Grieken en Albanezen bekvechten nog steeds om hun vroegere 'oorlogsgebied'

Ioannina is nu Grieks. Maar dat was ooit anders. Bruten als Ali Pasja heersten in dit zuidelijk deel van Epirus. En nu wordt de streek overstroomd door gelukzoekers uit buurland Albanie. Dat geeft nogal wat wrijvingen.

Franken, Normandiers, Grieken, Serviers, Romeinen, Turken, Albanezen, Italianen, Bulgaren: allemaal verbleven ze - sommigen wat langer dan anderen - in Ioannina, dat nu (weer) Grieks is.

Lord Byron is er ook een keer geweest, in 1809. Hij werd op een weelderig maal ontvangen door Ali Pasja, een Albanees, en van de krijgsheren die ooit in Ioannina de scepter hebben gezwaaid, is dit degene die het meest tot de verbeelding spreekt. Hij kwam uit Tepelena in zuid-Albanie, deze moslim. Van 'beroep' was hij roverhoofdman, maar hij wist zich op sluwe wijze op te werken in de Ottomaanse hierarchie - het was tenslotte de tijd dat de Turken nog heer en meester waren op de Balkan - daarbij actief gesteund door zijn moeder Hamco.

Een despoot, die ook heel charmant kon zijn - schreef Byron in een brief aan zijn moeder - met blauwe ogen, een lange baard en een beetje aan de dikke kant. Een aartsopportunist ook, die de grote mogendheden op onnavolgbare wijze tegen elkaar uit wist te spelen. Hij onderhield ondermeer contacten met Nelson, Napoleon en de Russische tsaar. Op het toppunt van zijn macht heerste 'de leeuw van Janina' over ongeveer het hele gebied van het huidige Griekenland en trok hij zich van de opdrachten van de Sultan in Istanboel, uiteindelijk zijn broodheer, niets meer aan.

En meedogenloos: tegenstanders werden gespiest, geroosterd of levend gevild. Van sommigen liet hij de huid van het gezicht tot over de nek trekken tot de dood erop volgde. Het verhaal wil dat hij op een gegeven moment zo'n slechte reputatie had dat mensen zich in de afgrond stortten om maar uit zijn handen te blijven. Tussendoor vermaakte hij zich uitbundig met vrouwen - een harem van 500 -, dan wel met kleine jongetjes, waar hij ook een oogje op had.

Uiteindelijk kwam Ali Pasja echter nogal roemloos aan zijn eind. De Sultan kreeg genoeg van deze eigenzinnige onderdaan en belegerde in 1820 de stad. Bijna twee jaar duurde het nog voor de inmiddels bejaarde Albanees - hij werd geboren in 1741 - zich overgaf. Zijn hoofd werd opgestuurd naar Istanboel.

De Turken herstelden hun macht in en rond Ioannina, maar de vreugde bleek van beperkte duur. Want nauwelijks hadden ze Ali Pasja een kopje kleiner gemaakt of de Grieken kwamen in opstand tegen het 'Ottomaanse juk'. Langzaam maar zeker werd het Turkse Rijk opgerold en werd uiteindelijk (in 1913) ook zuid-Epirus, zoals de streek rondom Ioannina heet, Grieks.

Maar niets is eeuwig, zeker niet op de Balkan. En sinds een jaar of wat lijken bij Ioannina de grenzen tussen Griekenland en Albanie te vervagen. Het gebeurt nog al stilletjes en er komen geen wapens aan te pas. “Maar soms”, zegt Christo, een 24-jarige, uitermate goedmoedige Griekse ingenieur, “lijkt er hier wel sprake van een Albanese invasie”.

Hij drinkt een ouzo op een terras aan het meer van Ioannina - waar volgens de legende Ali Pasja ooit de minnares van zijn zoon samen met zestien vriendinnen liet verdrinken vergezeld van een paar zakken suiker om de dood te verzoeten - en hij weet zich nog precies te herinneren wanneer het begon. Het was kerstmis 1990. Hordes Albanezen kwamen toen, hongerig en koud, de grens overgelopen. De grenswachten keken er naar en lieten ze gaan.

De inwoners van Ioannina zagen hoe een armoedige stroom mensen zich in de stad aan de westerse welvaart vergaapten. En ze toonden medelijden. “Iedere Griek had zijn eigen kerstkind”, zegt Christo ietwat cynisch. “Iedereen nodigde een Albanees uit om te komen eten, iedereen gaf geld, kleren, speelgoed.”

Zelf nam hij de gelegenheid te baat een blik te werpen aan de andere kant van de grens, die tot dan toe een ijzeren vesting was, en hij schrok zich dood. “Ik heb me nog nooit in mijn leven zo geschaamd. Zoveel armoede, zoveel verdriet, zoveel ellende. En dat zo dichtbij.” Christo liet het niet bij die constatering. Sinds een tijd werkt hij bij een hulpverleningsorganisatie die in Albanie ondermeer scholen en huizen repareert.

Ruim 2,5 jaar later duurt de volksverhuizing voort. Volgens officiele cijfers zijn er zo'n 150 000 Albanezen legaal, maar merendeels illegaal in het land. Officieuze schattingen lopen op tot 300 000. Op de koffie worden ze echter allang niet meer genood. “De gevoelens zijn nu wat meer gemengd”, zegt Christo onderkoeld, en dat is wederzijds.

“De politie jaagt op ons als beesten”, zegt een Albanees die voor het politiebureau in het centrum van de stad uit het zoveelste arrestantenbusje stapt. “Maar de boeren hier hebben maar wat graag dat we voor hun werken. We zijn immers hartstikke goedkoop.”

“Ze moeten niet zo zeuren”, is de reactie van een omstander. “Van wat ze hier in een dag verdienen kunnen ze daar een maand leven.” En een middenstander formuleert het dilemma aldus: “Kijk, ik vind het prima dat ze van het geld dat ze hier verdiend hebben allerlei spullen kopen. Daar vaar ik alleen maar wel bij. Maar er wordt ook nogal wat gejat, daar ben ik minder blij mee.”

Het medelijden heeft plaatsgemaakt voor misschien nog niet zozeer afkeer, maar wel voor argwaan over de bedoelingen over en weer. En dat geldt niet alleen voor de 'intermenselijke', maar ook voor de 'interstatelijke' verhoudingen. Want goede vrienden zijn Albanie en Griekenland bepaald niet.

Nou is dat op zich niets nieuws. Zo kwam aan de tweede wereldoorlog in Europa officieel pas een eind in augustus 1987 toen de Griekse premier Papandreou een punt zette achter de 'staat van oorlog' waarin Griekenland en Albanie nog verkeerden. Het geschilpunt: Epirus. Bij het verdrag van Lausanne (1923) werd noord-Epirus (het gebied rond Gyrokastre) toegewezen aan Albanie en zuid-Epirus (Ioannina en omstreken dus) aan Griekenland.

Allebei de landen waren ontevreden, want allebei meenden zij recht te hebben op het stuk van de ander. Tijdens de tweede wereldoorlog kregen ze even korte tijd hun zin, maar na de oorlog werd de oude toestand in ere hersteld. Vooral aan Griekse zijde bleef de kwestie knagen. In de officiele terminologie heette het dat men zich ernstig zorgen maakte over het lot van de Griekse minderheid in Albanie (40 000 mensen volgens de Albanezen, tien keer zoveel volgens de Grieken).

Minder officieel, in kringen van de Grieks orthodoxe kerk bijvoorbeeld, werd die zorg vertaald in een nauwelijks verhuld irredentisme. Een aardig voorbeeld: toen de Albanese regering de in noord-Epirus gevonden relikwieen van een populaire Griekse heilige aan de Griekse kerk wou overdragen, wilde de kerk deze niet in ontvangst nemen, omdat ze toch al in 'Griekse bodem' begraven lagen.

De heropleving van het nationalisme op de Balkan heeft de betrekkingen er niet beter op gemaakt. In juli 1991 deed de Griekse krant 'Het vrije uur' een oproep aan de regering om noord-Epirus gewapenderhand te 'bevrijden'. Nu is dat een onbetekend rechts blad, maar veelzeggend is dat een paar maanden later een lid van de regering er in bedekte termen zijn spijt over uitsprak dat in 1987 een eind was gemaakt aan de 'oorlog' met Albanie en daarmee aan de territoriale aanspraken op noord-Epirus. En van de weersomstuit is nu in Albanie een beweging ontstaan die zuid-Epirus claimt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden