Gokken op het alledaagse

In de serie Rite du Cinema schrijft Willem Jan Otten maandelijks een essay over films die een leven veranderen. Vandaag: Un condamné à mort s'est échappé ('Ontsnapt uit de dodencel', 1956). "De depressieve buurman zegt: 'Hij is mislukt opdat jij zou slagen'."

Telkens stuit je er op, wanneer je op het web iets wil weten over een film: de spoiler alert, de waarschuwing dat als ik door zou lezen, ik iets verschrikkelijks te weten zou komen, en wel: de afloop. Het wil er bij mij, vrees ik, niet in dat de plotwendingen van een betekenisvolle film kennen afbreuk zou doen aan het kijkgenot. Een verhaal wordt, stel ik voor, juist sterker naarmate je de afloop beter kent. Ik stel dan ook een meaning alert voor. Het drama dat verpest kan worden door voorkennis, is naar grote waarschijnlijkheid onbeduidend.

Neem de Oidipoes - nog nooit heeft iemand die tragedie gezien zonder bij voorbaat al te weten dat Oidipoes zelf degene is die hij zoekt en de ogen wil uitsteken. Of de Othello - zo lang je, in je onwetendheid, denkt dat Othello Desdemona eventueel wél zou kunnen gaan vertrouwen, ontgaat je het belangrijkste. In zulke drama's zijn de personages zelf degenen die hun ondergang aan zichzelf voltrekken. We willen niet weten óf ze dat doen, maar: hoe, waarom, in welke toestand. We kijken naar wat moet en zal gebeuren, terwijl we ons inleven in personages die dat nog niet weten.

Zo was het een maand geleden met Dead Man Walking, de eerste film die in deze reeks ter sprake kwam. We kenden de wisse afloop. We kenden de onvergeeflijke misdaden van Poncelet, de hoofdpersoon - die hij zelf ontkende. Toch hoopten we met deze ter dood veroordeelde méé op uitstel en zelfs gratie. Maar de kern van het verhaal was dat pas het doden van deze hoop (waarvan we wisten dat het zou gebeuren: dat was nu juist de gekende afloop) de weg vrij maakte voor de bekentenis - het eindelijk en bevrijdend opbiechten van Poncelets aandeel in de misdaad waar hij voor gevonnist was.

Hij had het gehad over de loophole uit zijn gedoemde leven. Pas na het besef dat er geen uitvlucht kon zijn, vond hij de weg naar de bekentenis. Dát was de afloop van de film, een wonderlijke 'happy ending' in het uur van de dood. Je kon weinig anders verzuchten dan dat hij om zo te zeggen als een vrij man stierf.

En hoe beter je dit paradoxale einde van tevoren kende, des te betekenisvoller, helderder, meeslepender ook, werd de opeenvolging van stappen, de 'statieweg', naar die zelfde afloop. We kijken niet langer naar een plot, maar maken een procedure mee, het wordt een rite - iets wat al geweten werd en toch voltrokken.

Daarom, voor het type film waarover op deze plek wordt nagedacht is kennis, om niet te zeggen: besef, van de afloop onontbeerlijk. We kijken naar noodlottige levens (ook als de films komedies zijn), en toch zullen we onvermijdelijk ook verwikkeld raken in de kwestie van de vrije wil.

Er zijn niet veel filmers die hun personages zo systematisch en categorisch van hun vrijheid hebben beroofd als Robert Bresson (1901-1999). Zwijgplichtige slotnonnen, suïcidale adolescenten, een door en door gehoorzame priester, Jeanne d'Arc tijdens haar inquisitoire verhoor, ridder Lancelot opgesloten in zijn harnas, en minstens drie veroordeelde gevangenen - ik doe een willekeurige greep uit zijn oeuvre van twaalf films.

En gevankelijk is ook de verzetsman Fontaine, de hoofdpersoon van Un condamné à mort s'est échappé ('Ontsnapt uit de dodencel', 1956) van Robert Bresson. De titel verraadt schaamteloos de afloop: het is een gevangenisfilm - dat wil zeggen, Fontaine is opgesloten in de cel van de Gestapo-gevangenis van Lyon, in 1943; in de loop van zijn eenzame detentie hoort hij dat hij zal worden geëxecuteerd, maar juist voor het zover is ontsnapt hij. De voorbereiding van de ontsnapping is het verhaal. Ofschoon we weinig méér te zien krijgen dan de cel van twee bij drie, en er geen enkele aperte geweldsscène in voorkomt, is het een zenuwslopend spannende film.

Niemand van de ingezetenen gelooft dat het mogelijk is om te ontkomen. Er is nog een gevangene die, onafhankelijk van Fontaine, een ontsnapping voorbereidt; tijdens zijn poging wordt hij gearresteerd en niet veel later geëxecuteerd. Een buurman van Fontaine wil dat hij zijn gebeitel aan de zware houten deur van zijn cel staakt, omdat hij tóch gesnapt zal worden, en dan zullen ook de andere gevangenen gestraft en zelfs omgebracht worden.

Er is beslist iets onverklaarbaar aan Fontaine. Hij ziet een vluchtweg waar die, objectief beschouwd, niet is. En handelt daarnaar - iets waar hij soms de hulp en de adviezen van anderen bij nodig heeft. Die krijgt hij via klopsignalen, en tijdens het luchten of korte onderonsjes als de strontemmers moeten worden geleegd.

En er lukt hem iets: met een tot beitel geslepen lepel kan hij, na maanden geduldig werken, het kussen van zijn deur loswrikken en zo kan hij 's nachts voorzichtig de omgang van zijn afdeling oplopen. Het brengt hem aanvankelijk weinig verder, maar het geeft de andere gevangenen een onschatbare impuls. Eigenlijk doet het er niet toe of zij geloven dat ontsnapping mogelijk is - toch beginnen ze te geloven in de ontsnapping van Fontaine. Geloven is hier vooral: hopen, die ongrijpbare, 'zwijgende' faculteit waarvan eigenlijk alleen mensen in hopeloze omstandigheden kunnen spreken, althans met gezag.

Het maakt voor de enorme waarde van dit hoopgeloof niet uit dat de medegevangenen terdege weten dat zij zelf niet zullen ontsnappen. Ze geloven in ontsnapping zoals een stervende soms in Christus' ontwaken na de dood kan geloven. Maar Robert Bresson hoedt zich om deze analogie openlijk uit te werken, ondanks de aanwezigheid, tussen de gevangenen, van een dominee en een priester. Hoezeer ook doortrokken van het christelijke existentialisme van het naoorlogse Parijs, Bresson wil zijn scènes niet bezwaren met symbolen. Hij zet alles op alles om te voorkomen dat je denkt: het is christelijk, dus... "Kunst verkent ervaringen, geen geloofovertuigingen", noteert Raymond Durgnat in een essay over Bresson.

Hoe dan ook, er steekt een soort briesje van hoop op in de film. Zelfs de sombere, door doffe wanhoop lethargisch geworden, levensmoede buurman begint Fontaine met klopsignalen adviezen te geven en moed in te spreken.

Als de andere vluchter gearresteerd wordt kan hij, vlak voor hij wordt geëxecuteerd, aan Fontaine informatie geven over waar hij tijdens de ontsnapping is stuk gelopen. De depressieve buurman zegt kloppend door de muur: "Hij is mislukt opdat jij zou slagen."

Fontaine antwoordt: "Buitengewoon. Dat jíj zoiets zou zeggen."

Fontaine is bepaald geen denker, we zien hem eigenlijk alleen maar doen, naar hem kijken is 'kijken naar de schoonheid van een man aan het werk', zoals Eric Rohmer over de film heeft opgemerkt. Maar buitengewoon, extraordinaire, dat is het, het zinnetje van de buurman. Het ontwaken van een mens uit de sluimer van de wanhoop is weinig minder dan een wonder, zeker als dit in het aangezicht van de dood gebeurt. Deze buurman heeft buiten de gevangenis, weten we, niemand die op hem wacht, en vreemd genoeg wordt hij juist in het donkerste holst van zijn depressie verlost uit zijn eenzaamheid en opgenomen in een gemeenschap.

Dat geeft de ongekende spanning aan de film: dat er, door de onmogelijke poging van Fontaine, een gemeenschap van ontsnappers ontstaat. Weliswaar is er maar één man feitelijk aan het ontkomen, maar de anderen ontkomen aan de doffe zinloosheid die hun bestaan tekende. Ik ken geen preciezer verbeelding van wat volgens mij 'de gedroomde kerk' is, dan deze film.

Al kijkend begin je te begrijpen dat de film niet alleen over een ontsnapping uit deze Gestapo-gevangenis gaat, maar zelf, in zijn geheel, ook een ontsnappingspoging is. Alsof Robert Bresson, als de maker, met zijn gevangene een proces van bezieling doorloopt.

Als gevolg van minuscule, aandachtige handelingen, wordt voor je ogen de eenzame, geestdodende, 'totalitaire' ruimte een wereld van bezielde voorwerpen en gebaren. Stap voor stap maken we mee hoe Fontaine de weinige, onverbiddelijke, 'isolerende' elementen waaruit zijn cel bestaat, omtovert tot voorwerpen die stuk voor stuk betekenisvol zijn.

De onvermurwbare deur wordt een portaal naar een andere wereld, het kippengaas van het bed een levensreddende life-line, een ontluchtingsrooster een haak waarmee hij over de laatste muur zal kunnen klimmen. Maar vooral de korte, spaarzame ontmoetingen met de medegevangenen - die aanvankelijk als wanhopig los zand geen samenhang vertoonden - worden steeds intenser, geladener.

"Op het alledaagse gokken, vertrouwen hebben, dat is wat we het minst van alles kunnen", zegt de Japanse romanschrijver Shuzaku Endo naar aanleiding van Un condamné.

Bresson filmt op zijn onnavolgbaar bondige, karige wijze krasse staaltjes vriendschap en offerbereidheid, vol bliksemende, korte dialoogjes, en je vraagt je af of er buiten deze gevangenis zoveel overgave en intensiteit tussen deze mensen mogelijk zal zijn. Het lijkt allemaal misschien nog het meest op wat mensen mee kunnen maken tijdens het zorgen voor een stervende - ook een omstandigheid, of een 'zone' waar mensen zich eigenlijk niet meer afvragen of het leven zin heeft, omdat het antwoord 'natuurlijk' is, want we zijn er nu toch.

Wat er vooral gebeurt, tijdens deze ontsnapping aan het 'sceptische isolement' , waarvan dit gefilmde verhaal de metafoor lijkt te zijn, is dat Fontaine, en de anderen, steeds het risico nemen om elkaar te vertrouwen. Dat is, zo komt het je aanvankelijk voor, niet bepaald Fontaines eerste natuur. Hij is zielsargwanend en op het autistische af praktisch, in de weer met objecten, instrumenten. Maar hij heeft, om dóór te kunnen met zijn aanvankelijk hopeloze project, kennis en hulp van anderen nodig - en die moet hij in vertrouwen nemen.

"We bestaan in zoverre we samenhangen", zegt Joseph Conrad in zijn klassieke rite de passage-roman 'Lord Jim'. Ik kan het niet bewijzen, maar ik denk dat Bresson een Conrad-lezer was (Conrad was sowieso in de naoorlogse jaren in Parijs een gelezen schrijver), in ieder geval zijn dit woorden die de uitkomst zijn van het proces waarin de tot alle eigengereide eenzaamheid geneigde Einzelgänger Bresson zijn hoofdpersoon Fontaine verwikkeld laat zijn. Want het hoogtepunt van het drama is dat Fontaine, horend dat hij de volgende dag geëxecuteerd zal worden, in zijn cel wordt opgescheept met een medegevangene. In Duits uniform nog wel, een collaborateur overduidelijk, een kind vrijwel. Je beseft ogenblikkelijk dat de ontsnappingsfilm nu een beproeving is geworden - beproefd wordt nu Fontaines geloof in mensen.

En je beseft ook dat het feit dat hij tot op dat moment, tegen zijn aard in, vertrouwen heeft kunnen schenken en vooral ook: vertrouwen heeft gekregen, het feitelijke onderwerp van de film is geworden. We zijn met het uiterst praktische, feitelijke (en historisch getrouwe) verhaal in religieus vaarwater geraakt.

De ondertitel van de film was 'De wind waait waar hij wil', dus we waren gewaarschuwd. En je vraagt het je af - waar kwam toch het vermogen, of de bereidheid, om elkaar te vertrouwen vandaan? Waarom kan de één het wel, en vervalt de ander in argwanende wanhoop? En als Fontaine nu voor de beslissing staat (de jongen doden, of hem in vertrouwen nemen), welk princiep stuurt hem dan aan? Unde bonum - vanwaar komt het goede?

Waait de wind waar hij wil? De geest die mensen, zelfs onder dodelijke omstandigheden als deze, waar alles om rücksichtlos overleven schreeuwt, het risico van de liefde laat lopen - waarom heeft die door André Delvigny gewaaid, de verzetsman op wiens beroemde verslag deze film is gebaseerd?

Bresson doet in deze onvergetelijke sequentie geen enkele poging om Fontaines uiteindelijke beslissing te motiveren. De wind waait waar hij wil, en maakt de ontsnapping mogelijk - als een ritueel dat voltrokken wordt. Het is een ontsnapping naar letterlijk buiten, maar vooral ook de liefde in. Er gebeurt niets bovennatuurlijks, geen ingreep, geen wonder - en toch wordt de mysterieuze ondertitel van de film, die woorden van Jezus zijn (Johannes 3), om zo te zeggen vervuld.

Het is niets meer of minder dan genade, in volle werking.

Alles is genade, zegt aan het eind van Bressons voorgaande film (Journal d'un curé de campagne) de hoofdpersoon. Alles is genade, en toch is Fontaine volkomen vrij.

In het universum van Bresson is alles genade en tegelijkertijd is alles vrijheid. En Bresson ontsnapt met deze scène... naar zijn film, naar dat wat wij nu zien.

Pas tijdens de laatste scène, als Fontaine en zijn onverhoedse celgenoot de vrije nacht in lopen, en het beeld eindelijk wijder is geworden dan de twee bij drie meter van de cel, beseffen we dat we de hele film door niet één establishing shot hebben gezien. Dat is de opname waarmee kan worden verteld hoe groot de gevangenis is, waar, op welke verdieping het lichtje van Fontaines cel brandt of hoe de lokatie is gelegen ten opzichte van de stad. De film is een binnen zonder buiten geweest. Altijd waren we, met Fontaine, alleen maar binnen. Zelfs toen Fontaine 's nachts zijn verkenningstochten maakte over de daken, zagen we vrijwel niets. We zagen wat Fontaine zag, maar nooit meer, heel vaak minder. Dat laatste was ook het geval toen hij de bewaker moest doden, om het laatste stukje van de ontsnapping mogelijk te maken.

Natuurlijk hebben we toen het stuk ijzerdraad in zijn hand gezien - zoals we de hele film door de close-ups van de voorwerpen die instrumenten werden aandachtig hebben kunnen bekijken.

Maar toen Fontaine naar rechts opzij ging om zijn daad te plegen, bleef de camera roerloos staan, gericht op de lege muur waarvoor Fontaine niet meer stond. We hoorden de trein in de verte, die we al enkele keren hadden gehoord. We keken zonder iets te zien. Er verstreek precies zoveel tijd als nodig om een mens te doden. En Fontaine keerde weer, voor de muur en maande zijn mede-ontsnapper aan om van de muur te komen.

Deze scène is misschien wel de beroemdste in Bressons oeuvre. Hij is zeker ook een genadeloze... Ik geloof niet dat een moord - want dat is het hoe dan ook - ooit aanschouwelijker is geweest, of laat ik zeggen: tastbaarder, dan tijdens dit lege shot.

Lege muur. Geluid van buiten de gevangenismuren een trein. Tijd die verstrijkt.

"De voorwerpen en de geluiden gaan een intieme gemeenschap met de mens aan", zei Bresson in een interview. "En dat is heel wat serieuzer en belangrijker dan de handen die de bewaker wurgen."

Bresson is vaak de filmer van het onzichtbare genoemd - van de wind die op het wateroppervlak speelt, van de geest die in gezichten spiegelt. Het bezielende heeft materie nodig om te bestaan.

Maar Bresson is evenzeer de weglater van het beeld. Een complete dood kan hij weglaten. Misschien is hij op zulke verzwijgende ogenblikken (waarop er in feite een ontzieling plaatsgrijpt) wel het meest wat we een 'scheppend kunstenaar' noemen.

Iemand heeft van hem gezegd dat naar zijn films kijken je het gevaar doet lopen 'van film af bekeerd te raken'.

Hij ontledigt het beeld - opdat je gevuld wordt met realiteit. Precies zoals de buurman zei. Hij mislukt opdat wij, toeschouwer, slagen.

Rite du Cinema, of: We spartelen om boven te komen
"Het is maar film, maar onthullende film", zegt Willem Jan Otten over de filmserie die hij in samenwerking met Trouw en theater De Balie heeft samengesteld. "Die legt iets bloot wat we van ons zelf moeten weten: onze zwakheid, het morele drijfzand waarop we staan, 'het flinterdunne onderscheid tussen cultuur en chaos', om met Joseph Conrad te spreken. En 'weten' is hier: meemaken, op een gecontroleerde, rituele wijze. Het doel hiervan is om ons te wapenen. Films als deze fungeren als een rite de passage. Ze 'dompelen ons onder in het vijandig element, we spartelen om boven te komen', schrijft Conrad."

Willem Jan Otten is schrijver.

23|11L'enfant(2005, Jean-Pierre & Luc Dardenne) 27|2 [2012]The Truman Show(1998, Peter Weir)26|3 Il vangelo secondo Matteo(1964, Pier Paolo Pasolini)23|4Stand van de maan(2001, Leonard Retel Helmrich)28|5Bad Lieutenant(1992, Abel Ferrara)25|6Stalker(1979, Andrej Tarkovski)

Rite de Cinema, in De Balie te zien op: 24|10Un condamné à mort s'est échappé(1955, Robert Bresson) 28|11Groundhog Day(1993, Harold Ramis)19|12Svyato(2005, Victor Kossakovski)

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden