Graven in de geschriften van Timboektoe

Op zoek naar zijn wortels reisde de Liberiaans-Nederlandse schrijver Vamba Sherif door verschillende landen in West-Afrika, waaronder Mali. Zijn reis eindigde in Timboektoe. De roman 'Zwarte Napoleon', gebaseerd op zijn bevindingen, verschijnt eind dit jaar bij De Geus.

De heftige beelden van moslim-extremisten die met bijlen en scheppen de heilige graven in Timboektoe schonden en de bevrijding van die stad door de Franse en Malinese soldaten deden mij onmiddellijk denken aan mijn bezoek aan die stad enkele jaren geleden. Ik wilde naar Timboektoe om antwoord te vinden op de vraag of mijn voorouders er inderdaad vandaan kwamen. Binnen mijn familie, de Sherifs ofwel de Haidarahs, leefde de legende dat de man wiens achternaam ik droeg eeuwen geleden uit Timboektoe migreerde en zich in het huidige Guinee settelde en daar drie zonen kreeg. Zijn nakomelingen zouden zich over Liberia, Sierra Leone, Ivoorkust, Guinee en Senegal verspreiden. Zijn naam was Talahat. De naam Sherif duidde erop dat hij een nakomeling van de profeet Mohammed zou zijn. Het toeval wil dat ik een schrijver zou worden in de westerse zin van het woord. En omdat schrijvers nu eenmaal nieuwsgierige wezens zijn, zou ik op een dag mijn koffers pakken en me naar Timboektoe haasten, hopend antwoorden te vinden om hier een roman over te schrijven.

De vier dagen durende bootreis van het Malinese stadje Mopti naar Timboektoe is een verhaal apart. Ik zag Timboektoe niet toen ik het had moeten zien. Het was donker toen we aankwamen, maar de boot werd naar de haven begeleid door mensen met storm- of zaklampen. De hitte was ondraaglijk en verstikkend. Het voelde telkens weer als een klap in mijn gezicht. De haven bleek buiten de stad te liggen. In oude verhalen over de stad werd er gesproken over een rivier dichtbij de stad. Misschien door de verwoestijning was de afstand tussen de stad en de rivier aanzienlijk geworden. Met de auto reed ik de stad binnen. Ik had een brief bij mij van een Haidarah in Mopti, een familielid dus, aan een andere Haidarah in Timboektoe. Maar het adres klopte niet. In een pikdonkere nacht moest ik snel een oplossing vinden. Ik had weinig keus en werd afgezet bij een hotel zonder airco, waar slapen onmogelijk was. Ik werd duizelig van de hitte.

De zon scheen, hard en vijandig als de mensen die jaren later de stad zouden veroveren. Overdag was Timboektoe een stoffige stad met hier en daar een teken van de grandeur die zij ooit genoot: prachtige huizen met Moorse deuren, smalle gangen tussen twee muren waar het zonlicht als een gouden gewaad op voorbijgangers viel. Maar overal waren tekenen van verwaarlozing, armoede en verlatenheid. Timboektoe leek zowel in de Middeleeuwen als in het heden te bestaan. Er was een internetcentrum, hier en daar was er elektriciteit - maar in alles leek de stad afhankelijk te zijn van het zuiden van het land.

Ik had haast. Ik wilde de Ahmad Baba bibliotheek bezoeken, de bibliotheek die jaren later deels door extremisten vernietigd zou worden. Ahmad Baba was een van de grootste geleerden van Timboektoe. Hij schreef talloze boeken over wetgeving en maakte gedichten, zoals elke geleerde in die tijd geacht werd te doen. Zijn invloed op de stad was zo groot dat eeuwen later een instituut naar hem werd vernoemd.

Een slanke man, zwart als de bodem van een kookpan en gehuld in een lang, wit gewaad verwelkomde me. Hij was de directeur van de bibliotheek. Hij heette Djibril Doucoure, en droeg de achternaam van mijn oma in Liberia. In zuiver Arabisch - dat verraste hem - vertelde ik hem waar ik vandaan kwam en wat de reden van mijn bezoek aan de stad was. "Waar heb jij je Arabisch geleerd?", vroeg hij. "In Koeweit", antwoordde ik. "Ik heb hier een aantal manuscripten over je familie", zei hij. Het duurde langer dan verwacht, omdat nog niet alles in de bibliotheek op alfabetische volgorde bewaard werd. Maar Doucoure kende zijn bibliotheek heel goed. Enige tijd later kwam hij met enkele manuscripten terug. Ze bevatten wel de genealogie van de Sherifs, maar het ging hier om enkele families die voor mij onbekend waren. Totdat ik de naam Talahat in een van die manuscripten tegenkwam. Het eerste bewijs dat ik op een goed spoor zat. "Zijn er Haidarahs in Timboektoe", vroeg ik? Djibril antwoordde: "Maar je bent in de stad van de Haidarahs". Hij vertelde me dat er drie grote Haidarahfamilies in Timboektoe waren. "Drie grote families?", vroeg ik. Hier in de stad van de driehonderddrieendertig heiligen woonden drie Haidarahfamilies, zoals in onze legende voorkwam in Liberia, Sierra Leone en Guinee: mijn voorouder Talahat met zijn drie zonen. Ik trilde van geluk. Dus de legende was waar. Maar waar zijn deze Haidarahs? "Ik ga je voorstellen aan een van hen", beloofde Doucoure.

Omdat in Timboektoe bezoekers altijd opvallen, werd ik, onderweg naar mijn volgende bestemming, de Sankore moskee, gevolgd door een jongen met rastahaar. De moskee, gebouwd in de 15de eeuw, was ooit het grootste leercentrum in West-Afrika. Op een gegeven moment waren er meer dan 20.000 leerlingen aan verbonden. Ze leerden door hardop te lezen en kregen les van legio meesters, elk met eigen volgelingen die in de stad en omgeving verspreid waren - een traditie van lesgeven die nog steeds in vele West-Afrikaanse landen voortleeft.

De islam die deze stadjes kenden was een vorm van soefisme die Kadriyah en Tijaniyah heetten. Bij beide stromingen werd de nadruk gelegd op het verheerlijken van die grote geleerden - de Karamos - hopend dat de volgelingen hun baraka, hun zegen, zouden ontvangen. Na hun dood werden hun graven heilige plekken waar mensen op bedevaart gingen. De extremisten zouden jaren later deze graven schenden met het argument dat iedere vorm van verheerlijken niet islamistisch was. Maar de islam in West-Afrika werd juist door deze mannen, waartoe mijn voorouders behoorden, verspreid, tot diep in de oerwouden waar ze vreedzaam met animisten samenleefden. Behalve in een enkel geval, hield deze manier van leven eeuwenlang stand. Het begon allemaal te veranderen toen West-Afrikaanse jongens in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw massaal in Saoedi-Arabië en andere Golflanden gingen studeren. Ze keerden terug met de overtuiging dat de Afrikaanse islam, waar plaats was voor animisten en die inmiddels diep verankerd was in de Afrikaanse traditie, geen islam was. Het moest zuiverder. Sindsdien werd er een stille oorlog gevoerd door deze mannen, met soms frontale aanvallen door groepjes als Boko-Haram in Nigeria en andere West-Afrikaanse landen.

Het kan zijn dat wat er nu in Mali gebeurt niks met islam te maken heeft, maar veel meer met macht of de langslepende oorlog van de Toearegs met de regering in Bamako. Het kan zijn dat na het onderwerpen van de plaatselijke bevolking, de eeuwenoude manuscripten en de stille graven en moskeeën juist een bedreiging vormden, die groter was dan de mondige mens. Voor een totale onderwerping moest alles wat ooit symbool stond voor Timboektoe vernietigd worden. Een duidelijke verklaring is er nog niet.

De jongen die mij achtervolgde bleek een Shongay te zijn, behorend tot een volk dat ooit over Timboektoe, Mali en ver daarbuiten heerste. Hij heette Hamada. Hij wilde mijn gids zijn en wilde met mij de woestijn in. "Is het niet gevaarlijk?", vroeg ik? "Nee, de Toearegs hebben, na jaren van oorlog tegen de regering, hun wapens neergelegd. Jarenlang hebben ze weinig of niks van de regering in Bamako gekregen." De volgende dag ging Hamada met mij mee naar de bibliotheek.

De manuscripten van Timboektoe bleken fragiel en de meeste zagen er onverzorgd uit. Het verbaasde me hoe ze de tand des tijds, soms drie eeuwen lang, hadden doorstaan. De manuscripten bevatten schatten die niet allemaal van grote wetenschapelijk waarde waren. Wel zaten er twee werken tussen die voor vele geschiedschrijvers van groot belang zijn geweest: 'Tarikh Al-Fatash' van Mahmoud Kati en 'Tarikh Al-Soudan' van Abdulrahman Ben Abdullah Al-Saadi. Zoals met vele manuscripten in die tijd, gingen beide boeken over de geschiedenis van de heersers van het land van de zwarten, beginnend met de grootste van hun allemaal, de stichter van het Malinese imperium, Sundiata Keita.

Er waren werken over wiskunde, chemie, biologie en filosofie. Sommige manuscripten waren spiritueel van aard. Dit waren geschriften met formules die gelovigen konden zingen zodat ze toegang kregen tot de onzichtbare wereld. Er waren geschriften die ziekte konden verhelpen, en van een arme man een rijke konden maken. Vele van die manuscripten werden gekopieerd en als amuletten gebruikt. Misschien dachten de extremisten dat de hele bibliotheek bestond uit werken uit deze laatste categorie en wilden zij deze daarom vernietigen. Geen dokter of formule, maar alleen Allah kan, volgens hun, genezen.

Terwijl ik door de manuscripten bladerde, hoorde ik Doucoure in gesprek met Hamada. "Hier heb je wat geld. Ga maar naar de kapper en knip dat rastahaar af", hoorde ik hem zeggen. Nu, terugkijkend op die tijd, vraag ik me af of Hamada de bijlen en machetten van de extremisten heeft overleefd in een stad waar zelfs een gematigd man als Doucoure zijn rasta niet passend vond. "Haidarah", hoorde ik Doucoure mij roepen. "Er is iemand hier voor je."

Hij bleek een jongeman te zijn, een Haidarah, die mij in plaats van in het Arabisch in het Frans toesprak. Hij heette Musa. Hij bevestigde Doucoure's verhaal. Er waren inderdaad drie grote Haidarah-families in Timboektoe. "Als je iets nodig hebt, vraag het aan mij", zei hij.

De volgende dag was een vrijdag. Uit nieuwsgierigheid ging ik naar de grootste moskee van de stad: de Djinguereber moskee. Binnen waren er grote pilaren van leem, hout en stro, net als de rest van de moskee. Het zonlicht viel door het grote vierhoekige plafond, wat een prachtige mozaïek vormde. Van binnen was de architectuur eenvoudig maar indrukwekkender dan van buiten. Hier leefde de traditie van het oude Timboektoe voort, de manier van bidden en het zingen aan het eind van het gebed, die ik ook in Liberia gewend was.

Hamada's poging om mij te overtuigen de woestijn in te gaan, mislukte. Op een dag - zo'n drie weken na mijn verblijf in de stad en na talloze bezoeken aan enkele Haidarahs in de stad - zat ik te kletsen met Doucoure in de schaduw van de veranda van de bibliotheek. "Waarom ging je naar Koeweit?", vroeg hij. Ik vertelde hem over mijn vader die als theoloog een aanstelling kreeg op de universiteit van Koeweit. "Waar heeft hij gestudeerd?", vroeg hij. "Op de Azhar-universiteit in Caïro." Hij keek me verbaasd aan. "Op Azhar? Daar heb ik ook gestudeerd. Hoe heet jou vader?" Ik vertelde het hem. "Ik ken hem. Ik ken jou vader. We waren klasgenoten." Hij sprong op en omhelsde me. Mijn missie was daarmee compleet.

Toen alle pogingen om met de boot of met een militair vliegtuig Timboektoe te verlaten mislukten, ging ik naar mijn familie, naar Musa Haidarah. "Geen probleem", zei hij. Hij pleegde een aantal telefoontjes. "Wanneer wil je vertrekken?", vroeg hij. "Morgen", zei ik. De volgende ochtend stond een jeep met chauffeur voor mijn deur. "Een geschenk van de Haidarahs", zei de chauffeur. Ik verliet mijn thuis om terug naar huis te gaan.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden