Grootschaligheid spelbreker Geest van Paul Acket is volop aanwezig op festival

DEN HAAG- Waarde vorig jaar op het North Sea Jazz Festival de geest van de net overleden Miles Davis door de gangen van het Congresgebouw, dit jaar was dat de geest van Paul Acket, 17 jaar lang verantwoordelijk voor het festival.

KEES POLLING

Dat ook de 18de editie zijn hand verraadt, komt doordat zijn opvolgers - weduwe Jos, dochter Karin en de reeds enige tijd aan zijn staf verbonden medewerkers Theo van den Hoek en Paul Dankmeyer - zijn ideeen in ere hebben gehouden. Pas volgend jaar voeren zij veranderingen door. Al houden ze zelfs dan in zo groot mogelijke mate vast aan de door Paul Acket bedachte opzet.

Vorig jaar werd het North Sea Jazz Festival bezocht door 60 000 mensen, een constant in beweging zijnde menigte, die het onbekommerd luisteren naar optredens nagenoeg ondoenlijk maakte. Voorafgaande aan het muziekfestijn vertelde Jos Acket dat ze opnieuw zeker 60 000 bezoekers moeten trekken, wil het festival kunnen overleven. De organisatie mag tevreden zijn: vrijdag en zaterdag was het festival uitverkocht; zondag leek hetzelfde te gebeuren.

Of de bezoekers, althans de muziekliefhebbers onder hen, daarmee even blij moeten zijn, valt te betwijfelen. Het verbaast me elke jaar weer hoe de zalen zich vullen met toeschouwers, terwijl men in de wandelgangen klaagt over de hitte, het gekrioel en de onmogelijkheid ook maar een glimp van de artiesten op te vangen. Vorig jaar maakte de drukte het moeilijk om sommige optredens bij te wonen. Dit jaar was het nog veel erger. Zalen waren vaak volstrekt ontoegankelijk, zelfs als je ruim op tijd dacht te zijn, of slechts een staartje van het concert mee wilde maken.

Een goed voorbeeld was het optreden van de als 'ontdekking' aangekondigde zangeres Gabrielle Goodman, zaterdagavond in de Van Goghzaal. Een half uur voor aanvang waren de gangen voor de zaal reeds stampvol. Een kwartier voor aanvang werden de deuren geopend. 'Aanvallen', riep iemand, en als een vloedgolf stroomden de honderden wachtenden naar binnen. Wie een zitplaats dacht te kunnen bemachtigen, kwam bedrogen uit. Omdat de meeste bezoekers van het voorgaande concert van Rita Reys waren blijven zitten, vulden de corridors zich met drommen staande mensen. Geen plekje bleef onbenut. Een ronduit onverantwoorde situatie. Als de organisatie echt om muziek geeft, zou ze consequenties moeten trekken uit deze feiten. Dan maar kleiner en minder, dus kleinschaliger, of eventueel uitgespreid over een langere periode, zoals bij de meeste grote jazzfestivals in het buitenland het geval is.

Mix

Een paar maanden geleden zong Goodman op de persconferentie zonder overtuiging enkele oubollige jazzstandards. In de Van Goghzaal presenteerde de zangeres een mix van jazz, pop en fusion. Jazzstukken als 'Cherokee' en 'My Sunny Valentine' werden in haar handen ordinaire popsongs. Haar hoge uithalen klonken obligaat en onzuiver en haar scattzang was evenzeer weinig inspirerend.

Rachel Ferrell, op het laatst aangetrokken om vrijdag de zieke Oscar Peterson te vervangen, heeft pas echt een fantastische stem, met een uitzonderlijk groot bereik en soepele stembuigingen. Bovendien durft ze in haar improvisaties uitersten op te zoeken, zoals snerpend hoge en spatzuivere uithalen, raar gejodel of diep en fluisterzacht gegrom. Zelfs in de popmuziek, die het grootste deel van haar repertoire uitmaakte, zat haar zang vol 'soul' en deden haar stemimprovisaties niet onder voor die in de enkele 'echte' jazzsong die ze zong.

Het was amusant te zien hoe dezelfde avond het Kronos Quartet in de Van Goghzaal het publiek in de war bracht met muziek die weinig met jazz te maken had, maar inhoudelijk zeker een hoogtepunt van het festival was. Het strijkkwartet trakteerde het publiek, dat op de verkeerde momenten klapte, op een programma met enkele Nederlandse premieres en gloedvol gespeelde stukken van hun recente 'Pieces of Africa'album.

Nieuw waren Raymond Scotts ludieke, folky 'Dinner Music for a pack of hungrey Cannibals' en Michael Daugherty's even leuke, maar al snel vervelende 'Sing Sing J. Edgar Hoover', een dialoog tussen de strijkers en de stem van de beruchte FBIdirecteur en communisten-hater. Hoogtepunten waren John Zorns weerbarstige 'The Death Man', Willie Dixons licht vervormde blues 'Spoonful' en Foday Musa Suso's hypnotiserende 'Tilliboyo'.

Van de bigbands op het festival onderscheidden de Very Big Carla Bley Band, The African Jazz Pioneers en de Dirty Dozen Brass band zich met imposante concerten in de Jan Steenzaal. Hoewel de achttien-koppige Very Big Carla Bley Band slechts een van de vele projecten van de pianiste is, presenteerde ze een tot in de kleinste details ingespeeld orkest, dat zich met verve inzette voor haar muziek. Bley schrijft uiterst merkwaardige muziek, waar de weemoed en melancholie van afdruipen. De grens van de kitsch nadert ze echter zelden.

In haar Very Big Band beschikt Bley over musici van topformaat. Trompettist Lew Soloff schitterde meer dan eens, maar werd in het hoog een enkele keer overtroffen door de Zuidafrikaan Claude Deppa. Bij de trombones was Gary Valente onverslaanbaar. In de rietsectie won tenorsaxofonist Andy Sheppard op punten van altist Wolfgang Puschnig. Dat de musici daarbij geen moment de door Bley uitgezette koers uit het oog verloren, pleit voor hun kunnen.

Spelplezier

Het optreden van The African Jazz Pioneers kenmerkte zich door het enorme spelplezier van de dertien leden. Technisch klonk het nogal eens gebrekkig, maar de muziek werd met zoveel overtuiging gebracht, dat dat geen enkel bezwaar was. Wellicht komt dat door de samenstelling, met zowel hele oude als piepjonge musici. Men hoeft niet zo nodig, zolang de Afrikaanse ritmes en de typische gitaarrifjes maar lekker samenklinken met de onvervalste jazzsolo's van de blazers.

De instelling van de Dirty Dozen Brass Band is vergelijkbaar met die van The African Jazz Pioneers. Uitgangspunt is de traditie van de 'marching bands', waarmee in New Orleans begrafenissen feestelijk worden begeleid.

Vooral de kostelijke baspartijen van de sousafonist gaven de muziek een fantastische basis, die niemand onberoerd liet.

Van de vele grote saxofonisten op het festival stelde Gary Thomas vrijdag teleur met een traditioneel getint concert. Op zijn technische beheersing viel weinig af te dingen, maar verder klonk het slap. Een dag later revancheerde hij zich ruimschoots met een ferme toon bij Gabrielle Goodman.

Joe Henderson, vorig jaar door de Amerikaanse vakpers uitgeroepen tot beste jazzmusicus en beste tenorsaxofonist, liet zich zaterdag in de PWA-zaal niet van de wijs brengen door een vervelende griep. Hij deed het wat kalmer aan dan gewoonlijk en gaf bassist Dave Holland en drummer Al Foster veel ruimte, maar in zijn eigen solo's klonk toch een blazer door met een prachtige, volle en soepele toonvorming.

Zonder de voorbeeldige prestaties van Henderson af te vallen, ging mijn voorkeur dezelfde avond uit naar het fantasievolle spel van een andere saxofonist, wiens ster al enige tijd rijzende is: Joe Lovano. In het Tuinpaviljoen imponeerde Lovano in het kwartet van gitarist John Scofield met een zeldzaam mooi geluid. Veelzijdigheid is Lovano's troef. De grillige thema's speelde hij knap unisono mee met de gitarist en in zijn solo's verkende hij het volle bereik van zijn saxofoon.

Eerder die avond volgde tenorsaxofonist Ernie Watts op handige wijze het spel van zijn leider in Charlie Hadens Quartet West. Haden speelde lange tijd met Carla Bley. Met haar deelt hij het maatschappelijk engagement en een voorkeur voor eenvoud. Zijn melodieen zijn zo na te neurien, en hoewel Haden over een 'gouden' sound beschikt, stelt hij zich als solist bescheiden op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden