Groot respect voor Oude Kerk

Om de aandacht te vestigen op het belang van goede architectuur, organiseert Trouw de verkiezing van het mooiste gebouw van Nederland. Ook u kunt meedoen. Twintig bekende Nederlanders geven vast hun favorieten. Aflevering 3: Margreeth de Boer.

Ze is al bijna tien jaar geen minister van Vrom meer, maar architectuur en stedenbouw nemen nog steeds een grote plek in in haar leven. Margreeth de Boer (67) steekt haar enthousiasme over goede gebouwen en haar afkeer van slechte gebouwen niet onder stoelen of banken. Het Amsterdamse Java-eiland, een project van architect Sjoerd Soeters, looft ze vanwege de geborgenheid die hij er, ondanks de massale bebouwing, wist op te roepen; het gebouw van het ministerie van buitenlandse zaken, de zogenaamde apenrots, vindt ze ’hard, onvriendelijk, unheimisch’. „Gek hé, dat gebouw vond ik vroeger schitterend. En nu denk ik: wat teleurstellend. Het heeft de tand des tijds niet doorstaan. Althans volgens mij. Maar misschien vinden we het over vijftig jaar weer mooi.”

De Boer kreeg haar interesse voor gebouwen van thuis mee. „Niet dat we zelf bijzonder gehuisvest waren, we woonden in een Amsterdamse volkswijk. Aan de andere kant van de wijk waren de lanen met grote huizen. Daar speelde ik vaak als kind, ik had er vriendinnetjes wonen. Het was bij hen heel anders dan in onze tweeënhalve kamerwoning. Dat verschil was duidelijk zichtbaar voor een kind. Maar ik was er niet ongelukkig door, hoor. Op zondag ging ik vaak met mijn ouders wandelen in Zuid. Tussen de Lairessestraat en de Boerenwetering stonden prachtige huizen van rond 1920, die ik nog mooier vond dan de Amsterdamse School. Die bewonderden we dan. Kinderen vinden huizen interessant. Kijk maar naar kindertekeningen. Goede stedenbouw is belangrijk voor opgroeiende kinderen.”

Als gedeputeerde van ruimtelijke ordening in Noord-Holland en als minister van Vrom hield de Boer zich voornamelijk bezig met de grote lijnen van de ruimtelijke inrichting van Nederland. Ze bepaalde wel dat er gebouwd werd, maar niet hoe. Op dat laatste had ze meer invloed als voorzitter van Architectuur Lokaal, de organisatie die gemeenten adviseert bij het geven van opdrachten voor stedenbouwkundige projecten. Ook die periode is inmiddels achter de rug. De laatste keer dat zij met woningbouw in aanraking kwam, was toen ze voorzitter was van de onderzoekscommissie die de gang van zaken rond de slechte constructie van een wooncomplex aan het Bos en Lommerplein in Amsterdam onderzocht.

De uitkomst van dat onderzoek sterkt haar in haar mening dat gemeenten het opdrachtgeverschap bij bouwprojecten serieuzer moeten nemen. De Boer: „Vaak gooien gemeenten een bouwopdracht over de schutting bij een adviesbureau en bemoeien ze zich er daarna te weinig mee. Op die manier bouwen ze geen ervaring op met het bouwproces. Je ziet tegenwoordig vaak dat de architect alleen het esthetische deel van een ontwerp voor zijn rekening neemt. Voor de constructie worden constructiebureaus ingeschakeld. Dan komen er wel vijftig aannemers en onderaannemers werken. En al die partijen onderhandelen met elkaar over een betere prijs, tot de betonvlechter aan toe. Aan het einde van het traject is de afstand tot de opdrachtgever zo groot dat niemand het hele project overziet.”

Onveilige situaties zoals bij het Bos en Lommerplein komen tegenwoordig regelmatig voor. Daken die instorten onder het gewicht van sneeuw, gevelplaten die plotseling loslaten, neerstortende balkons in Maastricht en zelfs een ingestorte toneeltoren van de schouwburg in Hoorn. Het is een wonder dat er nog geen ongelukken zijn gevallen, zegt De Boer. „In vijf jaar tijd hadden we tien van dit soort incidenten. Ik vind het onbegrijpelijk dat daar in de bouwwereld zo weinig over gediscussieerd wordt. Je zou toch eerder denken dat dit soort dingen alleen in ontwikkelingslanden voor zouden komen. Zou de bouwwereld zich niet moeten schamen?”

Het gaat gelukkig ook vaak wel goed. De Boer toont foto’s van een Brede School in de Utrechtse nieuwbouwwijk Leidsche Rijn, waar het schoolgebouw zich rond een paar oude, achtergebleven fabrieksschoorstenen heeft gevlijd. Die heeft de architect behouden om een link te leggen naar het verleden van het terrein. De school straalt ruimte en geborgenheid uit, voor kinderen heel belangrijk.

Bij haar keuze voor drie favoriete gebouwen valt op dat ze veel waarde hecht aan de houdbaarheid van het gebouw. En dan doelt ze niet alleen op de bouwtechnische kwaliteit, maar ook op de houdbaarheid van het ontwerp. Een gebouw is pas goed als het generaties lang gewaardeerd blijft, en niet zoals de apenrots na twee decennia door de mand valt. Zo kwam ze uit bij een gebouw, dat zichzelf heeft bewezen: de Oude Kerk in Amsterdam. „De ruimte binnen is zo mooi! Dat blijft een schitterend gebouw, door alle eeuwen heen. Ik heb groot respect voor een gebouw dat al vanaf de vijftiende eeuw toonaangevend is.”

Haar tweede keus is heel anders: het Groninger Museum. Het kleurrijke, met mozaïek bedekte gebouw van architect Alessandro Mendini vindt ze een feest in die statige omgeving. „Als je daar loopt en je ziet opeens het gebouw, is het alsof de zon opgaat,” zegt ze. „Dit wordt nooit gedateerd. Daar geloof ik niets van.” De inrichting van het museum vindt ze subliem. „Ook de oude collectie van het museum – de klederdracht, de kussenkasten en schalen – moest er een plek krijgen. Dat is heel mooi gelukt. Die wat saaie, oude kasten hebben ze aangekleed met vitrage eromheen. Dat ziet er zo bijzonder uit dat de kasten je vanzelf gaan opvallen. Het zilverwerk – dat vind ik gewoonlijk oninteressant – is zo mooi en respectvol in vitrines neergezet en belicht, dat ik dat suffe gedoe toch ga bekijken. Die hele moderne omgeving nodigt uit om goed te kijken.”

Ze heeft ook veel bewondering voor het stadhuis van Den Haag van Richard Meier, een heel toegankelijk gebouw. Maar daar is ook een probleem. Het is zo groot, licht en opvallend dat het de omgeving te veel domineert. „Met als gevolg dat de buurt er grauw van wordt. Het voegt zich niet, de straat en de winkels daar worden weggedrukt. Daarom vind ik het toch geen plek in mijn topdrie waardig.”

Die plek reserveert ze voor het Lloyd Hotel in Amsterdam, een gebouw dat nu aan zijn derde bestemming toe is. De Boer: „Oorspronkelijk werden hier de Oost-Europese landverhuizers ontluisd, voor ze op de boot gingen naar de Verenigde Staten. Later werd het een gevangenis voor jongens. Nu is het een hotel. Het is een heel degelijk gebouw. Het hoefde niet mooi te zijn, en daarom is het vrij sober en zeker niet lieflijk, maar het is een geweldige macht daar vlakbij dat brede water.”

Lelijke plekken zijn er ook genoeg in Nederland, vooral in de buurt van treinstations, is De Boer opgevallen. „Als je met de trein een stad inrijdt, kun je goed zien hoe er voorheen werd gerotzooid met de ruimte. In Hilversum staat het nieuwe Instituut voor Beeld en Geluid vlakbij veel niksigheid. Laat het instituut staan en sloop de rommel eromheen, zou ik zeggen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden