goslinga / Het geloof in de overheid is groot, zelfs bij Rouvoet

De bestuurskundige Paul Frissen sprak afgelopen donderdag bij de presentatie van een boek over de visie van Thorbecke de veronderstelling uit dat deze liberale staatsman nooit de Betuwelijn zou hebben aangelegd. Hij baseerde zich op een uitspraak van Thorbecke dat de exploitatie van spoorwegvervoer ’uit haar aard geen regeringszaak is’. Deze uitspraak onderstreept hoezeer de liberalen in die dagen het dogma van staatsonthouding op vrijwel elk terrein aanhingen. Heel anders dan nu.

Thorbecke was niet er niet tegen dat de overheid de aanleg van verbindingswegen ter hand nam. Integendeel, zijn tweede kabinet besloot tot het graven van de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal, waardoor de havens van Rotterdam en Amsterdam een directe verbinding met zee kregen. Dit kabinet kwam, zoals Thorbecke bij zijn aantreden in 1862 zei, ’met de spade op de schouder’ naar de Kamer om de economie van het land op te stoten. Uit hetzelfde motief besloot het eerste kabinet-Kok begin jaren negentig tot aanleg van de Betuwelijn en de hogesnelheidslijn.

De politieke geschiedenis van ons land is nauw verbonden met de vraag of de staat zich al dan niet, en zo ja, in welke mate, met het maatschappelijk leven moet bemoeien. In Thorbecke’s tijd was die bemoeienis minimaal. De staat legde wel spoorlijnen aan, maar nam pas later de exploitatie ter hand, alsmede het vervoer – om dat een eeuw later met de verzelfstandiging van de NS weer af te stoten.

De tegenstellingen in de politiek zijn grotendeels voortgekomen uit de verschillende visies op de rol van de overheid. Volgens het schematische beeld gelden de liberalen nog altijd als de kampioenen van staatsonthouding. Dat mag op economisch terrein zo zijn, in de sociaal-culturele sfeer is er, vooral de laatste jaren, een sterke stroming (Bolkestein, Hirsi Ali, Verdonk) voor vergaand overheidsingrijpen. Deze liberalen schuwen drang en dwang niet om immigranten tot Nederlandse burgers, liefst net zo weldenkend als zijzelf, op te voeden.

Hoewel de ervaringen in immigratielanden als de Verenigde Staten leren dat de integratie drie tot vier generaties kost, menen liberalen als Verdonk dat dit proces door overheidsingrijpen kan worden geforceerd. Deze gedachte leeft niet alleen bij de VVD, maar ook bij CDA en PvdA en ook op andere terreinen, zoals de opvoeding en disciplinering van jongeren.

Het cliché dat louter de sociaal-democraten alle heil van vadertje Staat verwachten gaat dus niet op. Een sociaal-democraat als de econoom Wolfsen zong vijftien jaar terug, aangemoedigd door PvdA-leider Kok, al de lof van de privatisering van de telefonie.

Deze operatie had ons eindelijk van de standaardtelefoon van de PTT verlost. Niettemin pleiten in deze dagen PvdA’ers als Dijsselbloem (een ingenieur, dus een man van de maakbaarheid) zonder schroom voor ’staatsopvoeding’ en ’staatsmoralisme’.

In de christen-democratie is het beeld ook niet zwart-wit. De anti-revolutionair Abraham Kuyper verdedigde als leidend beginsel de soevereiniteit in eigen kring, waarbij de overheid slechts een rol op grote afstand toekwam. Niet voor niets richtte hij de Vrije Universiteit op. Deze notie werkte zo ver door dat iemand als Willem Aantjes, die tot de linkervleugel van de partij wordt gerekend, in de jaren vijftig nog met Kuyper in de hand fundamentele bezwaren opperde tegen de AOW en later als Kamerlid tegen de Algemene bijstandswet van Marga Klompé stemde.

Nu presenteert een andere Kuyperiaan, onze minister voor jeugd en gezin André Rouvoet, zonder blikken of blozen een jeugdplan waarbij de overheid de macht krijgt tot achter de voordeur in het gezinsleven in te grijpen. Rouvoet relativeerde deze week de reikwijdte, maar zijn plan ademt een oneindig vertrouwen in wat de overheid vermag om ontsporingen in gezinnen te voorkomen.

Het is raadselachtig waar dit vertrouwen, zelfs bij politici die van nature argwanend staan tegenover de overheid, vandaan komt. Het maakbaarheidsdenken was al enige decennia op de terugtocht, niet alleen vanwege de onbetaalbaarheid van de verzorgingsstaat en de passiviteit die zij opriep, maar ook onder invloed van affaires en ongelukken (WAO, IRT, Volendam, Enschede) die een onthutsend bestuurlijk onvermogen aan het licht brachten.

Op dit vlak is er vooralsnog weinig reden tot optimisme. Minister Donner meldde de Kamer deze week met het schaamrood op zijn kaken dat de verwerking van de fiscale en sociale toeslagen door het mislukken van de automatisering een puinhoop is geworden. Op dezelfde dag verdedigde minister Rouvoet tegenover het parlement de invoering van een elektronisch kinddossier als het ei van Columbus in de jeugdzorg.

Bijna alle partijen beloofden bij de Kamerverkiezingen eerherstel van de professionele werkers, maar het jeugdplan van Rouvoet openbaart een bureaucratisch monstrum dat de hulpverleners weinig autonome ruimte laat. Tegelijk stapelen Kamerleden suggestie op suggestie om toezicht, controle en ingrijpen door de overheid uit te breiden.

Als het al ergens goed gaat op dit vlak, is dat vaak te danken aan daadkrachtige bestuurders die zich aan formele regels en procedures weinig gelegen laten liggen, intuïtief handelen en vertrouwen op lichte organisaties en het gezonde verstand van de professionals. Thorbecke zag daarin ’de scheppende kracht van de natie’, wat de titel is van het nieuwe boek van de historicus Erik Swart over zijn denkbeelden. Daar valt nu nog wel iets uit te leren.

Goslinga verschijnt eind augustus weer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden