Groninger Museum lijdt aan effectbejag Pizzeria en bordeel kleuren het museale interieur

GRONINGEN - Eigenzinnig, gedurfd, maar ook modieus en nu al gedateerd, die termen maken het gloednieuwe Groninger Museum tot een danig spraakmakend gebouw waarvan er in dit land niet zo veel van zijn.

De pseudo-humoristische opvattingen die Mendini met een overdreven uiting van effectbejag lanceert, maken van het Groninger Museum een architectonische grap die binnen de kortste keren tot een mop met een lange baard zal zijn uitgegroeid. Grappigheid kan immers knap vervelen als je het lang genoeg moet aanhoren. Niettemin kan er over het Groninger museumcomplex geen eenduidige mening worden gegeven. Het samenspel dat Mendini met gastarchitecten Michele De Lucchi en Coop Himmelb(l)au en gast-inrichter Philippe Starck speelde, zorgt ook voor enkele intrigerende momenten die goed zijn om in de klassieke architectuurwerken te worden opgenomen.

Verbindingskanaal

Als koningin Beatrix vandaag het gebouw opent, dan zal ze in ieder geval haar ogen kunnen uitkijken. Want behalve dat het gebouw volgezet is met een aantal welverzorgde kunstcollecties, is de architectuur van het interieur op een aantal punten het bezoek meer dan waard. Het ligt aan de plek waar het museum is gesitueerd dat het veel weg heeft van een schip. Middenin het water van het Verbindingskanaal, dat de oude stad van het nieuwe deel scheidt, lijkt het museum op een zojuist afgemeerde boot en tegelijk heeft het ook iets van een brug. Dwars over het grondoppervlak van het museum loopt een openbare traverse voor fietsers en voetgangers, die hier een verkorte route van spoorwegstation naar de binnenstad kunnen nemen. Ze rijden of lopen dan vlak langs het centrale deel van het museum. Hier staat het meest markante onderdeel van het museum, een met een gouden huid beklede depottoren, die door zijn stevige hoogte en een bekroning van vier Memphis-torentjes tevens een bijdrage aan de Groninger skyline wil geven. Hoofdarchitect Alessandro Mendini wilde bewust een centrale plek aan de depotruimten geven. Voor hem is het magazijn 'de schatkamer van het artistieke vermogen', een plaats die met goud gekleurd mag worden.

De depottoren vormt het scharnierpunt voor de aan de oost- en westzijde gelegen paviljoens die door verschillende ontwerpers zijn bedacht. Zo trok Mendini voor de westvleugel, waarin de collecties stadshistorie, archeologie en oosterse keramiek worden gecombineerd, zijn bekende Milanese stadgenoot Michele de Lucchi aan. Onder verwijzing naar de geschiedenis van het stadsbouwen in Groningen koos De Lucchi baksteen om er een reusachtige vierkante sokkel van te maken. Daar boven op staat een in aluminium uitgevoerde trommel waarin uitgedrukte balustervazen aangeven dat hier porselein en aardewerk wordt getoond. Aan de andere zijde van de depottoren rijst uit het water een paviljoen op dat Mendini eveneens als een scheepsboeg dacht. Alleen koos hij hier voor een huid die niet aan scheepstechniek maar aan de schilderkunst refereert. Een enorm uitvergroot motief van een pointillistisch schilderij, dat ook enkele keren in het interieur terugkeert, maakt duidelijk dat de bezoeker in dit paviljoen op schilderkunst wordt onthaald. Het paviljoen zelf is afkomstig van de tekentafel van de deconstructivistische architecten Coop Himmelb(l)au. Het vertoont het beeld van de ravage na een fikse explosie. Delen van het dak, de openstaande zijden en zelfs het interieur lijken alle kanten te zijn opgevlogen en worden alleen door een magische hand nog even bij elkaar gehouden.

Daglicht

Het Coop Himmelb(l)au-paviljoen, dat onderdak zal bieden aan de oude schilderkunst, is de enige plek in het museumcomplex waar daglicht wordt toegelaten. Overal elders werd het natuurlicht zorgvuldig weggehouden. Dat gebeurde op nadrukkelijk verzoek van museumdirecteur Frans Haks, die vindt dat het tonen van kunst een strak geregisseerde presentatie nodig heeft, wat met het grillige verloop van daglicht niet mogelijk is. Haks heeft trouwens op menig onderdeel in dit gebouw zijn stempel gezet, het is evenzeer zijn ontwerp als van de Italiaan Mendini. Dat daarmee een aantal inmiddels achterhaalde, zo niet gedateerde standpunten over museumbouw in het ontwerp zijn binnengeslopen, moet dan ook grotendeels aan zijn bemoeizucht worden toegeschreven. Zo is bijvoorbeeld gekozen voor de totale uitbanning van de kleur wit in de expositiezalen. De museale wanden zijn stuk voor stuk in modieuze pizzeria-kleurtjes gestoken, variërend van citroengeel, zuurstokroze tot bordeelrood. Zo krijgt elk getoond schilderij of object een meerwaarde die de kunst uiteindelijk niet ten goede komt. Dezelfde misvatting heerst op de afdeling stadsgeschiedenis en archeologie. Daar staan de voorwerpen in donkere kasten, slecht uitgelicht en nauwelijks of niet te bestuderen. Als bezoeker waan je je hier in zo'n obscure ondergrondse parkeergarage waar achter elke blinde gang een onverlaat loert. Het is een opvatting over museaal presenteren die in de jaren vijftig uit Duitsland kwam overwaaien - waar oude kunst als iets mysterieus en magisch werd gezien dat met een enkel lampje heel romantisch mocht worden uitgelicht - en die in Nederland allang voltooid verleden tijd is.

Zo divers als de museumonderdelen van buiten ogen, zo verschillend is ook de sfeer waarin de bezoeker rondwandelt. Het oog moet verbaasd worden, luidt de opvatting en dus volgt er een bombardement van versierinkjes en ornamentjes, van kleurtjes en motiefjes. Het leidt tot grootscheeps effectbejag van het soort waarvan in Nederland nog geen gelijke bestaat. Op dat punt heeft Haks zeker een spraakmakend museum te bieden, feit is evenwel dat het hier om een modeverschijnsel gaat dat snel zal overwaaien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden