grondwetdiscussie / Worden gelovigen voorgetrokken?

Worden gelovigen in onze rechtspraak voorgetrokken? Minister Nicolaï (VVD) en andere vrijzinnige denkers vinden van wel en willen daarom de vrijheid van meningsuiting boven de vrijheid van godsdienst en het non-discriminatiebeginsel stellen. Klopt hun stelling?

Dominees en imams die openlijk homo’s beledigen, maar omgekeerd het niet accepteren dat popzangeres Madonna zich in een act aan het kruis laat ’nagelen’. Sinds de godsdienst weer een nadrukkelijker plaats opeist in het openbare domein, klinkt steeds vaker de roep de speciale positie van gelovigen in ons rechtssysteem op te heffen. Waarom mogen zij wel homo’s beledigen, maar niet zelf ’christenhonden’ of ’geitenneukers’ genoemd worden?

Maar is de positie van joden, christenen, moslims en andere gelovigen werkelijk anders? Wie er met een praktische blik naar kijkt, zegt dat het met het voortrekken van gelovigen wel meevalt in Nederland. Rechters zijn er terughoudend in. Maar wie principieel is, ergert zich aan de wettelijke voortrekkerij.

Artikel 6 van de Grondwet behelst de vrijheid van godsdienst, waarop gelovigen zich kunnen beroepen als ze bijvoorbeeld homo’s beledigen. Het Wetboek van Strafrecht kent twee artikelen die gelovigen nadrukkelijk beschermen tegen beledigingen en godslasteringen. Zeker artikel 147 uit het Wetboek van Strafrecht, dat ’smalende’ godslastering strafbaar stelt, is een bron van ergernis onder principiëlen.

Petrus van Duyne, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Tilburg, is duidelijk: „De vrijheid van meningsuiting is belangrijker dan de kwetsbaarheid van godsdienstige gevoelens. Zeker nu, omdat de gevoeligheid duidelijk toeneemt en de mate van vrijheid afneemt. Vroeger kon je de paus op de hak nemen, daar moet je nu mee uitkijken. Gelukkig gaan rechters er verstandig mee om en heeft de zelfcensuur nog geen weerslag in de rechtspraak. Maar toch zeg ik: weg met dat artikel tegen godslastering. En zet de vrijheid van meningsuiting bovenaan.”

Ook filosoof en socioloog Bas van Stokkum van de Nijmeegse Radbouduniversiteit zet de vrijheid van meningsuiting bovenaan. Het anti-godslasteringswetje hoort eigenlijk niet thuis in onze van de kerk gescheiden staat, vindt hij.

Toch pleitte Van Stokkum, die voor het ministerie van justitie een onderzoek deed naar het verruimen van strafmaatregelen tegen belediging en godslastering, in zijn onderzoek om praktische redenen voor behoud van het wetje. Van Stokkum: „Het wetje heeft ook een symbolische functie. Het wijst burgers op onze normen en waarden. Bovendien hebben we gezien welke discussies afschaffing van een soortgelijk artikel in Engeland teweegbracht. Zaken die met de vrijheid van meningsuiting te maken hebben, worden bijna op leven en dood bevochten. Die maatschappelijke spanning moet je niet willen.”

Tegenover de levendige discussies over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst staat een uiterst terughoudende praktijk. Hoogst zelden wordt iemand voor de rechter gesleept omdat hij gelovigen heeft beledigd of omdat hij met een beroep op zijn geloof anderen heeft beledigd. Maar als ze voorkomen, trekken ze onverwacht veel aandacht, stelt rechtwetenschapper Aernout Nieuwenhuis. De namen van het echtpaar Goeree, de Rotterdamse imam El-Moumni en RPF-fractievoorzitter Leen van Dijke zijn voor veel mensen voor altijd verbonden aan zware beledigingen die niet door de beugel konden.

Nieuwenhuis kent vier zaken waarbij gelovigen werden aangeklaagd omdat ze met een beroep op hun geloofsovertuiging anderen beledigden. Het echtpaar Goeree, dat in 1987 in huis-aan-huis verspreide brochures stelde dat de joden de Holocaust aan zichzelf te wijten hadden, werd als enige veroordeeld. De Hoge Raad stelde nadrukkelijk dat geloof geen vrijbrief was om anderen te beledigen of te schaden.

Maar Leen van Dijke, fractievoorzitter van de RPF, de Rotterdamse imam El-Moumni en een onbekende dominee, die alle drie homo’s beledigden door homoseksualiteit ziekelijk en slecht te noemen, werden vrijgesproken. Nieuwenhuis vindt de zaak-Van Dijke het interessantst voor de discussie.

Nieuwenhuis: „Van Dijke had in een interview in De Nieuwe Revu desgevraagd uiteengezet dat volgens zijn geloof een homoseksueel niet beter is dan een dief. Het Gerechtshof had Van Dijke al vrijgesproken omdat de beledigende uitspraak niet grievend was bedoeld en omdat de context, een uiteenzetting van zijn geloofsovertuiging, een dergelijke uitspraak aanvaardbaar maakte. Dat zou erop wijzen dat iemand met een geloofsovertuiging extra vrijheden heeft.”

„Maar de Hoge Raad voegde daaraan toe dat de uitspraak ook toegestaan was omdat het een bijdrage was aan het maatschappelijk debat. En dat wijst erop dat iedereen een dergelijke uitspraak mag doen, mits het in een politiek of maatschappelijk debat gebeurt.”

Geen voortrekkerij van gelovigen in de praktijk dus. Maar die conclusie is ook weer te snel getrokken, meent Nieuwenhuis. „Jammer genoeg is deze uitspraak niet ondubbelzinnig, want wat is een maatschappelijk debat precies? Lagere rechters zijn niet eensgezind in hun interpretatie ervan. Helemaal onzinnig is het verwijt van voortrekken van gelovigen dus niet.”

De andere kant van de medaille is dat je mensen niet op grond van hun geloof mag beledigen. Artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht stelt ’smalende’ godslastering strafbaar. Het artikel werd in de jaren dertig opgenomen (door minister van justitie Jan Donner, de grootvader van CDA-kamerlid Piet Hein Donner) om de uitspraken van communistische en anarchistische groeperingen van die tijd (’Godsdienst is opium voor het volk’) in te tomen.

Het artikel werd vrijwel nooit gebruikt. De laatste keer werd het van stal gehaald bij het proces tegen schrijver Gerard Reve, die God vergeleek met een ezel waarmee hij de liefde wilde bedrijven. Reve werd vrijgesproken, want deze uitspraak was niet aantoonbaar bedoeld als godslastering. D66 pleitte er vorig jaar voor om het artikel uit het Wetboek van Strafrecht te gooien, maar kreeg er geen meerderheid in de Kamer voor.

Dit artikel is meer een curiositeit dan dat het praktische betekenis heeft, stelt Nieuwenhuis. Van hem mag het om die reden als een museaal element in het strafrecht blijven bestaan.

Meer betekenis heeft artikel 137 c dat verbiedt groepen te beledigen op grond van ras, godsdienst, levensovertuiging, seksuele voorkeur of handicap. Dat lijkt te wijzen op extra bescherming van gelovigen, maar in de praktijk valt dat mee, laat Nieuwenhuis zien.

„Het gros van de zaken over dit artikel gaat over belediging van een ras. Ik ken maar vier vervolgingen vanwege belediging van een godsdienst. Er is een keer een dronken militair veroordeeld die iets beledigends over de islam heeft geroepen en datzelfde geldt voor de schrijvers van een pamflet waarin de islam een gezwel werd genoemd dat moest worden gestopt. Maar Theodor Holman die in een column over christenhonden had geschreven, werd vrijgesproken. Er was geen zekerheid over de opzet van de belediging en in een column heb je de vrijheid om te overdrijven. Tegen Theo van Gogh die moslims geitenneukers noemde, is zelfs nooit een proces geweest. Ook Ayaan Hirsi Ali is vrijgesproken toen ze in een interview in Trouw Mohammed een pedofiel noemde, al zei de rechter dat ze het niet te vaak moest doen. Merkwaardige toevoeging trouwens.”

Ook al worden gelovigen in de praktijk dus niet extra beschermd door artikel 137, principieel zit hier wel iets scheef, vindt Nieuwenhuis. „Ik vind het terecht dat je niet mag aanzetten tot haat of geweld tegen bepaalde groepen. Ook laster vind ik ontoelaatbaar. Moeilijker ligt het met het beledigen van groepen. Moet de vrijheid van meningsuiting wijken omdat een uitspraak kwetsend of grievend voor een bepaalde groep is? Waar ligt dan de grens? De rechter legt die bij nodig of onnodig grievend, maar dat is een volstrekt onhelder onderscheid.”

Al zou Nieuwenhuis dat begrip beledigen ingeperkt willen zien, zelf vindt hij de belemmering van de vrijheid van meningsuiting niet het grootste probleem van dit moment. „Ik zou de vrijheid om forse kritiek te hebben niet willen beperken. Maar ik zou wel willen dat mensen zich vaker zouden afvragen of die heftige kritiek noodzakelijk en nuttig is. Veel mensen zeggen nu dat er een recht op beledigen moet zijn. Je moet je realiseren dat je daar tegenwoordig geweld mee op kunt roepen.”

We leven in een tijd van lange tenen, vindt ook Van Stokkum. „Dat geldt voor moslims en bevindelijke christenen, die bijvoorbeeld demonstreren tegen Madonna’s kruisigingsact. Maar het geldt ook voor cabaretiers en de libertaire groep die zich als kampioenen van het vrije woord opstellen, zoals Leon de Winter en Afshin Ellian. Die voelen zich in hun vrijheid bedreigd en drijven dat op de spits in een symbolisch gevecht.”

Van Stokkum vindt dat de vrijheid van meningsuiting erg belangrijk is, maar het gaat ook om het ’hoe’ van de uitlating. „Ik heb niks met mensen die de leukste willen zijn ten koste van anderen. Daarnaast zie je een voortgaande ’verhuftering’ optreden, kijk maar wat er op internet op shocklogs wordt geschreven. Daar wordt uiterst terughoudend tegen opgetreden, omdat de vrijheid van meningsuiting tegenwoordig zo zwaar telt. Je kunt je dus afvragen of de vrijheid van meningsuiting niet te ver is doorgeschoten.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden