Gotenburg: een fort, aangelegd met het vakmanschap van Nederlanders.

Zolang het huidige Zweden tot het grote Scandinavische rijk onder leiding van Denemarken behoorde, was het niet zo’n probleem dat de Zweedse westkust nauwelijks te verdedigen viel tegen kwaadwillige invallers. Maar toen de Zweden zich in de 16de eeuw gingen afscheiden en de Denen (maar ook de Noren) ineens concurrenten voor het grondgebied bleken, werd die kwetsbaarheid pijnlijk duidelijk. En zo kwam het dat in 1619 op instigatie van de ’grote’ koning Gustav II Adolf begonnen werd met de bouw van een stad aan de monding van de Göta-rivier. Twee jaar later was de stad een handvest en Gotenburg, zoals zij heette, werd een van Europa’s sterkste forten, met 15 bastions, grachten, wallen, versperringen bij de havenmond en een stadmuur met drie toegangen.

Wie vandaag de dag een tochtje maakt door die Gotenburgse grachten, moet sterk aan Amsterdam denken, of Leiden, of Haarlem, of welke oude Hollandse stad. En dat is niet zo vreemd, want Hollanders hebben een grote inbreng gehad in de bouw en aanleg van de Zweedse stad. Het was de tijd van de godsdienstoorlogen in Europa, en nogal wat mensen uit de Lage Landen hadden de wijk genomen naar het net luthers geworden Zweden. In ruil voor godsdienstvrijheid en belastingvrijdommen – de Hollanders waren per slot van rekening toen al een volk van dominees en kooplieden – hielpen ze bij het ontwerpen van de plannen voor de stad. De Nederlanders gingen zelfs meebesturen: het eerste stadsbestuur bestond naast vier Zweden uit drie Nederlanders, drie Duitsers en twee Schotten.

Dezelfde immigranten hielpen bij het opzetten van de scheepsbouw, en in 1731 werd de Oost-Indische Compagnie opgericht, het eerste internationale handelsbedrijf van het land. Gotenburg werd het Europese centrum voor de handel met China en het Verre Oosten. Visserij was een van de andere pijlers waarop de bedrijvigheid van de stad rustte. De haringvangst maakte van de stad de grootste vissershaven van Zweden. De goede contacten met Engeland zorgden ervoor dat Britse industriëlen en zakenlieden zich in de West-Zweedse stad vestigden. Scheepswerven schoten uit de grond en de handel floreerde. De stad ging uit zijn voegen barsten en om de leefomstandigheden van de nieuwe arbeiders te verbeteren, werden woonwijken aangelegd buiten de oude stadswallen. Net als elders is ook in Gotenburg de scheepsbouw teloorgegaan. Wat ervan over is gebleven, is één reparatiewerf.

Ook in dat opzicht doet de tweede stad van Zweden erg denken aan de tweede stad van Nederland, Rotterdam. Maar Gotenburg is niet bij de pakken neer gaan zitten en er is bedrijvigheid genoeg over, zij het van een ander soort. Het blijft de stad van autofabriek Volvo, van kogellageronderneming SKF, van telecommunicatiebedrijf Ericsson, van camerafabrikant Hasselblad. In het Ullevistadion wordt Europees gevoetbald of op wereldniveau aan atletiek gedaan. Gotenburg wil nog wel eens pochen dat het met de Kungsportsavenyn, de Champs-Elysées van Zweden heeft. Het is een leuke flaneerboulevard en vooral de Götaplatsen met het massieve beeld van Poseidon is mooi, maar het is geen Parijs. Niettemin is Gotenburg een aangename te bewandelen stad. En waar vind je midden in de stad nog een enorm pretpark – het Liseberg – om je tot ver in de avond te vermaken?

De Waddeneilanden niet verder dan een uur met de tram vanuit het stadscentrum. Het kan in Gotenburg. Net als veel andere stadse Zweden verruilen tal van Gotenburgers in de zomermaanden hun appartement voor een huisje op een van de eilanden voor de kust. De sodra skargarden, de zuidelijke archipel, is veruit het populairst. Er zijn zeven bewoonde eilanden: Vargö, helemaal aan de westkant, is de kleinste met twee permanente bewoners, Brünnö en Styrsö zijn de grootste met 690 en 1443 bewoners. In de zomer groeit het aantal op de twee eilanden samen tot 8000.

Zeker in de zomermaanden is het heerlijk om de stad Gotenburg te verlaten voor de eilanden. Dat kan bijvoorbeeld met tram 11, die je in ongeveer een halfuur via de buitenwijken van de stad naar Saltholmen (Zouteiland) brengt. Op een paar honderd meter van de tramhalte liggen de pieren, waarvandaan vele malen per dagen de veerboten vertrekken naar de diverse eilanden. Op geen van de eilanden is gemotoriseerd verkeer toegestaan. Naast toeristen met rugzakken zie je dan ook regelmatig passagiers op de kade staan met huisraad dat in ’de stad’ is gekocht en nu moet worden overgevaren.

Aan het Rosenlundkanaal vlak bij de haven van Gotenburg ligt een van de opvallendste gebouwen van de stad, de Feskekôrka of Feskekyrkan. De ontwerper van het gebouw, Victor von Gegerfeldt, die ook stadsarchitect was, liet zich in 1874 inspireren door de robuuste Noorse houten staafkerken en de gothische stenen kerkgebouwen. De Feskekôrka is opgetrokken uit gele baksteen, en aan beide zijden zijn er zeven boogvormige ramen. Daaroverheen zit een steil grijzig dak. Een kerkdienst is er in het gebouw nooit gehouden. Binnen ruikt het naar de zilte zee; het is een vismarkt.

Door de eeuwen heen is de binnengebrachte vis op verscheidene plekken verhandeld. Op een kaart uit 1644 wordt een van de pleinen al als Fisktorget, visplein, aangeduid. In 1849 werd de handel geconcentreerd rond Rosenlund en daar kwam 25 jaar later ’de vishallen’ bij, zoals de Feskekôrka eerst gewoon heette. Tal van kleine vishandelaren vonden een plek in het gebouw en er was zelfs een vismarkt op het plein om de ’kerk’. Dat duurde tot 1910, toen er een nieuwe vissershaven in gebruik werd genomen en de afslag en de handel zich daar ging afspelen. In de Feskekôrka, die aanvankelijk als ’meer merkwaardig dan mooi’ werd gekarakteriseerd, zitten nu nog een handvol visdelicatessenzaken en een befaamd visrestaurant.

Wie de afslag wel eens mee wil maken, moet zich tegen een uur of zeven in de morgen melden bij de fiskhamnen aan de boulevard. In een grote loods staan de bakken vol vis in lange rijen te wachten tot de veilingmeester langskomt met zijn elektronische apparaatje. Op de dozen of kratten staat het soort en de hoeveelheid. Met knikjes bieden de belangstellenden, vooral uitbaters van restaurants, en als het hoogste bod is gevallen, gaat er een plakker met de nieuwe eigenaar op de doos. Naast de bekende Noordzee-vissoorten zijn er ook bakken met kleine haaien, en soms kun je er een bot van 70 cm doorsnee treffen.

Zoals zoveel Europese steden dijde Gotenburg tijdens de industrialisatie van de 19de eeuw enorm uit. Had de stad in 1800 nog 13.000 inwoners, honderd jaar later waren het er 130.000. Voor 1800 waren de huizen doorgaans van hout, maar in 1803 eiste de nieuwe bouwverordening dat de huizen van de welgestelden in het centrum van de stad uit steen werden opgetrokken. De minder bedeelden moesten in houten onderkomens blijven huizen. Maar die houten woningen mochten slechts twee lagen tellen – weinig voor een binnenstad. Een bouwonderneming wilde inventief zijn en maakte plannen voor huizen van drie verdiepingen. De bovenste twee waren van hout en de onderste was van steen. Het stadsbestuur verbood het, maar het regiobestuur greep in en gaf wel toestemming voor de bouw. Met een verwijzing naar de regiogouverneur – de landshövding – heten de huizen sindsdien landshövdingehus. Ze hadden in elk geval een keuken en een woonkamer en twee ramen, een aan de straatkant en een naar de gezamenlijke binnentuin. Er moesten tot vijftien mensen in zo’n landhövdingehus wonen. Het eerste huis werd in 1875 betrokken in de wijk Annedal, en rond 1940 woonde de helft van de Gotenburgers in zo’n woning. In diezelfde tijd ging het stadsbestuur de verdere bouw verbieden, omdat het de huizen in deze oorlogstijd te brandgevaarlijk achtte. Bij de stadssanering van de jaren zestig zijn veel houten huizen gesloopt, maar enkele wijken hebben ze weten te bewaren. De beste selectie is te vinden in de wijken Majorna en KungsladugÃ¥rd in het westen van de stad, maar ook Haga, dichter bij het centrum, kent fraaie voorbeelden van het landhövdingehus.

Ooit, in de jaren tachtig van de 19de eeuw, bood het onderdak aan de Svea brand- en levensverzekeringen. Nu is sinds de millenniumwisseling in het klassieke gebouw aan de Vüstra Hamngatan het Elite Plaza Hotel gevestigd, een van de toplogeeradressen van Gotenburg. Boven op het dak staat Moder Svea, de oermoeder van Zweden. Toen de verzekeraar erin trok, werd het gebouw al aangeprezen als ’een pronkstuk voor het hele land’. Volgens een samenzweerderige medewerker komen grote sterren via de achterdeur naar binnen. Maar ook zonder er een paar nachten te logeren, kun je onder de indruk raken van de inrichting. De entree bestaat uit deels gepolijst graniet en het vloermozaïek komt nog uit Engeland. De hal valt op door zijn boogconstructies van marmer en zijn afgewerkt met smeedijzer. De deur naar de bar is een van de juweeltjes van het gebouw: het is een authentieke deur uit de tijd van de verzekeringsmaatschappij. Voor een ander indrukwekkend ornament moet men afdalen naar het souterrain. Waar eens de kluis was van Svea is nu de wijnkelder, die de drank levert voor proeverijen en party’s.

Gotenburg is de grootste havenstad van Scandinavië en wil je daar een goed beeld van krijgen, dan moet je een tocht maken met een van de platte Paddanboten. Voor je bij de haven bent moet de boot onder een aantal bruggen door. Een ervan heeft de bijnaam De Kaasschaaf en is zo laag dat alle deelnemers aan de tocht zich moeten opvouwen. En het is echt platliggen. Wie denkt dat er genoeg speling zit tussen brug en boot, gaat geheid met een hersenschudding naar huis.

De boottocht door het havengebied – waarbij de ’stuurman’ soms even stevig vaart moet maken om uit de buurt van een zeekolos te blijven – biedt niet alleen een blik op de voortdurende acties in een zeehaven zoals het werk in het dok. Vanaf het water heb je ook een prachtig vergezicht op de entourage en de stadslijn. Aan de zuidelijke oever, vlakbij de Göta ülv-brug, ligt volgend najaar prominent de East Indiaman Gotheborg, een groot houten zeilschip dat een replica is van het vaartuig dat 261 jaar geleden met de haven in zicht zonk. Het keerde terug van zijn derde reis naar Azië. In navolging van onder meer de Nederlanders hadden ook de Zweden in de 18de eeuw een Oost-Indische Compagnie. Toen in 1985 het wrak van de Gotheborg werd gevonden, kwam het idee om het schip na te maken. Drie jaar geleden werd het feestelijk te water gelaten en sinds vorig jaar zeilt het naar China en terug. Tot de East Indiaman Gotheborg weer in de haven aanmeert, moeten de liefhebbers het doen met onder meer de bark de Viking, die ook in de omgeving ligt. Vanaf het westelijk deel van de haven heb je overigens een prachtig uitzicht op de Viking en GotheborgUtkiken. In de volksmond staat het gebouw vanwege zijn kleurencombinatie en -opbouw ook wel bekend als de Lüppsfiftet, ofwel ’de lippenstift’. Het postmoderne kantoorgebouw heeft op de bovenverdieping een café, waar je prachtig over de stad kunt uitkijken. Vandaar dat Utkiken. Aan de voet ligt de GoteborgsOperan, dat al even modern van architectuur is. Het operagebouw heeft veel weg van een schip en dat was, in deze omgeving, ook de bedoeling van architect Jan Izkowitz. Wat meer naar het westen in de haven kun je verder nog heel mooi het militaire fort de Skansen Kronan – in de vorm van een kroon – en de Masthuggetkerk onderscheiden. De zestig meter hoge toren in Nordische romantische stijl domineert de hoge heuvels waarop de kerk is gebouwd.

Een van de leukste musea van Gotenburg – en de stad heeft een aantal imposante expositieruimten – is het Röhsska Museum van Design en Decoratieve Kunst. Het ligt wat verscholen in een gebouw van rode bakstenen, ontworpen door Carl Westman, een van de befaamde Zweedse architecten uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Het museum bestaat dit jaar negentig jaar; in de loop der jaren zijn er diverse vleugels bijgebouwd. Het College voor Kunstnijverheid van de universiteit ligt ernaast. Het museum heeft meer dan 50.000 voorwerpen in zijn collectie en daarnaast een bibliotheek over design en decoratie met meer dan 30.000 boeken en catalogi. De meerderheid van de collectie bestaat uit oud Zweeds en Europees ambachtelijk materiaal, maar er zijn ook voorwerpen uit het klassieke Griekenland en Rome, en uit China en Japan. In de jaren vijftig van de vorige eeuw is het museum vooral eigentijdse ontwerpen gaan verzamelen. De keuze bij het exposeren ligt niet zozeer op het cultureel-historische vlak, maar veel meer op de estetische en technische kwaliteit. Wie houdt van de praktische strakke Scandinavische stijl kan een paar heel plezierige uren in het Röhsska doorbrengen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden