Groter dan Nederland

De eergisternacht overleden oud-minister Joseph Luns was een vat vol tegenstrijdigheden, en controversieel. Een man die grote sympathie opriep bij zijn vrienden, maar evenveel weerzin bij zijn vijanden. Als een van de weinige Europese politici durfde hij het op te nemen tegen De Gaulle. Als minister had hij maar één uitgangspunt: het Nederlandse belang. Een man die, als het hem uitkwam, graag een loopje nam met de waarheid. Een humorist, al werden zijn grappen steeds sleetser.

Alles was lang aan Joseph Luns: zijn leven, zijn ministeriële carriüre, zijn diensttijd bij de Navo, zijn gestalte, zijn neus. Groot was zijn reputatie bij vrienden, groot de weerzin die hij bij vijanden opriep. Klein was alleen het land dat hij vertegenwoordigde, maar gedurende zijn negentienjarige ambtsperiode gaf hij Nederland in de wereld 'een stem die meer gewicht in de schaal legt dan men op grond van het inwonertal of de gebiedsomvang zou verwachten', zoals de Frankfurter Allgemeine in 1971 bij Luns' vertrek naar de Navo schreef.

Wie zijn leven en loopbaan overziet, stuit op merkwaardige tegenstrijdigheden. Afkomstig uit een kosmopolitisch bourgeois-milieu, werd hij de meest nationalistische minister uit de jaren 1950-1970. Als reactionaire katholiek trouwde hij met een protes tantse barones. Fervent royalist, kwam juist hij af en toe in botsing met het Koninklijk Huis, maakte een dubieuze opmerking over het verleden van Prins Claus en werd voor straf geen minister van staat. Uitgesproken francofiel, was hij in de jaren zestig de enige in het Europa van de Zes die Frankrijk de voet dwars durfde te zetten. Overtuigd Atlanticus, waagde uitgerekend hij in de Nieuw-Guinea-kwestie het antikolonialistische Amerika van de Kennedy's te bruuskeren. In de Europa-politiek hield hij praktisch in z'n eentje het intergouvernementalisme van De Gaulle tegen, in naam van de supranationaliteit waarvan hij, wegens zijn sterke voorkeur voor een Brits EG-lidmaatschap, zelf geen voorstander was.

Allerlaatste drager van het officiële ministeriële ambtskostuum, was hij gek op protocol, decoraties, eerbewijzen, ceremonie, maar in deftige gezelschappen hing hij graag de clown uit en achtte het niet beneden zijn elitaire waardigheid om als Arabier verkleed een Marokkaanse stad in de Efteling te openen. Zijn gevoel voor democratie was beperkt en aan parlementen had hij een broertje dood, maar hij wist de aristocratische afstandelijkheid van het ancien régime en het populisme van de nieuwe tijd op virtuoze manier te verenigen: bij de kamerverkiezingen van 1963 won hij met zijn voorkeurstemmen voor de KVP vier kamerzetels. Voor zover hij er staatkundige ideeën op nahield wortelden die in de negentiende eeuw, maar zijn presentatie was van de 2lste eeuw: zonder steun van pr-adviseurs pakte hij in de hoogtij-jaren van zijn ministerschap pers en publiek moeiteloos in.

In het internationaal verkeer vertoonde Luns een karaktereigenschap die bij Nederlanders nogal eens ontbreekt: lef. Hij liet zich door niemand en niets imponeren. Het Calimero-complex van staatslieden van kleine landen was hem volkomen vreemd. Groten der aarde als De Gaulle en Adenauer beschouwde hij, terecht of ten onrechte, als zijn evenknie en daarom kon hij tegen ze op. Hun verwensingen, zoals die van Adenauer na het mislukken van de EG-top van Parijs in 1961, lieten hem even koud als hun complimenten.

Zijn beleid als minister stoelde op het klassieke concept van nationale belangenbehartiging. Eigenlijk had hij maar één uitgangspunt: het Nederlandse belang. Dat verdedigde hij met sluwe diplomatie, maar soms ook met een hardheid die meer bij de machtspolitiek van een grote mogendheid hoort. De valse bescheidenheid van een Jorritsma ('Wij als poppenlandje') en Brinkhorst ('Dit ministaatje aan de Noordzee') zou hij als uiterst gevaarlijk hebben gebrandmerkt. Je bereikt, zo was zijn redenering, daarmee bij je onderhandelingspartners precies het tegenovergestelde van wat je beoogt: verachting voor zo weinig gevoel van eigenwaarde.

In zijn biografie (alias hagiografie) over Luns beschrijft de historicus J.G. Kikkert een scüne die zich ergens in de jaren vijftig op Buitenlandse Zaken afspeelde, destijds de pers haalde en tekenend is voor Luns. Een jeugdig ambtenaar, zopas geslaagd voor het attaché-examen, maakte de gebruikelijke opwachting bij de minister met de mededeling dat hij nu het eng-Nederlandse belang ging ontstijgen en de belangen van de wereldgemeenschap kon gaan behartigen. Het antwoord van de minister was duidelijk: ,,Meneer, knoop dit in uw oren: waar ter wereld ook uw post zal zijn, eerst komt voor u het Nederlands belang, dan een hele tijd niets, dan wederom het Nederlands belang, en pas daarna, in uw vrije uren, buiten diensttijd en buiten dienstverband, kunt u enige aandacht besteden aan niet-Nederlandse, supranationale denkbeelden''.

Voorzover er nog iets tot Luns doordrong (zijn geest was de laatste jaren niet meer je d t), moet hij waardering hebben opgebracht voor de vasthoudendheid waarmee premier Kok en minister Zalm in Berlijn drie jaar geleden bijna anderhalf miljard van de Nederlandse EU-contributie wisten af te pingelen en Kok en minister Van Aartsen anderhalf jaar geleden in Nice de erkenning van Nederland als 'middelgroot land' konden afdwingen, met één stem meer dan België in de toekomstige EU-ministerraad.

Joseph Marie Antoine Hubert Luns werd in 1911 in Rotterdam geboren als zoon van de kunstschilder en -docent Huib Luns (later hoogleraar aan de Delftse TH) en een Belgische moeder van Franse origine. Na lager onderwijs in Vught, gymnasiaal onderwijs in Amsterdam en Franstalige kostschool in Brussel, studeerde hij rechten in Leiden en Amsterdam en volgde cursussen aan de London School of Economics en het Deutsche Institut für Auslünder in Berlijn. De keuze van laatstgenoemde, al door de nazi's besmette instelling (het was 1938) was misschien niet helemaal toevallig: de student Luns was enige tijd lid van de NSB. Toen dat in de jaren zeventig werd ontdekt, ontkende Luns het. Men had hem verward met zijn broer, zei hij. Twintig jaar later onthulde de weduwe van die broer dat zwager Joseph haar man destijds zover had gekregen de 'schuld' alsnog op zich te nemen. Er liepen in het Nederland van na de oorlog wel meer prominenten rond die vóór de oorlog enige tijd lid van de partij van Mussert waren. De ex-NSB'er mr. Zaayer werd nota bene procureur-generaal in de zuiveringsprocessen van 1945-1947, het voormalig redactielid van Volk en Vaderland mr. Van der Hoeven werd particulier secretaris van Koningin Juliana.

Na een diensttijd als matroos-seiner bij de Koninklijke Marine (hij dweepte zijn levenlang met de zeemacht; tijdens lange ministerraadsvergaderingen tekende hij oorlogsbodems) en een opleiding tot diplomaat, werd Luns gedetacheerd bij de Nederlandse ambassades in achtereenvolgens Bern, Lissabon en Londen; in 1949 volgde zijn overplaatsing naar New York als tweede man bij de Nederlandse vertegenwoordiging bij de VN. Uit die tijd dateren Luns' eerste contacten met KVP-leider Romme. Die wilde in 1952 een katholiek op Buitenlandse Zaken als opvolger van de liberaal Stikker. Dat stuitte op tegenstand van Drees, die geen 'Europe vatican' wilde (de andere EGKS-landen hadden ook allemaal een 'roomse' minister van BZ). een slotte werd een wonderlijk compromis bedacht: de partijloze mr. J.W. Beyen werd bij de kabinetsformatie van 152 de echte BZ-minister en bij wijze van concessie aan de KVP werd de volslagen onbekende diplomaat Luns - die nog snel even KVP-lid moest worden gemaakt - als tweede minister aan het departement toegevoegd ('Luns met z'n Beyen'). Beyen deed in de praktijk Buropa, Luns de rest van de wereld.

Van meet af aan was het slaande ruzie tussen die twee. De kamerbewaarder van Beyen hoorde zijn baas tijdens een gesprek met Luns schreeuwen: ,,Denk eraan, ik trap je door deze dichte deur de straat op''. Er kwam een soort verzoeningscommissie en een herenakkoord dat de samenwerking enigszins draaglijk maakte, al bleef die incidentrijk. ,,Ze blijven bij elkaar voor de kinderen'', heette het in Haagse kringen. Tijdens een staatsbezoek van het Deense koningspaar nodigde de nauw behuisde Deense ambassadeur wel Beyen, maar wegens plaatsgebrek niet Luns uit voor het contradiner. Luns maakte toen zo'n heisa dat de ambassadeur zich genoodzaakt zag in allerijl een serre aan zijn ambtswoning toe te voegen, zodat Luns er ook bij kon.

Bij de kabinetsformatie van 1956 viel Beyen buiten de boot en werd Luns alleenheerser op Buitenlandse Zaken. Dat is hij, met wisselend succes, tot 1971 gebleven. Fanatiek hechtte hij aan zijn afzonderlijke ministeriële verantwoordelijkheid voor het buitenlands beleid. Al te grote bemoeienis van minister-president en kabinet met dat terrein was niets voor hem. Soms lichtte hij het kabinet niet, te laat of valselijk in. In de kwestie-Nieuw-Guinea bewerkstelligde dat bijna zijn politieke ondergang.

Voor het overige was hij een minister die collega's, ambtenaren en parlementariërs imponeerde door zijn formidabele werkkracht, ijzeren geheugen en feilloos politiek instinct in internationale kwesties. ,,Die man was briljant. Hij hoefde maar aan een dossier te ruiken en hij wist waar het over ging, wat de essentie was en welke richting we uit moesten'', herinnerde de oud-BZ-ambtenaar en latere burgemeester van Amsterdam Schelto Patijn zich. In een uit 1998 daterend interview zegt Luns' voormalige ambtgenoot Jelle Zijlstra: ,,Ik heb altijd bewondering voor hem gehad. Op belangrijke buitenlandse conferenties deed hij het altijd geweldig goed. Tactieken bijhouden, weten wat hij wel en niet zelf moest doen, peilen waar je vooruitgang kon boeken, waar mislukkingen dreigden. Als puntje bij paaltje kwam, wist hij precies waar we waren en waar hij moest sturen''.

Zijn grootste nederlaag leed Luns in de kwestie Nieuw-Guinea, het enige overgebleven deel van ons voormalig Nederlands-Indisch imperium, dat hij tot elke prijs uit handen van Soekarno's Indonesië wilde houden. Daarin faalde hij, dankzij de groeiende oppositie in eigen land (ook binnen het kabinet), de omslag in de houding van de Verenigde Staten onder de Kennedy's en de geleidelijke toename van het aantal Indonesië-gezinde derdewereldlanden binnen de VN. Te lang misleidde Luns' regering het parlement in Den Haag met verhalen over toegezegde Amerikaanse steun voor de zelfbeschikking van de Papoea's, verhalen die eerst via een zeer informatief oriëntatiebezoek van AR-voorman Biesheuvel aan Washington en later tijdens een bezoek van een onbeschofte, maar overduidelijke Robert Kennedy aan Den Haag werden doorgeprikt.

Na de voor hem uiterst pijnlijke overdracht van Nieuw-Guinea haastte de pragmaticus Luns zich de verzoening met Indonesië tot stand te brengen. Tijdens een bezoek aan dat land palmde hij met z'n gebruikelijke charme Soekarno dermate snel in dat de niet meer al te frisse president uitriep: ,,Meneer Luns, ik ben het slachtoffer geworden van mijn eigen propaganda tegen u''.

Zijn grootste succes behaalde Luns tijdens de EG-topconferentie van de zes regeringsleiders en het staatshoofd De Gaulle in 1961 in Parijs. Daar moest een besluit worden genomen over de totstandkoming van een Europese politieke unie op intergouvernementele basis (het zogeheten plan-Fouchet, dat uitging van De Gaulle's 'Europe des nations'). Luns vreesde dat zo'n unie zou uitlopen op een Frans-Duits directorium en een breuk in de Atlantische samenwerking zou veroorzaken. Zowel het een als het ander zou het Nederlandse belang ernstig schaden. Zijn devies: ,,Politieke samenwerking kan, maar dan moet Engeland erbij. Zo niet, dan moet het supranationaal, dus als EG-zaak.'' Daarmee zette hij het mes in de planning, wetende dat De Gaulle noch de komst van Engeland, noch de supranationaliteit zou kunnen aanvaarden.

De al door De Gaulle ingepakte Adenauer (de andere landen minus Nederland boden helemaal geen verweer) foeterde dat hij, na de moeite te hebben genomen helemaal naar Parijs te komen, nooit had kunnen bevroeden dat de Nederlanders zich langer dan vijf minuten tegen de voorstellen zouden verzetten. Toen de conferentie dankzij Luns' verzet was mislukt, vertrouwde een woedende Duitse bondskanselier de Italiaanse minister Panfani toe: ,,Als alles verkeerd gaat, als ik kiespijn heb, als de Bondsdag dwars gaat liggen, als de pers mij onderuit probeert te halen, als de partij in München (de CSU - red.) om een andere kanselier roept, dan troost ik mij met de gedachte dat er op deze wereld minstens één sterveling rondloopt, die er nog erger aan toe is dan ik: mevrouw Luns''. De Gaulle bleef correct en beperkte zich tot de vraag aan Luns waarom hij als agent van Engeland was opgetreden...

'Parijs' was een negatief succes, maar een succes. Luns was eropuit om de continentale macht van de 'groten' te breken en dat lukte. Daarbij hing hij de grote Europese federalist uit die hij helemaal niet was. Dat zijn argumenten in feite onlogisch waren (een supranationaal Europa van de Zes zou Engeland definitief hebben uitgesloten; een intergouvernementeel Europa met Engeland zou de supranationaliteit definitief om zeep hebben geholpen), zal de geslepen tacticus een zorg zijn geweest.

Luns is nooit partijman geweest. Ondanks zijn indrukwekkende electorale successen piekerde de KVP er niet over de populaire bewindsman als kandidaat voor het premierschap naar voren te schuiven. Wel kwamen ergens in de jaren zestig een paar geflipte generaals in het diepste geheim naar hem toe met het aanbod hem na een staatsgreep tot premier te bevorderen. Luns lachte zich een ongeluk en kon de heren alleen maar toezeggen hun namen tot in het graf geheim te houden.

In de tweede helft van de jaren zestig nam zijn populariteit af en de aversie tegen zijn 'koude-oorlogspolitiek' toe. Hij vervreemde van een zich snel ontwikkelende samenleving. Zijn humor werd sleets; zijn grollen en grappen werkten niet meer in de Kamer en zijn charme deed het alleen nog goed in het buitenland, waar hij meer verbleef dan goed was voor zijn verhouding met politiek Den Haag. Zijn benoeming tot secretaris-generaal van de Navo betekende voor alle partijen een opluchting.

Dertien jaar lang leidde hij de verdragsorganisatie met routineuze vaardigheid in kwesties als de Turks-Griekse controverses, Cyprus, de capriolen van Malta en IJsland, Polen, de neutronenbom, het dubbelbesluit over de kruisraketten. Maar ook in dat ambt vervreemde hij van de samenleving en de publieke opinie. Van de vredesbeweging in de Navo-lidstaten snapte hij niets. Vredesactivisten in Nederland konden zijn bloed wel drinken. Na een voordracht aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam werd hij op straat geschopt en geslagen. Vanuit zijn hoofdkwartier in Brussel bleef hij Nederland met scherpe verwijten bestoken vanwege de bezuinigingen op de defensiebegroting.

In 1984 zette hij als 73-jarige een punt achter zijn loopbaan. Men huldigde hem met stevige complimenten: hij had als Navo-chef de Europese en Amerikaanse posities altijd op één lijn weten te houden en de samenwerking tussen de politieke en de militaire vleugel van de verdragsorganisatie steeds in goede banen weten te leiden.

Na dit orgelpunt van zijn carrière werd weinig meer van hem vernomen. Vervelende familiekwesties, de dood van zijn vrouw, en ziektes verdonkerden zijn bestaan. In de eenzame laatste jaren moet hij troost gevonden hebben in het enige dat hij volgens intimi echt au sérieux heeft genomen in zijn lange leven: zijn katholicisme.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden