Review

Grafsteen voor een grafloos volk

Jitzchak Katzenelson: Lied van het vermoorde joodse volk. Uit het Jiddisch vertaald door Willy Brill. Element, Naarden; 184 blz. - ¿ 34,50.

Katzenelson was voor de oorlog in Polen populair geweest als dichter en als pedagoog. Hij schreef schoolboeken en gedichten, liedjes en toneelstukken. In het Hebreeuws het meest: hij was een uitgesproken linkse zionist. Maar ook in het Jiddisch, zijn eigen moedertaal. Van de zionist is het opmerkelijk dat hij, die Amerika en Palestina bereisd had, in Polen bleef tot er, na de inval der Duitsers, geen ontkomen meer aan was.

Al gauw stortte hij zich evenwel in het lesgeven, schrijven en voordragen voor de clandestiene zionistische jeugdbeweging van Warschau. Zijn dichterlijk talent liet zich nu vooral van de Jiddische kant zien: de taal van de massa's.

Drie keer was de dichter met stomheid geslagen geweest. Na de inval van de Duitsers in Polen, herfst 1939, met de plotselinge wilde taferelen van willekeurige wreedheid, in de paniek en ontreddering van de maatschappelijke instellingen. Na de 14e augustus 1942, toen hij zijn woning leeg trof: zijn vrouw en jongste zoons afgevoerd. En tenslotte, in de betrekkelijke luxe van het 'uitwisselingskamp' Vittel in Frankrijk. Drie maal doorbrak hij die verlamming met een productiviteit die hem in die paar oorlogsjaren 'meer deed schrijven dan in de vijftien jaar daarvoor'.

De levenslustig-speelse romantische dichter van voor de barbarij, door Heinrich Heine beïnvloed, zag in het getto van Warschau dagelijks genoeg om de volle omvang van de ramp te zien. Hij besefte dat wat hier plaatsgreep, nog niet eerder in de geschiedenis was gebeurd.

Ondanks zijn enthousiasme voor het verzet besloten de gettostrijders de 57-jarige dichter bij het begin van de getto-opstand, april 1943, naar de 'arische kant' te smokkelen. Met zijn pen was hij nuttiger dan met een (zeldzaam!) pistool. Hij had toen al met een reeks grotere gedichten getracht de catastrofe in woorden te vangen. Zijn persoonlijke ramp, het verlies van zijn vrouw en twee jongste zoons, in 'De dag van mijn grote ongeluk'; en de ramp van zijn volk in 'Aan Babel's stromen'.

In de onderduik had hij een Hondurees paspoort weten te bemachtigen. De bezetters beloofden hem en zijn zoon een voorkeursbehandeling. In mei 1943 kwamen zij aan in een kamp voor buitenlanders in Vittel, die door de nazi's in reserve werden gehouden voor eventuele uitwisseling tegen Duitsers uit geallieerde handen. De bijna menselijke behandeling van dit kamp maakte hem haast gek.

Hij werd achtervolgd door de idee dat hij een monument op moest richten, een grafsteen voor zijn grafloos volk en een precieze getuigenis van wat zijn ogen gezien hadden.

Hij schreef een dagboek, probeerde een Hebreeuws drama 'Hannibal': de vernietiging van een semitisch door een arisch volk. Het lukte niet. Toen, 3 oktober 1943, begon hij als een bezetene te schrijven. Tot 18 januari 1944 pende hij vijftien zangen van vijftien strofen, negenhonderd regels in totaal neer, een verpletterende klacht, die beschouwd wordt als de meest markante dodenzang, geschreven tijdens de oorlog.

Zijn deportatie naar Auschwitz zag hij aankomen. Hij pende kopieën van zijn tekst, gaf er een aan Ruth Adler die de tekst in het handvat van haar koffer verstopte. Een andere begroef hij tussen de wortels van een boom in het bijzijn van Mirjam Novitsj. Beide vrouwen hadden 'veiliger' paspoorten dan hij. Nog geen vier maanden na zijn deportatie en dood groef Novitsj de tekst op die in 1945 in het Jiddisch te Parijs werd gepubliceerd.

Enkele jaren later werd een Duitse vertaling uitgebracht. Verschillende Hebreeuwse vertalingen en Jiddische uitgaven volgden, veel later een Engelse en een Poolse vertaling. In 1994 maakte Wolf Biermann een nieuwe Duitse uitgave.

De eerste Duitse versie was plechtstatig, zwaar van pathos en zonder de scherpte, de spot van het origineel. De Duitse taal leek daar debet aan. In het Engels werd de toon natuurlijker weergegeven, al ging daar veel van de poëtische klank verloren.

En nu komt de kersverse uitgeverij Element met een Nederlandse vertaling. Een jeremiade, in gewone taal, die die van de grote profeten achter zich laat: geen eenvoudige opgaaf voor een vertaler.

Wat Willy Brill gedaan heeft mag dan ook een prestatie heten. De vertaling is tamelijk getrouw. De scherpe spot is dikwijls door slimme vertalingen gevangen, en niet het minst belangrijk: de vertaling klinkt. Zonder het vaste rijmschema van de Duitse Biermann-uitgave, met veel klank van binnenrijm.

Jammer vind ik wel dat zij een aantal Jiddische woorden en uitdrukkingen heeft laten staan. Dat past bij de manier waarop Jiddisch in zwang raakt: als een onbegrepen specerij om je taal mee te kruiden. Dat lijkt in tegenspraak met de degelijkheid van de hele vertaling: een bijzonder document genietbaar gemaakt voor een breed publiek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden