Gruwelijks in de achtertuin

Schitterend, de herfst. Nog is het grote sterven niet begonnen, in mijn achtertuin bloeit een laatste rode roos. De moerbei verliest heel langzaam blad, blad voor blad, en de wingerd maakt nog geen aanstalten te verkleuren.

Ik schrijf dit stukje in de najaarszon, met de hand. De wind rukt af en toe aan het papier. Uit het huis klinkt zacht een radiostem.

Ik zou mijzelf benijden, als mijn hart niet zo koud was. Zo koud dat ik hoop dat mijn kinderen dit stukje niet onder ogen krijgen.

Goed. Daar gaan we.

De kat, schreef Rudy Kousbroek in 'De Aaibaarheidsfactor', is 'moeiteloos het hoogst ontwikkelde dier dat de natuur heeft voortgebracht'.

Of dat waar is, betwijfel ik, ik zou eerder aan het varken denken, maar wel neemt de kat een vooraanstaande positie in in onze taal en cultuur. Hij maakt rare sprongen, komt op z'n pootjes terecht, je kijkt hem uit bomen, of koopt hem in zakken. Talloze schrijvers en dichters bezongen hem, van Annie M. G. Schmidt tot Jan Wolkers, van Simon Carmiggelt tot Remco Campert. En Kousbroek dus, die een boekje schreef over kattentaal dat 'Wat en hoe in het Kats' heette en die een televisieuitzending bedacht, speciaal en alleen voor katten.

'Radarbesnord en dubbelgepuntmutst' schreef dichteres Fritzi Harmsen van Beek over de kat, en Jac van Looy (1855-1930) noteerde in aanbidding:

'Ik wou haar achter de kachel zien gaan liggen nu, al knipogend tegen de rode gloed, ik wou haar de leedjes zien gaan rekken in een welbehagen en dan likken haar lijf glimmend met de rode gespouwen tong. Kijk, dan begonnen de zwarte ringen in haar vel te glimharen dat het een lust was, onder de verpoosde arbeid der elastieken tong, die met lange vegen, in rugveringen, het vlugge lijf rein streek. Soms hield ze dan in eens op, lang liggend nog, maar de kop was geheven en spits geoord; de ogen wijd gespalkt sloegen als barnsteen aan 't starlichten, en de staart klopte dik en booszwart op de grond.'

Ja, dat edele, ondoorgrondelijke dier, zo verheven boven andere dieren. De poes, las ik zelfs, is een mens van hogere orde.

Zonder enige twijfel staan katten bovenaan in de huisdierenhiërarchie. Met twee cavia's bevond ik me daar een stuk onder.

Bevond.

Een buurvrouw nam vanaf haar balkon een kat waar, toen uit mijn achtertuin een cavia ijselijk gilde. Ik hoorde dat gillen niet, maar toen ik, gewaarschuwd, ging kijken, waren de cavia's verdwenen. Uit zicht zijn ze wel vaker, als ze even tussen de struiken scharrelen in de verder besloten tuin. Dit keer evenwel, bleven ze weg.

Later vond ik, met een zinkend gevoel, een plukje vacht van Stan. En na wat verder zoeken, vond ik haarzelf, onder de hosta's.

Wat ik zag, benam me de adem.

Kop en romp waren van elkaar gescheiden. Haar ingewanden puilden uit.

Ja, de herfst is schitterend nog, heel aarzelend valt het blad. Alleen voor mijn cavia's zijn alle seizoenen voorbij.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden