Graaf ertoe het referendum tot 'pièce de résistance' te verklaren. Kroonjuweel. De klok begint te tikken. Trammelant in de VVD-saloon. Een paar schutters melden zich, want Wiegel is waarachtig niet de enige in die partij die een hekel heeft aan de zondagskinderen van D66 en hun opgeschoonde versie van het populisme, het correctief referendum. Maar onder de bezweringen en smeekbeden van 'vrienden, Romeinen en medeburgers' is er maar één die het hoofd koel en de hand stil weet te houden. Poef!

Drieëndertig jaar geleden stak de roomse partner van een progressieve coalitie zijn aanvoerder, premier Cals, het mes in de rug. Het financiële beleid was de conservatief Schmelzer niet safe genoeg. Geen mens twijfelde in die dagen over wat er met 'safe' bedoeld werd: hún safe, hún bankrekeningen. Dat waren de mooie dagen van klassieke tragedies, waarin de acteurs voluit de hun maatschappelijk toebedeelde rollen speelden, en het noodlot zich onverbiddelijk aan de onderliggende partij, patriciërs of plebejers, voltrok.

Maar de maatschappij en de acteurs zijn veranderd. Kok en Wiegel stammen nog uit die sociaal-realistische school, maar ze hebben hun pathos en venijn moeten inwisselen voor een onderkoelde speelstijl. Geen te al te grote gebaren, geen al te grote woorden die een partner zouden kunnen afschrikken. En iedereen kan partner zijn, als nú niet dan morgen wel, dus is voorzichtigheid geboden. Wie zich daar niet aan houdt, richt meteen een bloedbad aan.

'The good', the bad' of 'the ugly', zo men wil, schoot met één knal een gat in dit goed vertrouwen. De geschiedenis herhaalt zich, zei Karl Marx. Eén keer als drama, en één keer als klucht.

Samuel de Lange is cultureel antropoloog

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden