Ground zero op Rana Plaza: een onwaardiger graf is ondenkbaar

Hoe voelt het om over een massagraf te lopen? Een vraag die ik mijzelf nooit eerder stelde. Hoe voelt het om over een massagraf te lopen waar je zelf medeverantwoordelijk voor bent? Een vraag waarvan ik niet eens had kunnen bedenken dat ik hem ooit aan mezelf zou stellen.

Het absurde, afschuwelijke en misselijkmakend verdrietige is, dat ik het antwoord nu weet. En dat antwoord, dat is niet fraai.

Het Humanity House in Den Haag maakt een tentoonstelling over de kledingindustrie in Bangladesh naar aanleiding van de textielfabriek die daar een jaar geleden instortte, op Rana Plaza. Er vielen 1129 doden.

Natuurlijk heb ik dat nieuws toen gevolgd. U waarschijnlijk ook. Kamervragen zijn gesteld en er is enorme druk gezet op kledingmerken die hun stukken tegen veel te lage prijzen onder erbarmelijke omstandigheden laten fabriceren. Veel bedrijven hebben een verklaring getekend waarin ze beterschap beloven. Een goede zaak.

Omdat ik een doorlopend kunstproject heb waarin ik de wereld afreis om 'situaties te redden naar de Nederlandse norm' (www.tinkebell.com), vroeg het Humanity House mij om in Bangladesh te gaan kijken en dit land mee te nemen in mijn reeds lopende werk. Wanneer ik nu terugdenk dan weet ik eigenlijk niet wat ik verwachtte. Maar afgelopen donderdag ben ik dus gegaan, als een soort ramptoerist, naar Rana Plaza. Op het moment dat ik uit de taxi stapte, kwam er direct een vrouw op me af met in haar handen een foto van haar omgekomen dochter. Het lichaam is nooit gevonden. Toen ik de vrouw vol meedelijden aankeek barstte ze in tranen uit, en ik ook.

Zó voelt dat dus.

Ik kroop onder het prikkeldraad door, door een gat in de omheining. Ground zero. Op Rana Plaza. Wetende dat ik over vele bedolven lichamen liep, want de opgravingen van het ingestorte gebouw, acht etages hoog en nog drie kelders naar beneden, werd gestaakt toen de hoop op overlevenden was opgegeven.

Ik geloof dat ik ze rook, maar dat was niet wat mij het meeste schokte. Dat van die geur, dat wíst ik namelijk al. Ik had het ergens gelezen. Wat ik niet had bedacht, en wat achteraf misschien wel logisch is wanneer je je realiseert dat men is gestopt met het zoeken naar lijken, is dat daar natuurlijk ook spullen liggen.

Rana Plaza ligt bezaaid met kledingstukken, lappen textiel, persoonlijke bezittingen (handtassen, schoenen) en duizenden labels van allerlei merken. De restanten en daarmee de stille getuigen van de afschuwelijke ramp die daar heeft plaatsgevonden.

Ze lagen er nog, verstoft in de hitte. Er was niets mee gedaan.

Ik raapte een hoofd van een etalagepop op en een vrouw die het zag barstte in snikken uit. Ook háár dochter lag daar, onder mijn voeten. Een onwaardiger graf is ondenkbaar.

In een Bengaalse krant las ik dat slachtoffers ondanks beloften nog steeds geen compensatie hebben gekregen. Ook het minimumloon van 50 euro per maand voor textielarbeid dat de vakbeweging heeft geëist, is niet ingewilligd. Zelfs de baliemedewerker van mijn hotel verdient vier keer meer dan dát. Al die ellende, voor ónze lage kledingprijzen en een zo groot mogelijke winst voor ónze bedrijven.

Dat bloed op Rana Plaza, dat kleeft aan ónze handen. Ik heb het nu gevoeld. En nee, dat is niet fraai.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden