Graf op Texel

Achter elke rouwadvertentie schuilt een verhaal. Mickelle Haest tekent de ervaringen op van een uitvaartverzorger.

De geur van ziekte en de bestrijding daarvan komt mij tegemoet zodra de schuifdeuren opengaan. In mijn donkere mantelpak stap ik de hal van het verpleeghuis binnen. Ik kijk om me heen. Een vrouw staat op en komt met uitgestoken hand mijn kant opgelopen. Ze is een jaar of vijftig. Haar korte, blonde haar omlijst haar bleke gezicht. "Ik ben de vriendin", zegt ze. "Zullen we naar zijn kamer gaan?"


In een ziekenhuisbed ligt een man in een verkrampte houding. "Vanochtend is hij gestorven. Hij had ALS. Ik wil graag de uitvaart met u bespreken." "Heeft hij geen verdere familie?" vraag ik. "Hij komt van Texel, maar woont al heel lang hier. Er is weinig contact met de familie. Hij was gescheiden. Ik woonde naast hem, van buurvrouw werd ik vriendin en uiteindelijk verzorger. Hij heeft mij gevraagd zijn begrafenis te regelen." Ze overhandigt mij alle benodigde papieren. "Hij wil op het eiland begraven worden, in het familiegraf. Hier heeft hij bijna niks meer. Ik ga met hem mee terug naar het eiland op de dag van de uitvaart."


Ik bel het uitvaartbureau. Ze nemen contact op met de begraafplaats op het eiland. "Normaal gesproken wordt de uitvaart dan verder door een plaatselijke ondernemer afgehandeld", leg ik uit. "Maar het is rustig, dus ik kan zelf mee." "Dat is fijn, dan hoef ik niet alleen", zegt ze. De dag en het uur worden bepaald, het graf geregeld en de dragers zullen klaarstaan aan de poort van de begraafplaats.


Het is weekend als de chauffeur en ik in de rouwauto richting de haven van Den Helder rijden. "Wat denk je: ineens gaat iedereen mee", zei de vrouw vanochtend voor vertrek. Zeven auto's stonden klaar. "Mensen die nooit op bezoek zijn geweest of hun gezicht nauwelijks hebben laten zien." Ze zoeven met een zwart lint aan de zijspiegel over de snelweg achter ons aan door Hollands laagland. Met Den Helder in zicht bel ik de rederij, zoals ik met ze heb afgesproken. "We komen eraan." "U rijdt rechtstreeks naar de boot, niet het parkeerterrein op." "Oké", zeg ik.


Als we bij de boot aankomen staat een man zwaaiend met twee fluorescerende gele vlaggen ons op te wachten. In één beweging rijden we met de sliert achter ons aan het lege parkeerruim in. De middenbaan is voor ons. Daarna vult de rest van het ruim zich met auto's. "Wij gaan koffiedrinken", zegt het gezelschap. Een kist laat je niet alleen. De chauffeur en ik blijven zitten. Als de boot aanmeert op het eiland, mogen wij als eerste aan land.


Op een begraafplaats zo klein als een postzegel wachten in ouderwetse pakken geklede mannen ons op. In hun lange jassen met hoge hoed gaan ze ons voor naar het graf. Als de zon niet zou schijnen, zaten we in een boek van Dickens. Op verzoek van de vriendin lees ik een gedicht. Met touwen laten de dragers de kist dalen. "Dank je wel", zegt de buurvrouw hartelijk. "We gaan in een kleine groep nog ergens een broodje eten."


Zonder sliert rijden de chauffeur en ik terug naar de boot. We besluiten een ritje over het eiland te maken en halen de vlaggen van de rouwauto, zodat iedereen weet dat er niemand in ligt. We passeren hordes fietsers en wandelaars. Bij een café stoppen we. Een kind glimlacht ons toe met een met chocolademelk besmeurd gezicht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden