Grondwet / Raadpleeg kiezer opnieuw over Europa (opinie)

Een nieuw referendum is een uitgelezen kans om na vijftig jaar eindelijk een expliciete legitimatie voor het Europees integratieproces te verkrijgen.

Het kabinet-Balkenende IV zet in op een nieuw, aangepast Europees verdrag, en wil dat liever niet in een referendum voorleggen aan de kiezer. Een gemiste kans, want er zijn genoeg argumenten om juist wel een nieuwe volksraadpleging te houden.

Dat het CDA en de ChristenUnie niet warm lopen voor een (nieuw) referendum was bekend: het CDA is nooit voorstander geweest van het instrument en de ChristenUnie heeft actief campagne gevoerd tegen het Grondwettelijk Verdrag.

Opmerkelijker is de ommezwaai van de PvdA, want in het verkiezingsprogramma stond expliciet dat voor een nieuw verdrag een nieuw referendum nodig is. Kennelijk heeft de PvdA op dit punt water bij de wijn moeten doen. De uitkomst lijkt dan ook een typisch Nederlands poldercompromis.

Het is echter de vraag of dit het goede antwoord is op de druk van het Duitse EU-voorzitterschap en de zeventien andere lidstaten die met Duitsland de grondwet al wel hebben ondertekend. Zij vragen Nederland mee te werken aan een oplossing voor de huidige impasse die mede veroorzaakt is door het ’nee’ van de Nederlandse kiezers, en om aan te geven welke aanpassingen aan de grondwet noodzakelijk geacht worden om ratificatie te kunnen verzekeren.

De coalitiepartijen vinden het echter geen optie om simpelweg met de huidige verdragen verder te gaan. Uit de coalitieonderhandelingen zijn de bekende Nederlandse pijnpunten naar voren gekomen: het nieuwe verdrag mag in ieder geval geen grondwet heten en de bevoegdheden tussen Brussel en de hoofdsteden moeten duidelijker worden afgebakend.

Uit recente peilingen is gebleken dat de burger minder afwijzend tegenover de grondwet staat dan in 2005, maar niet goed weet waar het stuk over gaat. Een referendum is een krachtig middel om een onderwerp op de agenda te zetten, aandacht in de media te genereren en zodoende een publiek debat te stimuleren. Maar dan dienen twee randvoorwaarden, die bij het vorige referendum ontbraken, in acht te worden genomen: voldoende tijd én budget voor een werkelijk breed maatschappelijk debat.

Immers, het is geen populariteitspoll, maar het gaat hierbij om ingewikkelde onderwerpen als subsidiariteit en de discussie over hoe ’federaal’ Europa mag worden. Dit debat zou kunnen bijdragen aan het scheppen van een realistisch beeld over wat Brussel nu wel mag en kan en wat niet, en waarom het voor Nederland van levensbelang is om een actieve inbreng te hebben.

Het inzicht dat ’Europa’ Nederland geen windeieren heeft gelegd als open exportland is reeds latent bij de burger aanwezig. Diezelfde burger begrijpt ook terdege dat Europa de positie van het kleine Nederland kan versterken.

De Fortuyn-revolutie heeft echter duidelijk aangetoond hoe maatschappelijke onvrede te mobiliseren valt. Het massale ’nee’ in 2005 lijkt vooral veroorzaakt te zijn door onbehagen over verlies van de Nederlandse identiteit, uitbreiding van de EU, de introductie van de euro, veronderstelde Europese bemoeizucht en tekort aan democratische controle. Dit zijn zaken die niet of slechts zijdelings met de grondwet te maken hebben. Het ’nee’ is daarom in de eerste plaats een uiting van onvrede dat ingrijpende Europese besluiten genomen zijn, zonder enig debat met de burger.

Een nieuw referendum, waarbij de bevolking via goede voorlichting en een open en eerlijk debat wel betrokken wordt, is een uitgelezen kans om na vijftig jaar lidmaatschap eindelijk van de kiezer een expliciete legitimatie voor het Europees integratieproces te verkrijgen.

Criticasters zullen stellen dat het onzinnig is om een tweede keer een referendum te organiseren over hetzelfde thema. Sinds een nieuw verdrag een serieuze optie is, valt het nog te bezien of het onderwerp hetzelfde is. Daarnaast kan de nieuwe regering middels een nieuw referendum laten zien dat het de kiezers serieus neemt.

Op de derde plaats zullen de Nederlandse politieke partijen uit de kast moeten komen inzake Europa. Tijdens de laatste verkiezingscampagne bleef het oorverdovend stil rond dit thema.

Er is ook nog een pragmatische reden waarom de nieuwe regering zich nu al moet uitspreken over het houden van een nieuw referendum: dit kan de Nederlandse onderhandelingspositie versterken.

Door te verwijzen naar de noodzaak steun te verwerven, kan Nederland proberen concessies te bedingen in de onderhandelingen met de lidstaten die het verdrag al hebben geratificeerd. Een voorwaarde is wel dat de Nederlandse regering een duidelijk positie kiest en de onderhandelingspartners weet te overtuigen alles te doen voor ratificatie.

Het zou van visie en durf van het kabinet-Balkenende IV getuigen indien hiervoor openlijk wordt gekozen, vooral ook omdat de voorafgaande regeringen onder leiding van deze premier ’Europa’ ogenschijnlijk stelselmatig hebben genegeerd.

Louise van Schaik en Rob Boudewijn zijn verbonden aan het Europa Programma van Instituut Clingendael.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden