Gouden standaard ontbreekt in studies naar antidepressiva

Pillen | Dat antidepressiva bijna altijd meer kwaad dan goed doen, maakt veel los. De antwoorden op de meest gestelde vragen.

Welk onderzoek heeft aangetoond dat antidepressiva in slechts 2 procent van de gevallen effect hebben op de patiënt?

Dat is niet het resultaat van één onderzoek, maar van een analyse van tientallen klinische studies met antidepressiva. Zo'n meta-analyse is een gebruikelijke techniek om klinische studies te vergelijken. Deze meta-analyse werd uitgevoerd door de Food and Drug Administration, de Amerikaanse toelatingsautoriteit voor geneesmiddelen. Uitkomst was dat 50 procent van de patiënten opknapte na het slikken van antidepressiva. Nu heb je in klinische studies, naast de onderzoeksgroep, doorgaans een controlegroep, die niet het geneesmiddel krijgt maar een placebo, een pilletje zonder werkzame stof. Van dat placebo bleek 40 procent van de patiënten op te knappen.

Vijftig procent heeft baat bij het middel, veertig bij het placebo; dat is samen negentig procent!

Die conclusie is onjuist. Je moet constateren dat het werkzame effect van antidepressiva grotendeels placebo-effect is; de geneesmiddelen doen nauwelijks meer dan fopmiddelen. Van patiënten die antidepressiva krijgen, knapt 50 procent op, maar eigenlijk heb je geen idee of dat komt door het geneesmiddel.

Een placebo-effect is toch ook mooi? De patiënt voelt zich beter.

Zeker, een placebo kan helpen. Maar dan is het raadzaam om inderdaad een nepmiddel te geven en niet voor dit doel geneesmiddelen voor te schrijven, die bijwerkingen hebben en verslavend zijn, zoals antidepressiva. Overigens moet ook het placebo-effect niet worden overschat. In een andere meta-studie, geleid door de Deense onderzoeker Peter Gøtzsche, wiens boek aanleiding was voor de berichtgeving van zaterdag, werden 234 uiteenlopende klinische studies vergeleken waarin was gewerkt met een controlegroep, die een placebo kreeg, en een 'wachtlijstcontrolegroep', die helemaal niks kreeg. Een placebo-effect bleek nauwelijks aantoonbaar, behalve in enkele studies naar klachten als pijn en misselijkheid.

Gøtzsche haalt een meta-analyse aan van 37 klinische studies met de antidepressiva fluoxetine en venlafaxine. In die studies werd hun effect onderzocht op ernstig depressieve patiënten. Na vier weken slikken was hun toestand verbeterd van ernstig naar mild depressief. Patiënten die een placebo kregen, deden acht dagen langer over een vergelijkbare verbetering.

Maar dan zijn de medicijnen nog altijd beter dan een placebo!

Mogelijk. Maar er zit nog een ander probleem in de klinische studies naar antidepressiva. Die zijn zelden uitgevoerd volgens de gouden standaard: dubbelblind. Dat wil zeggen dat in een klinisch onderzoek noch de arts noch de patiënt weet of de laatste in de onderzoeksgroep zit, en dus het geneesmiddel krijgt, of deel uitmaakt van de controlegroep, en een placebo slikt. Uit een meta-analyse van twintig klinische studies blijkt dat de arts-onderzoeker die weet welke patiënten het geneesmiddel kregen, tot een forse overschatting van de heilzame werking van het middel komt.

In studies met psychofarmaca weegt dit probleem zwaar, omdat onderzoeker en patiënt vaak aan de bijwerkingen kunnen zien wie geneesmiddel heeft gekregen en wie placebo, én omdat effecten moeten worden afgeleid uit subjectieve waarnemingen; je kunt ze niet direct meten.

Ideaal zou zijn om deze studies uit te voeren met een placebo die dezelfde bijwerkingen heeft als het te testen geneesmiddel, maar uiteraard niet dezelfde werking. Die studies zijn zeldzaam, maar ze zijn gedaan. Gøtzsche haalt negen klinische studies aan met een bepaalde groep antidepressiva. Daaruit blijkt inderdaad een effect van het medicijn, maar het effect is erg klein, een streepje op de zogenoemde schaal van Hamilton, waarmee depressiviteit wordt gemeten.

Er zijn dus patiënten die baat hebben bij antidepressiva?

Ja, maar hun aantal is gering. Als je al die meta-analyses in ogenschouw neemt, kom je tot de slotsom dat hooguit bij een paar procent van de mensen die nu antidepressiva slikken de chemische werking bewezen is. Dat kun je niet herleiden tot de individuele patiënt; dat is het resultaat van klinische onderzoeken met in totaal vele duizenden patiënten. Maar kijkend naar de meer dan een miljoen Nederlanders die antidepressiva gebruiken, mag je stellen dat 98 procent van hen geen baat bij de werkzame stof heeft. Bij de meesten van hen die zich beter zijn gaan voelen, is die stof niet de oorzaak.

Moeten al die mensen nu stoppen met slikken en hun pillen terugbrengen naar de apotheek?

Nee. De ontwenningsverschijnselen kunnen ernstig zijn. Mensen die dit overwegen, zouden in alle gevallen hun huisarts of psychiater moeten raadplegen om samen te beslissen of stoppen met slikken raadzaam is, en dan een afbouwschema op te stellen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden