Graag een levensvizier en geen abstract betoog, svp

Een van de aardigste ontmoetingen van het afgelopen jaar had ik met Utrechtse studenten. Voor een symposium hadden zij het thema Levensvizier gekozen. Niet: levensvisie. Zij bedoelden daarmee dat zij geen abstracte betogen wilden over 's mensen levensvisies, zij wilden een persoonlijk getuigenis horen van vier sprekers over hún visie op het leven, over de keuzes die zij in dit leven maakten en over wie en wat hen bij het maken van die keuzes had beïnvloed.

Zij nodigden daartoe een politicus uit, eeen bestuurder, een schrijver en een predikant.

Die studenten wilden zich dus bezinnen. Ze rennen, ze draven, in een paar jaar moeten ze zich door de studie hebben heengewerkt, tijd voor reflectie en voor vorming buiten die studie om is er nauwelijks. En áls je reflecteert, wie of wat geeft daar dan richting aan, waar haal je de modellen vandaan die je kunnen helpen om vorm te geven aan de manier waarop jíj je leven wilt inrichten?

Ik vond het ontroerend dat de studenten zich in deze vragen wilden verdiepen. Zij groeien op in een wereld met steeds minder idealen, de cultuur van geloof en godsdienst die mensen samenbindt en richting geeft, is weggevallen en aan de zuigkracht van het grote geld kunnen maar weinigen zich onttrekken. Help! roepen die studenten, als ik ze goed hoor.

Ik dacht terug aan de tijd dat ik zo oud was als zij.

'Meneer is zeker student.'

In de trein op zondagavond weer op weg naar Utrecht werd ik niet zelden zo aangesproken. Ze zeiden nog 'meneer' en 'u' tegen je, in die dagen.

Ja, meneer was student.

'En wat studeert u als ik vragen mag?'

Als ik antwoordde 'theologie' was ik nog niet jarig, want dan begonnen ze onmiddellijk over geloof, over hoe mooi dat is of hoe verwerpelijk, hoe dom of hoe geheimzinning. En niet zelden vroegen ze: 'Meneer heeft dus roeping', en dan wilden ze weten hoe dat in zijn werk gaat, dat de Heer je roept, want zelf hoorden ze zoiets nooit.

Om niet in vermoeiende gesprekken verzeild te raken loog ik nogal eens dat ik Nederlands studeerde. Daarbij kwam dat het verhaal van mijn roeping zich wonderlijk genoeg inderdaad zo ongeveer had afgespeeld als die treinreizigers tegenover mij zich dat fantaseerden. Die dachten: deze knaap heeft kennelijk een aparte verbindingslijn met onze lieve Heer, hij krijgt van boven instructies en die volgt hij gehoorzaam op. En waarachtig, iets daarvan is nog waar ook.

Na negen jaar over het gymnasium te hebben gedaan, kon ik niet meteen gaan studeren - Nederlands, had ik bedacht - eerst moest ik in militaire dienst. Toen, voor het eerst van huis, na dat lange, alle energie vergende gevecht met school, met thuis, met mijzelf, kwam ik enerzijds in de luwte terecht: behalve wat marcheren en het graven van schuttersputjes werden van mij geen grote prestaties verwacht.

Anderzijds kwam ik in een redelijk stompzinnige en ruige mannenwereld terecht waar ik leerde dat je beter kunt doden dan gedood worden. Er diende zich kortom van alles aan, vragen waar ik tot dan toe niet of nauwelijks over had nagedacht.

Ik wendde mij tot de legerpredikant, niet omdat ik zo specifiek met godsdienstige vragen in de weer was maar omdat het eigenlijk de enige mens in de buurt was met wie je een verstandig gesprek kon voeren. Tenminste, dat mocht je hopen.

Dat hoopte ik inderdaad niet tevergeefs, het was een wijze man die geduldig naar mijn verwarring luisterde, en terwijl ik vertelde (ik weet waarachtig niet meer waar het allemaal over ging) ordende ik het zaakje zelf al, en van tijd tot tijd droeg hij iets aan uit eigen levenservaring waar ik mijn voordeel mee kon doen.

Overgeplaatst naar een andere garnizoensstad hoopte ik weer zo'n geestelijk leidsman te vinden, maar dat werd een mislukking: het was een domme man die niet kon luisteren en daarom ook weinig te vertellen had. Ik moest laatst spontaan weer aan hem denken toen ik in het woordenboek het woord 'kletsmajoor' tegen kwam, met als verklaring: legerpredikant.

Ik had twee 'spiritual leaders' ontmoet, een wijze en een dwaze, één waar je van opknapte en één waar je op afknapte, één die mij kennelijk een waardevol schepsel Gods vond en één die de hemel verduisterde.

Beide ontmoetingen maakten dat ik over van alles ging nadenken. Ik ging mensen als schepselen Gods zien en ik kreeg oog voor de hemel daarboven. Ik was al jaren een volstrekt buitenkerkelijk jongetje, maar diep in de kom van mijn ziel rommelde het kennelijk toch, en waarachtig: ik wilde ineens dominee worden.

Het was meer dat het mij overkwam dan dat ik er zelf voor koos. Ik was er zelf hoogst verbaasd over en mijn ouders en vriendjes nog veel meer, zij begrepen er niets van. Ik ook niet, maar ik vertrouwde erop dat ik op het goede spoor zat, en ik ben tot de dag van vandaag blij dat ik dat spoor ook volgde.

Er zit trouwens ook een zeer nuchtere, noem het zakelijke kant aan: roeping is niet wat die treinreizigers veronderstelden: een privé-telefoontje van onze lieve Heer en daar vervolgens gehoorzaam naar luisteren. Roeping komt nooit zomaar uit de lucht vallen, het wordt altijd door mensen bemiddeld en aanleg en opvoeding spelen er een belangrijke rol in.

Ik deed het niet uit altruïsme, ik hoopte er mijn eigen bestemming en geluk in te vinden. Ik wist dat ik er niet rijk van zou worden, maar - vrucht van mijn opvoeding - dat vond ik niet belangrijk. De ironie wil dat ik er nu wel rijk van word.

Ik weet niet wat er met mij gebeurd zou zijn wanneer ik na zes jaar middelbare school regelrecht naar Utrecht afgereisd was. Had ik daar de tijd, de rust voor enige bezinning gevonden? En dan studeerde ik nog in de gelukkige tijd dat je geen haast hoefde te maken, dat je jezelf ook buiten je eigen vakgebied kon ontplooien en dat je gas terug kon nemen wanneer dat echt nodig was.

Studenten van nu leven, mede door de toegenomen mobiliteit en welvaart, veel driftiger. Zij moeten hun CV oppoetsen, mee in de rat race. Tijd om echt te rijpen en te groeien is er niet of nauwelijks.

Klassiek in onze cultuur is de sabbath of de zondag als steeds weerkerend moment van rust en inkeer - zoals een schilder die zijn kwast neerlegt en een paar passen terug doet om afstand te nemen van zijn werk in wording. Het woord sabbath is een Hebreeuws woord, het betekent 'ophouden'. Een mens moet van ophouden weten. Het is een even geniaal als moedige vondst van Israël: in een schaarste-economie werd vrijwillig afgezien van éénzevende inkomen om een groter goed te winnen. Want geld maakt niet gelukkig, een mens die niet van ophouden weet doet zichzelf, God en de naaste tekort.

Die sabbath is een groot geschenk van Israël, maar wij hebben die dag óf puriteins laten verdorren óf libertijns laten verflauwen. Wie rust wil, bezinning, rijpingstijd, moet dat zelf organiseren, want onze beschaving heeft het niet langer ingebouwd. Dat vraagt een krachtige en zelfstandige positiebepaling. Eigenlijk kan alleen een reeds enigermate gevormde persoonlijkheid zo'n keuze maken, dwars tegen onze cultuur in. Maar het is dus knap ingewikkeld, want onze cultuur maakt het juist zo moeilijk dat zo'n persoonlijkheid zich vormt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden