Grenzen euthanasie scherp gesteld

Prof. mr J. Legemaate is hoogleraar gezondheidsrecht aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam.

In cassatie sprak de Hoge Raad uit dat psychiatrische patiënten wilsbekwaam kunnen zijn om een verzoek om hulp bij zelfdoding te doen. Ook in het geval van psychisch lijden kan hulp bij zelfdoding gerechtvaardigd zijn, aldus de Hoge Raad. Bovendien maakte de hoogste rechter duidelijk dat niet de eis geldt dat een patiënt in de stervensfase moet verkeren. Met betrekking tot gevallen van psychisch lijden benadrukte de Hoge Raad dat de besluitvorming door de arts / psychiater met 'uitzonderlijk grote behoedzaamheid' moet geschieden. Dit vereist onder meer dat de geconsulteerde collega zelf de patiënt onderzocht moet hebben. Van de vele deskundigen die Chabot had geraadpleegd, had niemand dat gedaan. Daarom oordeelde de Hoge Raad dat Chabot zich niet kon beroepen op een noodtoestand. Hij werd door de Hoge Raad strafbaar verklaard, echter zonder strafoplegging.

In de procedure voor de Hoge Raad stonden zogenaamde rechtsvragen centraal en bleven de feitelijke omstandigheden grotendeels buiten beschouwing. Dit is een belangrijk verschil met de uitspraak van de tuchtrechter. In de uitspraak van deze week gaat deze uitvoerig in op de zorgvuldigheidseisen. Op vrijwel alle punten komt hij tot het oordeel dat Chabot niet voldoende zorgvuldig gehandeld heeft. Volgens de tuchtrechter was onvoldoende vastgesteld dat er bij de vrouw in kwestie sprake was van een onbehandelbaar en uitzichtloos lijden. Gelet op de depressieve stoornis waarvan bij de vrouw sprake was, had haar doodswens niet opgevat mogen worden als 'een autonome beslissing van patiënte'. Een belangrijk onderdeel in de uitspraak van de tuchtrechter betreft de vraag of behandeling mogelijk was geweest, als alternatief voor hulp bij zelfdoding. De tuchtrechter oordeelt dat een poging tot behandeling had moeten worden ondernomen alvorens Chabot had mogen ingaan op het verzoek om hulp bij zelfdoding. De schatting van Chabot en de meeste van de door hem geraadpleegde deskundigen dat er geen reëel behandelingsperspectief was, zodat het zinloos was een behandeling te starten, wijst het tuchtcollege af. Evenals de Hoge Raad oordeelt het tuchtcollege dat de geraadpleegde deskundigen de vrouw zelf hadden behoren te onderzoeken. Tenslotte meent het tuchtcollege dat Chabot onvoldoende professionele distantie en onafhankelijkheid in acht had genomen.

Het Medisch Tuchtcollege accepteert evenals de strafrechter in beginsel hulp bij zelfdoding in het geval van psychisch lijden en verwerpt het criterium van de stervensfase. Ook de tuchtrechter benadrukt de eis van uitzonderlijk grote behoedzaamheid. Een belangrijk verschil tussen de strafrechter en de tuchtrechter betreft echter de vraag of in de zaak-Chabot voldaan was aan de zorgvuldigheidseisen. Waar voor de rechtbank en het gerechtshof kwam vast te staan dat er sprake was geweest van uitzichtloos en onbehandelbaar lijden, komt de medisch tuchtrechter tot een ander oordeel.

Een aantal van de door het tuchtcollege ingenomen standpunten heeft veel meer een stellend dan een argumenterend karakter, hetgeen de overtuigingskracht van de uitspraak op die punten niet ten goede komt. Dit geldt bijvoorbeeld voor het oordeel van het tuchtcollege dat de doodswens van de vrouw in kwestie geen autonome beslissing was, en voor het standpunt dat de professionele standaard van de arts ook ten tijde van de hulp bij zelfdoding (in 1991) meebracht dat de geconsulteerde arts de patiënt moest onderzoeken. Het laatste wordt weersproken door het feit dat geen van de door Chabot geraadpleegde deskundigen deze uitleg van de professionele standaard naar voren bracht. Deze eis is voor het eerst geformuleerd in de discussie-nota over hulp bij zelfdoding bij psychiatrische patiënten die een KNMG-commissie in november 1993 publiceerde. Het tuchtcollege heeft kennelijk de grenzen scherp willen trekken, wellicht mede om elke suggestie van een 'verruiming' van de mogelijkheden tegen te gaan. Dit zou een verklaring zijn voor de strenge formuleringen waarin zijn uitspraak is gesteld.

De uitspraak van de medisch tuchtrechter brengt geen verandering in de voor euthanasie en hulp bij zelfdoding geldende zorgvuldigheidseisen. Wel kan worden gezegd dat de tuchtrechter de uitleg van enkele eisen aanscherpt. Dit geldt met name voor de zorgvuldigheidseis over ontbrekende behandelingsalternatieven. Het moet daarbij gaan om 'een reëel alternatief', aldus de Hoge Raad in 1994. Deze formulering laat toe dat bepaalde alternatieven niet worden geprobeerd, omdat zij wat betreft kans op succes, tijdsduur en / of belasting voor betrokkene niet reëel zijn. Het tuchtcollege stelt in de zaak-Chabot de zwaardere eis van een daadwerkelijke poging tot behandeling, aangezien nooit uit te sluiten is dat een behandeling betrokkene 'wellicht toegankelijker' maakt voor levenshulp. Daarmee komen we bij de verwarring die door deze uitspraak ontstaat: op basis van de dezelfde feiten en omstandigheden oordelen de strafrechter en de tuchtrechter verschillend over de vraag of in deze zaak sprake was van onbehandelbaar en uitzichtloos lijden. Voor hulpverleners, patiënten en andere betrokkenen roept dit de vraag op hoe de zorgvuldigheidseisen nu moeten worden uitgelegd. Hulpverleners zullen veiligheidshalve waarschijnlijk de restrictieve benadering van het tuchtcollege volgen. Waar het gaat om de vereiste grote behoedzaamheid in het geval van psychisch lijden is dat overigens terecht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden