GROOTMEESTERS DENKEN ECHT Een andere kijk op het fruitvliegje van de psychologie

Geef hem tien tellen om te kijken en de topschaker weet precies waar alle stukken zijn geposteerd. Wie is zijn secondant daarbij: een immens geheugen of een diep inzicht in de partijstand? Het eerste, hielden de psychologen tot nu toe vol. Een grootmeester doet de juiste greep uit een enorme opslagplaats met kleine stellingskenmerken. Maar nu beginnen ze te vermoeden, dat ook denken de schaker helpt.

MARTIN VAN DER LAAN

Hans Bohm demonstreerde het ooit onder toezicht van Max Euwe toen hij nog niet zo lang uit de korte broek was: de blinddoek ging af en hij mocht enkele seconden naar een schaakstelling kijken, waarna hij de blinddoek weer voor kreeg. Of hij die stelling even uit het blote hoofd op het bord kon zetten. Daar slaagde hij feilloos in, maar van een voor schakers volstrekt onwaarschijnlijke stelling bakte Bohm helemaal niets. Zo'n dwaze stelling liet zijn geheugen niet toe, waarop de schaker verontwaardigd de stukken van het bord veegde.

Over welke begaafdheid beschikken mensen die in enkele seconden een complexe stelling in zich kunnen opnemen? Gaat het om een immens geheugen, of meer om een handigheidje bij het wegstoppen van zo'n stelling in het geheugen? Sinds A. D. de Groot in 1946 zijn beroemde verhandeling Het denken van den schaker schreef, pijnigden velen de hersenen over deze bijzondere eigenschap. Zovelen, dat iemand eens opmerkte dat je het schaakspel kunt beschouwen als de fruitvlieg van de psychologie.

Drosophila dook onlangs weer op in The American Journal of Psychology, waarin onderzoekers van de Rice University een nieuwe verklaring geven voor de intrigerende vaardigheid van briljante schakers om een schaakstelling in een oogopslag in hun hoofd vast te leggen.

De tot nu toe gangbare verklaring is gebaseerd op analyses van De Groot en zijn navolgers, die aantoonden dat sterke schakers niet alleen de stelling onthouden, maar vaak ook vrijwel onmiddellijk de juiste voortzetting ervan kunnen aangeven. Dat kwam volgens De Groot niet omdat zij zoveel zetten verder vooruitkijken. Het lijkt er meer op dat al die stellingen al in hun hoofd zitten, plus de zetten die er in tal van partijen op volgden.

De psychologen W. G. Chase en H .A. Simon werkten dat model in de jaren zeventig verder uit. Het is volgens hen inderdaad geen hogere schaakkunde die de cracks in staat stelt om ingewikkelde stellingen razendsnel te ontleden en nog te onthouden ook. Het zou eerder gaan om het vermogen, in een complexe stelling een reeks van bekende configuraties te ontdekken van maar een paar schaakstukken.

In enkele seconden hakt de meester een positie in voor hem vertrouwde plukjes van twee tot drie stukken, waar hij voor zichzelf al lang geleden een etiket aan had gehangen. Bijvoorbeeld: label X voor de zwarte koning op g8, zwarte loper op g7 en zwart paard op f6. Dat trio is hij daar al zo vaak tegengekomen. En het kwartet Y van de witte koning op g1 en toren op f1, met pionnen op g2 en h2, kan hij ook wel dromen. Op die manier zouden de toppers in hun lange-termijngeheugen mogelijk meer dan 50 000 van zulke vertrouwde configuraties opbouwen.

Zo ongeveer moet het dus werken, meenden Chase en Simon: in luttele seconden herkennen meesters in een stelling een aantal duo's en trio's en slaan ze de etiketten daarvan op in het korte-termijngeheugen. Bij het reproduceren vissen ze uit het bestand in hun langetermijngeheugen de groepjes van stukken die corresponderen met de labels in het kortetermijngeheugen. Geen wonder dat grootmeesters geen onzinnige stelling kunnen onthouden: in zo'n ongeregeld zooitje ontbreken immers herkenbare fragmenten.

Bohm en consorten hoeven de stelling bij de eerste bliksemkennismaking dus niet te doorgronden, maar bouwen een puzzel op uit bekende brokstukken. Een beginner, kluns in het schaken maar wel met Bohms bestand in zijn geheugen, zou wellicht hetzelfde presteren. Het is een kwestie van je ogen de kost geven en zoeken in je magazijn: hogere, abstracte schaakkennis is niet vereist.

Twintig jaar na de analyse van Chase en Simon concluderen de onderzoekers van Rice University dat hogere kennis wel degelijk een rol speelt. Schakers die voordat de stelling op een computerscherm oplichtte een korte karakterschets ervan onder ogen kregen, zetten de schaakstukken daarna accurater op de juiste plaats. Een globale leidraad lijkt herkenning te vergemakkelijken, inclusief minder opvallende details. Eenzelfde mechanisme zou het volgens psychologen ook eenvoudiger maken om ingewikkelde verhalen vast te houden.

Zes schakers met een rating varierend van 1 900 tot 2 300 (van betere clubschaker tot hoofdklasseschaker) leverden het bewijs. Zij kregen elk twaalf stellingen op een scherm voorgeschoteld, maar dan wel in fragmenten. In elk fragment verschenen enkele over het bord verspreide stukken in beeld. Diagrammen zoals die hiernaast: de positie van de vijftien witte en vijftien zwarte stukken is opgebouwd uit drie deelstellingen van vijf witte en vijf zwarte stukken. De gehele stelling kregen ze de proefpersonen niet voor ogen, waardoor ze nauwelijks meer in staat waren om de vertrouwde configuraties uit de theorie van Chase en Simon te herkennen.

Van zes stellingen werd een korte karakteristiek gegeven voordat de fragmenten op het scherm oplichtten, bij de zes andere stellingen verscheen die evaluatie pas achteraf. Zo'n mini-analyse bestond uit enkele opmerkingen, zoals: wit rokeerde lang, zwart korte rokade, wit neemt zwarte koningsvleugel onder vuur, zwart knaagt aan damevleugel van wit. De deelnemers kregen twintig seconden om de beoordeling op zich te laten inwerken.

De schakers reconstrueerden 85,3 procent van de posities juist als ze voor het verschijnen van het diagram een korte analyse kregen. Van de schaakstukken posteerden ze 77,8 procent op de goede plek als de theoretische hint pas achteraf kwam. Globaal inzicht in de stelling lijkt dus toch van pas te komen.

Maar dit experiment was niet helemaal in de haak. Werd de evaluatie vooraf gegeven, dan moesten de schakers na het oplichten van de stelling twintig seconden wachten voor zij het diagram mochten opzetten. In die tijd lazen de andere schakers immers de achteraf-analyse. Zodoende kregen eerstgenoemde schakers twintig seconden 'stille tijd' om de stukken voor zichzelf nog even te repeteren.

Een volgend experiment onderving deze onvolkomenheid, door de hersenen van de schakers in die twintig seconden bezig te houden: ze moesten een getal van drie cijfers aftellen met stappen van drie of vier gelijk. Repeteren van een diagram is er dan niet bij. Wederom scoorden de figuranten beter met een beschrijving vooraf (83,6 procent) dan bij de analyse achteraf (75,7 procent). Kennelijk stelt een kleine theoretische aanwijzing de blik scherp voor specifieke kenmerken van een stelling.

En door er zelf zo'n minimale karakteristiek van te maken, onthouden de experts een complete stelling beter, suggereren de psychologen. Waar Chase en Simon meenden dat de grootmeesters 'naampjes' voor de configuraties van stukken in hun korte-termijngeheugen opslaan, nemen ze op Rice University nu aan dat goede schakers juist globale karakteristieken van een positie in dat geheugen opbergen. Geen namen voor plaatjes, maar voor abstracties.

Op die manier biedt het beperkte kortetermijngeheugen ook voldoende ruimte om meer stellingen tegelijk te herbergen. Ook daarvoor leveren de onderzoekers het bewijs in The American Journal of Psychology. IJzersterke, goede, matige en beginnende schakers kregen achtereenvolgens een, drie, vijf zeven en negen stellingen voorgeschoteld. In het laatste geval dienden de proefpersonen de plaats van ruim tweehonderd stukken te onthouden, wat ook van Kasparov teveel gevraagd zou zijn. Toch brachten de schakers met de hoogste rating het er zelfs bij zeven en negen stellingen op rij nog aardig vanaf.

Dat wil zeggen: ze scoorden beduidend hoger dan schakers die volkomen willekeurig naar de juiste plek van een stuk zouden raden. Dat ook die controlegroep uit schakers bestaat is niet onbelangrijk, want als schakers gokken is niet volkomen nattevingerwerk. De Groot toonde al aan dat een ervaren speler in een ongeziene stelling met pakweg 28 stukken op het bord een goede kans heeft om een aantal daarvan op de goede plek te zetten. Blind! In een rustige middenspelpositie staan de koningen maar al te vaak op g1 en g8, torens op a1 en a8 enzovoorts.

Zoals gezegd, de toppers overtroffen in alle experimenten de score van een pure gok, terwijl de mindere goden en beginners daar zelfs ruim op achterbleven. De schakers met hoge ratings plaatsten bij een oplopend aantal stellingen (vijf, zeven en negen) logischerwijs ook een groter aantal stukken op de goede plaats, maar zwakke broeders begonnen meer en meer te schutteren. Bij vijf stellingen hadden ze zelfs in totaal meer stukken goed dan bij zeven en negen. Waarschijnlijk werden ze gek van zoveel poppetjes.

Nog een bewijs ontbrak. Als dit formidabele vermogen niet louter een kwestie is van waarnemen en zoeken in het geheugen maar ook van 'denken over' de stelling, dan moeten grootmeesters bij de reconstructie af en toe een denkfout maken en beginners alleen waarnemingsmissers.

Ter beoordeling werden fouten uit het vorige experiment voorgelegd aan twee 'scheidsrechters': goede schakers uiteraard! Beginners konden zij nimmer op denkfouten betrappen. De meeste missers van de topschakers waren volgens de rechters ook te wijten aan foutieve waarneming, maar vijftien keer werd de diagnose 'beoordelingsfout' gesteld. Grootmeesters denken dus echt, en denken dan ook wel eens mis.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden