GroenLinks / GroenLiberaal

Terwijl Paul Rosenmöller het CDA naderde, koerst Femke Halsema richting VVD. Onder links-liberale vlag voert zij GroenLinks naar een nieuwe positie op het poltieke veld.

,,Wij zijn de laatste links-liberale partij'', zei Femke Halsema onlangs in het GroenLinks Magazine. In het bonte gezelschap dat GroenLinks vormt, is tot dusver niemand opgestaan die bezwaar maakt tegen deze ideologische plaatsbepaling en zich afvraagt wat de partij eigenlijk in het liberale huis te zoeken heeft.

De stilte na deze opmerkelijke uitspraak van de partijleider is voor meer dan één uitleg vatbaar. Het kan zijn dat Halsema sinds haar aantreden anderhalf jaar geleden, zoveel gezag heeft opgebouwd dat GroenLinks bereid is haar te volgen, ook op onvermoede wegen. Het kan ook zijn dat de partij bij gebrek aan intern debat in slaap is gesukkeld en niet meer functioneert als tegenwicht. Een derde mogelijkheid is dat GroenLinks met haar keuze voor het liberalisme definitief de breuk markeert met de ideologieën van PPR, PSP, CPN en EVP, de partijen waaruit zij voortkomt.

Al in 1989, het geboortejaar van GroenLinks, was het ooit zo uitgesproken socialisme, communisme, evangelisch radicalisme van de fusiepartijen verwaterd tot een ideologisch mengelmoesje. In alle debatten die GroenLinks sindsdien voerde over haar beginselen en uitgangspunten, stond voorop dat, welke keuze de partij ook zou maken, geen van die oude ideologieën nog in aanmerking kwam.

Strategisch is een wending naar het links-liberalisme zo gek nog niet. Halsema beantwoordt met die keuze aan het doel de positie van GroenLinks in het politieke krachtenveld helder te maken. Nadat het streven van Halsema's voorganger Rosenmöller om door te dringen tot de regering, was mislukt, drong de vraag zich op wat GroenLinks in een oppositionele rol nog zou onderscheiden van de SP. Dat maakt Halsema in één klap duidelijk, met de keuze voor een koers die haaks staat op de heroriëntatie van de Socialistische Partij in de richting van een ideologie waarin de gemeenschap, niet het individu, centraal staat.

Halsema lonkt ook naar het kiezerspubliek van D66. Met haar kenschets van GroenLinks als 'de laatste links-liberale partij' suggereert zij dat D66 niet meer in deze hoek thuishoort sinds haar toetreden tot het kabinet-Balkenende. De GroenLinks-leider maakt voor de democraten nimmer een uitzondering als zij ten strijde trekt tegen het 'spruitjesconservatisme' van de regeringscoalitie. Integendeel: ,,D66 is het democratische voorportaaltje van de neoconservatieve kerk.''

GroenLinks draait met een keuze voor het links-liberalisme steeds verder weg van de koers die Paul Rosenmöller voer. GroenLinks verwijdert zich van het CDA, na de toenadering die Rosenmöller tot de christen-democraten zocht.

De vorige partijleider trachtte GroenLinks los te maken van haar 'eenzijdige oriëntatie op het autonome individu'. Dat schreef hij in het essay 'Een toekomst in aanbouw' uit 1997, het sleuteldocument in het bijna tienjarige leiderschap van Rosenmöller. Hij pleitte daarin voor een herwaardering van de sociale verbanden waarin het individu verkeert.

Juist een linkse partij, betoogde Rosenmöller, moest opkomen voor individuen die niet zonder de ruggesteun van de familie, de buurt, de geloofsgemeenschap of de vereniging kunnen om zichzelf te ontplooien. De cultuur van 'zelfontplooiing' die links sinds de jaren zeventig omarmde, stond haaks op haar traditie om kanslozen vooruit te helpen. Net als het CDA kende Rosenmöller daarom een belangrijke rol toe aan maatschappelijke organisaties om de sociale samenhang te bewaren.

Hij riep zijn partij op zich los te maken van de geest van de jaren zeventig. Individualisering, zei hij, kan nuttig zijn geweest als reactie op de verzuilde maatschappij en haar regentenmentaliteit uit voorbije jaren, nu dreigde dat proces door te slaan in onverschilligheid voor de sociale omgeving.

Halsema daarentegen is er trots op dat GroenLinks is opgetrokken uit de geest van de jaren zeventig, toen de PSP nog de slogan voerde: Ieder individu is er één en niet de helft van een paar. Ondanks haar geharnaste socialisme kende de PSP, evenals de PPR, een libertaire cultuur, waarin grote waardering bestond voor het authentieke individu dat voor zichzelf leeft. Het ideaal van zelfontplooiing heeft dus een lange traditie in radicaal links. Halsema is alleen de eerste in die kring die het als 'links-liberaal' bestempelt en het daarmee tot politieke keuze verheft.

In de rede die zij bij terugkomst van haar zwangerschapsverlof voor het GroenLinks-congres afstak, prees zij de jaren zeventig: ,,Ze hebben het leven beter gemaakt. Ze brachten vrijheid, ongehoorzaamheid, vrolijkheid, hoop.'' Om die reden hebben de 'conservatieven' volgens Halsema zo'n hekel aan die jaren. ,,De conservatieven verlangen diep terug naar de jaren vijftig. Naar de kleinburgerlijke cultuur, met haar boterhammen met tevredenheid én onderdanigheid. Iedereen moet zo worden als de conservatieven zelf.''

Halsema vreest die 'kleinburgerlijke cultuur' nog altijd als bedreigend voor de vrijheid van het individu. In het debat over de legalisering van de euthanasie verwelkomde zij die doorbraak als een bevrijding van het individu uit overheersende structuren, zoals de 'regerende kerk'.

In verzet tegen het verdwijnen van de pil uit het ziekenfonds, verscheen zij samen met haar fractiegenotes Tonkens en Van Gent als actievoersters uit de jaren zeventig in het parlement, gehuld in T-shirts met de tekst die symbolisch is geworden voor de vrouwenstrijd: Baas in eigen buik. Zo plaatste zij de maatregel om de pil niet meer collectief te financieren, maar voor rekening van de vrouw zelf te brengen, in het perspectief van een doelbewuste aanval op de emancipatie van de vrouw.

De angst voor betutteling klonk ook door in het commentaar op het voornemen van minister Donner om 'flitsscheidingen' onmogelijk te maken: ,,Een onbegrijpelijk, conservatief voornemen.''

De autonomie die GroenLinks bepleit voor het individu, kent zij niet toe aan organisaties en instituties, zoals kerken, die in haar ogen van een onvoldoende 'emancipatoir gehalte' zijn. ,,Organisaties van groepen, met een gesloten karakter, die bestaande machtsverhoudingen in stand houden en hun leden in feite verhinderen een vrije burger te zijn, verdienen onze steun niet'', staat in de recente emancipatienota van de partij.

Ook kerken en religieuze verenigingen moeten voldoen aan de GroenLinkse standaard van emancipatie. ,,Godsdienst is niet iets wat emancipatie automatisch in de weg staat of bevordert. Godsdienstige opvattingen en organisaties beoordelen wij op hun vermogen mensen te helpen bij een zinvolle, verantwoorde en aangename vormgeving van hun bestaan en hun relaties. Organisaties die rechtmatige sociale, culturele, politieke of seksuele verlangens onderdrukken, met een beroep op welke doctrine dan ook, zullen wij bestrijden.''

Zulke organisaties hebben naar het oordeel van GroenLinks geen recht op subsidie, wegens een te laag 'emancipatoir gehalte'. Ook met dat standpunt verwijdert GroenLinks zich ver van het CDA. Omwille van de pluriformiteit van de samenleving hechten de christen-democraten aan een veelkleurig maatschappelijk middenveld, met organisaties van uiteenlopende aard en overtuiging. Om die reden menen zij dat de overheid terughoudend moet zijn bij de inhoudelijke beoordeling van organisaties.

De komst van moslims met waarden die haaks kunnen staan op die van de vrije, geëmancipeerde burger, heeft het CDA geconfronteerd met de vraag of dat standpunt in de multiculturele samenleving nog houdbaar is. Het is niet verwonderlijk dat het CDA en zijn leider bij de beantwoording van die vraag de laatste tijd Abraham Kuyper erop naslaan, de grondlegger van de idee van soevereiniteit in eigen kring.

,,De overheid heeft niet eigenmachtig haar verordeningen op te leggen, maar de ingeschapen levenswet te eerbiedigen'', schreef Kuyper. Hij waarschuwde voor het misbruik dat de overheid van haar machtspositie maakt als zij van bovenaf haar moraal oplegt: ,,Elk optreden van de overheid om orde en goede gang in het leven te waarborgen, is iets onnatuurlijks, iets waar een diepere trek van onze natuur tegen in verzet komt, en dat juist daarom aanleiding kan geven tot verschrikkelijk misbruik van macht bij de machthebbers. Hieruit is de eeuwenoude strijd tussen gezag en vrijheid geboren en het is de ingeschapen dorst naar vrijheid, die het van God verordende middel bleek om het zo gemakkelijk in despotisme overslaande gezag te breidelen.''

GroenLinks wil de overheid in haar rol van subsidiegever veel verder de 'eigen kringen' van de organisaties laten binnendringen. Van dat etatisme zijn ook Halsema's opvattingen over de verzorgingsstaat niet vrij. Door de staat georganiseerde solidariteit blijft volgens haar noodzakelijk om wederzijdse herkenning en respect te behouden tussen alle burgers, arm en rijk, bevoorrecht en achtergesteld. Halsema onderschrijft de visie van Richard Sennet, een Amerikaanse socioloog, die de bewaking van het respect tussen de welvarenden en de hulpbehoevenden het kernprobleem van de westerse samenlevingen noemde.

De tegenstelling tussen haar opvattingen over het vrije individu en over het behoud van een brede verzorgingsstaat is niet zo vreemd als op het eerste gezicht lijkt. Dankzij de gelijkheid die de verzorgingsstaat bevordert, kunnen mensen in haar ogen ook vrij zijn: ,,De steun van een gemoderniseerde verzorgingsstaat is nodig, om mensen kansen te geven en vrij te maken. Gelijkheid baant de weg naar vrijheid. Dat is ons progressieve ideaal!''

Halsema verwoordt met die opvatting de motieven die de liberalen in de jaren zestig hadden om mee te werken aan de opbouw van de verzorgingsstaat. Sociale zekerheidswetten als de bijstand en de WAO zijn destijds tot stand gebracht onder verantwoordelijkheid van kabinetten met de VVD. Naast een noodzakelijk uitkeringssysteem, was de verzorgingsstaat in de ogen van de liberalen ook een middel om de vrijheid van mensen te vergroten. Hoe beter iemand zich kan ontplooien doordat de overheid hem verlost van allerlei zorgen, hoe vrijer hij zal zijn, redeneerden zij.

Andere liberalen dan Halsema zijn inmiddels van deze opvatting teruggekomen. Met het CDA menen VVD en D66 dat de verzorgingsstaat is vastgelopen in een systeem dat burgers onvrij en afhankelijk maakt en dat gepaard gaat met een uitdijende bureaucratie en hoge kosten.

CDA-leider Balkenende voert in volle overtuiging een beleid om de verzorgingsstaat terug te brengen tot een basisvoorziening. Ook in hun visie op de verzorgingsstaat zijn GroenLinks en CDA dus ver uit elkaar gegroeid.

In het theoretische geval dat GroenLinks voor de keuze komt te staan van regeringssamenwerking met het CDA of de VVD, zei Halsema onlangs desgevraagd, dan zou zij kiezen voor de liberalen, vanwege hun liefde voor het vrije individu en ondanks de verschillen over de verzorgingstaat. In de tijd van Rosenmöller was dat een onvoorstelbaar antwoord. Nu niet meer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden