Groot was Goethe, maar ook klein

Het instituut Goethe herbezien door Rob Schouten

Toen Menno Wigman en ik in 2007 een bloemlezing uitbrachten, 'A Thing of Beauty', waarin we gedichten opnamen met gevleugelde regels erin, kwamen we erachter dat Johann Wolfgang von Goethe grootleverancier van het genre was. Met liefst negen bijdragen overvleugelde hij de gedeelde nummers twee, Homerus, Horatius en Heinrich Heine, ieder goed voor drie evergreens. En dan hadden we alleen nog maar naar zijn poëzie gekeken! 'Auf Flügeln des Gesanges' 'Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt', 'Das ewig weibliche zieht uns hinan', zelfs in Nederland citeert menigeen het te pas en te onpas. Zo ook in Duitsland: iedereen, tot op de laagste trap van de maatschappij, kent wel een regel van Goethe. Hij is de literaire god van Duitsland en niet voor niets zijn de culturele ambassades van Duitsland in het buitenland naar hem genoemd: Goethe-instituut.

Inderdaad, Goethe is een instituut. De klassieke, voorbeeldige schrijver bij uitstek, inspiratiebron voor alle andere groten, zoals Franz Kafka en Thomas Mann, onomstreden. Mij heeft die nimbus van volmaaktheid altijd wat geërgerd, al voel ik wel dat dat niet hoort: alsof je Bach en Rembrandt van hun sokkels haalt. Maar niettemin, ik houd niet erg van Goethe, juist vanwege zijn goddelijkheid. Niet dat ik zijn werk onderschat, al kun je daar ook best commentaar op hebben; de Engels-Franse geleerde Denis Saurat bijvoorbeeld beweerde tussen neus en lippen door dat Goethe de gehele Duitse romankunst bedorven zou hebben, en onze eigen Simon Vestdijk had het over de 'mislukking van de romans van iemand die waarlijk over de gehele linie wel bewezen had proza te kunnen schrijven.' Misschien moet je uit het buitenland komen om zoiets lelijks over Goethe te durven beweren.

Toen hij in zijn jeugdjaren 'Die Leiden des jungen Werthers' schreef, was Goethe nog een romantische jongeman. Met de smachtende Werther en zijn vergeefse liefde raakte hij direct een snaar onder zijn generatiegenoten. Er volgde na de literaire zelfmoord van Werther een ware zelfmoordgolf onder Duitse jongeren. Het was reden voor Goethe om later afstand van het boek te nemen als van een jeugdzonde. Iets wat je trouwens wel vaker ziet in de romantiek: schrijvers die hun vroege werk verloochenden - Rimbaud die er niet meer naar omkeek en naar Afrika vertrok om wapenhandelaar te worden, Lautréamont die zijn fantastische en surrealistische 'Les chants de Maldoror' later zou verwerpen en overstappen op klassieke poëzie, onze eigen Nicolaas Beets, eerst ironicus, later braaf domineesdichter. Romantische impulsen als valse starts die je maar het best kunt vergeten.

Ik vind het jammer, Goethe had wat mij betreft wat meer puberteit kunnen bewaren. Maar nee, ook Goethe werd na zijn romantische start de klassieke auteur bij uitstek, evenwichtig, overzichtelijk, welgevormd. Zelfs in zijn pikante momenten is hij beheerst. Hier het erotische portret van een net burgermeisje, dat ik ooit vertaalde: 'De dijen sierlijk tegen elkaar aan, gebiedt de vader, / kinderlijk drupt het liefelijke deel op het tapijt. / Ach, wie je ooit het eerst bemint, die vindt de bloezeming / alreeds gevloden, handarbeid nam haar voortijdig weg.' Aldus de erotische Goethe over de vrouwelijke masturbatie. Keurig smeuiig.

Ik betreur het dus dat Goethe zijn romantische kleed zo snel heeft afgeworpen en het goddelijk-klassieke heeft aangetrokken. Zelfs zijn versie van 'Faust', toch wel zijn absolute meesterwerk en in de nu in vijfde herdruk verschenenen vertaling van Ard Posthuma niet te versmaden, ergert me enigszins omdat Goethe in tegenstelling tot al die andere auteurs Faust niet ter helle laat varen maar hem gewoon van ouderdom laat sterven, door de voorspraak van de al eveneens bijna heilig geworden Gretchen in de hemel. Alsof de schrijver zelf op de troon van God is gaan zitten om op eigen houtje het historische oordeel over de gevallen geleerde even te herzien.

Intussen wél lezen, die 'modernere' Faust waar de gemiddelde Duitser geen weet van heeft omdat die op school natuurlijk de oorspronkelijke versie moet blijven lezen. Aan mij zijn Posthuma's scheutjes hedendaags taalgebruik wel besteed: in plaats van Van Suchtelens (een eerdere vertaler) 'Het eerlijk wezen zij u doel' Posthuma's 'Toeters en bellen zijn hier overbodig'. En niet langer ''t Turkenrijk' maar 'Verweggistan'. Maar ik sluit niet uit dat ik juist die alledaagsere Goethe het liefste heb, met de lauwerkrans afgezet.

Ook het verhaal rond het beroemdste portret van Goethe, dat van de schilder Johann Heinrich Wilhelm Tischbein, bevalt me niet erg. Iedereen kent het schilderij: een levensgrote Goethe met breedomrande hoed superieur peinzend in een klassiek landschap. Het is wel duidelijk dat Tischbein de schrijver, met wie hij op dat moment zijn 'Italienische Reise' onderneemt, enorm vereert. Maar de vriendschap zal geen stand houden, omdat Goethe vindt dat zijn reisgenoot niet voldoende aan de kunst toegewijd zou zijn. Wat een hooghartigheid! De arme Tischbein voelt zich vernederd en zal in zijn latere leven nooit meer aan zijn Goethe-schilderij refereren. Weg ermee!

Goethe, de man die zich erop beroemde dat hij met zijn superieure smaak en verstand toch ook de volksgeest zo fijn aanvoelde, had de neiging om mensen die hem om een of andere reden niet helemaal bevielen op hun plaats te zetten - alsof hij met zijn grote geest de kleinheid om hem heen niet goed kon verdragen. Het onverdraaglijkst is natuurlijk de manier waarop hij Franz Schubert, de componist die Goethe's liederen zoals 'Erlkönig' en 'Gretchen am Spinnrad' op ongeëvenaarde wijze heeft getoonzet, behandelde, of liever gezegd niet behandelde.

Dat Rudiger Safranski in zijn befaamde biografie 'Goethe, Kunstwerk van het leven', Schubert maar helemaal niet noemt zegt genoeg. Voor Goethe bestond de arme componist niet. Op een schriftelijk verzoek van Schuberts vrienden om Schuberts werk aan hem te mogen opdragen reageerde hij niet eens. In de uitgebreide correspondentie met Goethe's favoriete componist, de matige Carl Zelter, die anders dan Schubert zo eenvoudig schreef dat Goethe's teksten lekker overeind bleven, valt de naam van Schubert niet één keer.

Ziedaar de onverdiende miskenning van de geniale maar bescheiden componist Schubert door de gevierde schrijver Goethe. Groot was hij zeker, maar ook klein.

Johann Wolfgang von Goethe: Faust Vert. Ard Posthuma. Nawoord: Ilja Leonard Pfeijffer Athenaeum; 504 blz. euro 19,99

Goethe geschilderd door Tischbein

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden