Gun mij m'n bildung

Is bildung een papieren tijger, zoals Denker des Vaderlands Marli Huijer onlangs schreef? Nee, zegt filosoof Ger Groot. Hij neemt het op voor bildung: 'Hoe hadden wij anders ooit kunnen worden wie wij zijn?'

Ger Groot (1954) is schrijver en filosoof. Hij doceert cultuurfilosofie aan de Erasmus Univer - siteit Rotterdam en is columnist van Trouw.

'Als romancière", zo begon Naema Tahir een paar weken geleden haar column in deze krant, "lees ik natuurlijk de concurrentie. Liefst grote namen: Tolstoi, Zweig, Brontë en dergelijke. Schrijvers die de tand des tijds hebben doorstaan. De klassieken. Ik kijk bij hen af hoe het moet."

Met die bekentenis betoont Tahir zich niet erg modegevoelig. Grote klassiekers lezen, blanke mannen en vrouwen uit de Europese cultuur, 'om af te kijken hoe het moet'. Nog maar een paar dagen eerder (op 3 oktober) had filosofe Marli Huijer in deze bijlage een felle aanklacht gepubliceerd tegen het klassieke bildungsideaal. En dat was toch hetgeen waarop de columniste uit volle overtuiging leek terug te vallen.

Nu is niet ieder mens een romancier zoals Naema Tahir, maar het bildungsideaal strekt verder dan die beroepsgroep. De rijkste manier om de werkelijkheid te beschrijven is die van de literatuur, schrijft Willem Otterspeer in zijn schotschrift 'Weg met de wetenschap', dat over een week verschijnt. Want een roman is "niet zozeer de beschrijving van een wereld als wel de schepping ervan, een wereld van woorden".

Waarom is het lezen van literatuur dan zo belangrijk? Omdat 'een mens maker én maaksel is van zijn cultuur', aldus Otterspeer. We zijn taal-wezens, maar 'de taal is helemaal geen afbeelding van de werkelijkheid, maar een ondoorzichtige constructie van eigen makelij'. Ze suggereert helder te zijn, maar in werkelijkheid is het gesprek tussen mensen een grote chaos vol manipulatie, openlijke verleiding en verborgen verdraaiingen.

Daarom, aldus Otterspeer, "dienen mensen, voor hun eigen psychisch welbevinden en voor het goed functioneren van een democratie, blootgesteld te worden aan meningen en onderwerpen van discussie die ze niet zelf gekozen hebben en waarover ze een eigen standpunt moeten bepalen." Het literatuuronderwijs, en de geesteswetenschappen in het algemeen, zijn daarvoor de uitgelezen plaatsen, zo begrijp ik hem.

Otterspeer staat met die mening niet alleen. De brede vormende kracht van wat in de Verenigde Staten liberal education heet, leert een student niet alleen te denken maar ook te schrijven, te spreken en te converseren, zo merkt de Pakistaans-Amerikaanse publicist Fareed Zakaria op in zijn onlangs verschenen boek 'In Defense of a Liberal Education'. Toen hij in de jaren zeventig in de VS terechtkwam, was hij opgetogen over de vrijheid zich te verdiepen in allerlei 'nutteloze' vakken, zonder zich daarvoor - zoals in zijn eigen land - te hoeven verontschuldigen.

"Beter denken in de geesteswetenschappen", zo vult Stefan Collini, hoogleraar intellectuele geschiedenis en engelse letterkunde in Cambridge, aan, "gebeurt vaak als het resultaat van een voldoende attente, ontvankelijke hernieuwde kennismaking met de ideeën van figuren die allang dood zijn, onder wie ook figuren die niet tot hetzelfde vakgebied behoorden, of trouwens tot welk vakgebied dan ook."

Net als Zakaria strijdt Collini in zijn zojuist vertaalde boek 'Waar is de universiteit voor nodig?' vooral tegen het nutsdenken dat uitgaat van de business-schools die almaar meer studenten trekken. Otterspeer keert zich tegen de neiging van universiteitsbestuurders de geesteswetenschappen op dezelfde manier te behandelen als de bètavakken, en daarmee feitelijk de nek om te draaien. Maar alle drie werpen zij zich op als begeesterde kampioenen van een brede intellectuele vorming die zich voor het woord bildung niet schaamt.

Wat is er dan mis met bildung? Als ik Marli Huijer goed begrijp, is dat begrip van begin af aan besmet geweest met wat ik maar 'burgerschapsvorming' zal noemen. "Ja zeggen tegen de bestaande samenleving werd daarmee onderdeel van de persoonlijke vorming",

zo schrijft ze. Inderdaad klinkt dat nogal benepen en ouderwets, tot je je realiseert dat wij vandaag de dag van nieuwkomers in onze samenleving precies hetzelfde verwachten: instemming met de democratie, respect voor vrouwen, afzien van geweld in de opvoeding. Je hoeft het geen Leitkultur te noemen om te zien dat ook progressief denkende vaderlanders gretig instemmen met dat soort eisen.

Otterspeer windt er dan ook geen doekjes om. Na zijn pleidooi voor confrontatie met 'meningen die mensen niet zelf gekozen hebben' vervolgt hij: "Tegelijk moeten veel, zo niet de meeste burgers ten behoeve van een stabiel bestel een geheel aan gemeenschappelijke ervaringen en gemeenschappelijke kennis hebben." Zo niet, dan is er geen basis voor samenleven en onderling gesprek. Juist dat is het uitgangspunt van liberal education, zo vallen Zakaria en Collini hem bij. Studenten die zich gezamenlijk een core curriculum eigenmaken, leren niet alleen onderling discussiëren en zich een mening vormen, maar krijgen ook een inhoud mee die ergens over gaat.

Maar heeft die inhoud, die veelal op het verleden is gericht, onvermijdelijk niet het virus van het conservatisme onder de leden? Inderdaad geeft Collini toe 'dat het meeste waarover we nadenken en wat we proberen te begrijpen noodzakelijkerwijs in het verleden ligt'. Maar of dat ook tot tevreden acceptatie van datzelfde verleden moet leiden, vind ik hoogst twijfelachtig.

Hier is een jeugdherinnering op zijn plaats. Ik ben een jaar of dertien en zit in de tweede klas van het gymnasium. Caesars 'De bello Gallico' staat op het programma: de eerste Latijnse tekst waaruit ik stukken moet leren vertalen. De spanning van het boek en de trots waarmee Caesar verslag doet van zijn veroveringsoorlog in wat nu Frankrijk heet, hebben nogal te lijden onder mijn grammaticale worstelingen.

Maar dan is er de leraar die de klas af en toe bij de lurven grijpt. "Let op wat Caesar hier doet", zegt hij op een goede dag. "Obtruncare staat hier; 'doden' zegt het woordenboek. Maar eigenlijk is het 'in mootjes hakken'. Met je zwaard of sabel er net zo lang op in hengsten tot er van de vijand niets meer over is: dat liet Caesar doen met het vijandige leger, en soms zelfs de hele stam. Die triomftocht van hem was één lange uitroeiingsoorlog."

Dat vertelde meneer Bos: een zo archetypisch ouderwetse leraar dat hij zelfs geen voornaam had. Ik eer hem hier alsnog, want ik ben zijn les nooit vergeten. Noch die van al die andere docenten die waarheid wisten te puren uit 'wat noodzakelijkerwijs in het verleden ligt' maar nooit is opgehouden actuele, politieke, ja zelfs revolutionaire betekenis te hebben. Lees elk perscommuniqué over militaire successen altijd met argwaan: dat leerde ik van de Latijnse les van meneer Bos.

Het is dan ook niet helemaal eerlijk wanneer Marli Huijer zich vrolijk maakt over de arts die, dankzij alle bildung 'straks Homerus uit het hoofd kan citeren'. Dat is nooit het doel of de praktijk van een klassieke vorming geweest. Een paar beginzinnen om te horen hoe het klonk, dat wel - maar het lijkt me geen kwaad idee enig gevoel aan te kweken voor orale literatuur.

Net zo verbazingwekkend is haar afwijzing van de Oudgriekse en Nederlandse letteren, die zij vervangen wil zien door 'een mengeling van Chinese, Marokkaanse, Turkse en Surinaamse literatuur'. Niet omdat mij dat een slecht idee lijkt. Maar omdat Huijer kennelijk denkt dat bildung ooit iets ánders voor ogen heeft gehad dan over de grenzen van territorium en moedertaal heen te kijken.

Want zie: op hetzelfde moment als waarop dat ideaal opkomt, worden ook voor het eerst Indiase teksten in het Duits en Engels vertaald, en bepaald niet alleen voor geleerden. De negentiende eeuw wordt er diepgaand door beïnvloed, al was het maar via Schopenhauer, die ook Shakespeare de Duitse Bildung binnenbracht. 'Vorming' hield niet alleen een nationale blik in, maar ook een Europese.

De wereld is intussen groter geworden, maar het bildungsideaal is nog altijd hetzelfde: enig besef hebben van de eigen én andere werelden en beschavingen, misschien zelfs van talen. Tot voor kort kreeg in Nederland een groot deel van de scholieren (niet alleen die van het vwo) enige kennis van de drie ons omringende talen mee. Nu is het er nog maar één en voor de andere is weinig in de plaats gekomen. De Chinese literatuur waarmee wij kennis moeten maken, zullen we wel in het Engels lezen.

Maar struin een beetje rond in de Caribische literatuur en vind daarin de Nobelprijswinnaar Derek Walcott terug, die zijn beroemdste epos uitgerekend de naam meegaf van de vermaledijde dichter van de Odyssee: 'Omeros'. Zo keert de wereldliteratuur terug tot de klassieke canon, die van zijn kant al lang niet meer alleen bestaat uit het peper- en zoutstelletje 'Schiller & Goethe' en hun consorten uit de bildungstijd.

Terecht pleit Collini dan ook voor geesteswetenschappen die "het geheel van leren en exacte academische vorming omvatten dat is opgebouwd in de studie van klassieke en moderne talen, van verschillende vormen van geschiedenis, kunst, muziek, religie en cultuur in het algemeen, in het verleden en het heden, niet alleen de werken van de grote schrijvers en filosofen".

En even terecht is het enthousiasme waarmee Zakaria de lof zingt van het liberal-arts-programma, dat gezamenlijk werd opgezet door de universiteiten van Yale en Singapore: "Niet alleen Plato en Aristoteles, maar ook, in dezelfde cursus, Confucius en Boeddha, ... de Odyssee en de Ramayana." Niet om zich tegen bildung te verzetten, maar als het logische uitvloeisel daarvan. Zelfs de klassieke 'Geschiedenis van de filosofie' van Hans Joachim Störig, die generaties van studenten het gladde pad van de wijsbegeerte op hielp, begon al met een deel over 'De wijsheid van het Oosten'.

Wie bildung bij het oud vuil zet, gooit al snel het kind met het badwater weg en maakt zich schuldig aan wat Gerrit Komrij ooit 'de armoedecultuur van rijke mensen' noemde. Wie Homerus al kent, kan er gemakkelijk over smalen. Wie van huis uit vertrouwd is met Mariken van Nieumeghen trekt er licht de schouders over op.

Maar waar was Hafid Bouazza geweest als hij Vondel en de Statenbijbel niet had gelezen? Hoe komt het dat we de Griekse componiste Calliope Tsoupaki nodig hebben om van het mysteriespel 'Mariken' een prachtige opera te maken? Waarom was Fareed Zakaria zo uitgelaten toen hij merkte dat hij in de VS zomaar de grote literatuur mocht bestuderen? Hoe zou Naema Tahir de schrijfster zijn geworden die zij is wanneer ze nooit Tolstoi of Stefan Zweig had leren lezen?

Je ontdoen van een stoffige canon en je neus ophalen voor een bildung met de geur van burgerlijkheid, klinkt heel vooruitstrevend en verlicht. Maar het is niet vrij van hooghartigheid. Want wie níet tot die cultuur behoort, is maar al te dankbaar voor de toegang ertoe die wij bildungsonderwijs noemen. Hoe hadden wij ooit ánders kunnen worden wie wij zijn?

Ja, ik spreek ook over mijzelf. Want het is eenvoudigweg niet waar dat, zoals Huijer stelde, in Nederland van oudsher de onderklasse veel kansen had om op te klimmen. Dat begon pas met mijn generatie. Wat ik ben, heb ik te danken aan klassieke bildung. Wie die minacht, belemmert de weg omhoog voor een hele klasse, uit naam van de emancipatie van die klasse zelf. Noem het de ironie of de paradox van de cultuur, maar ontken haar niet. Ontzeg ons niet onze bildung.

Willem Otterspeer: Weg met de wetenschap

De Bezige Bij; 64 blz. euro 9,95 (verschijnt 5 november)

Stefan Collini: Waar is de universiteit voor nodig? Amsterdam University Press; 328 pag. euro 19,95

Fareed Zakaria: In defense of a liberal education Ww Norton&Co 208 blz. euro 23,99 (Vertaling 'Lof van de geesteswetenschappen' spoedig bij Atlas Contact)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden