Goede politieke kunst houdt het bescheiden

Hedendaagse kunst presenteert zich graag als politieke kunst. In Berlijn wemelt het ervan. Ook de Documenta in Kassel pretendeert politiek te zijn. Hoe verhouden kunst en politiek zich eigenlijk tot elkaar?

Op de schier oneindige vlakte van het Tempelhofer Feld, een voormalig vliegveld midden in Berlijn, staat nogal verloren een veertig meter lange, houten constructie. Ze nodigt de bezoeker uit er in flinke looppas doorheen te lopen. Wie dat doet en op de naar de wandelaar gekeerde panelen aan de linkerkant let, ziet in achtereenvolgende stills hoe een sluipschutter tevoorschijn komt en op de filmer schiet van wie de stills afkomstig zijn.

De beelden stammen uit Syrië, het lot van de maker is onbekend. Beduusd van wat hij heeft gezien, loopt de bezoeker langs de zijkant terug naar de ingang. Op de achterkant van de schuine panelen leest hij raadgevingen voor wie een gewelddadig politiek conflict met smartphone of camera wil vastleggen. Nuttige instructies, zoals: film altijd een stuk omgeving mee, zodat de plek later geïdentificeerd kan worden. En zet de tijd- en datumfunctie aan.

'Double Shooting' heet de installatie van de Libanese kunstenaar Rabih Mroué, die ook op de Documenta door hem verzamelde amateurbeelden toont van Syrische schietincidenten. Het schieten van beelden en het schieten op mensen, beide komen in de Berlijnse installatie samen en confronteren de toeschouwer onverhoeds met de realiteit van politiek geweld. Dit is politieke kunst die iets openbreekt in het bewustzijn en een spoor van verontrusting nalaat.

Mroués Double Shooting is daarmee de grote uitzondering in de vloedgolf aan politieke kunst die dit jaar Berlijn overspoelde en tot in Kassel doorkabbelde. Alles wat zich de afgelopen maanden in de Duitse hoofdstad als vernieuwend aandiende, tooide zich met het label 'politiek'. Maar dat label ontpopte zich als het woord 'gezond' op een pak fruitsap dat bij nadere beschouwing louter chemisch gemodificeerde suikermoleculen blijkt te bevatten.

Geen woord duikt zo te onpas op in veel hedendaagse kunst als het woord 'politiek'. En zelden legt iemand uit wat het betekent. De term lijkt vooral bedoeld als afgrenzing. Een kunstwerk dat zich als 'politiek' aandient, wil daarmee vooral zeggen: Let op, dit is niet alleen maar kunst. Maar wat het dan nog meer is, blijft in nevelen gehuld, die alleen maar ondoorzichtiger worden zodra de maker zich aan een uitleg waagt.

Politieke kunst, hoor je wel eens, is kunst die de perceptie van de alledaagse omgeving vervormt en aanscherpt. Dat doen de vier jongens van Bosso Fataka, daar waar deze expeditie langs politieke kunst begint, in de Berlijnse wijk Friedrichshain. 's Nachts gaan ze de straat op, verzamelen grofvuil en binden dat met vershoudfolie vast aan lantaarnpalen, fietsenrekken en brugpijlers. Straatkunst voor een dag of wat, totdat de gemeentereiniging haar wegruimt.

En ja, het brengt wat teweeg. Je verbaast je er even over wat mensen zoal wegdoen. De overdaad van de consumptiemaatschappij: een geliefd thema van 'politieke' kunstenaars. En ach, het ziet er niet eens gek uit, het heeft zeker iets van kunst. Het doet denken aan de inpakkunst van Christo & Jeanne-Claude, die kort na de val van de Muur de Rijksdag inpakten en daarmee de politieke stemming in Berlijn een enorme opkikker gaven.

In het SEZ, het Friedrichshainse Sport- en Ontspanningscentrum uit de DDR-tijd dat zo lelijk is dat het weer mooi wordt, stelt Bosso Fataka nu samen met andere straatkunstenaars hun werk tentoon. De vaak politiek bedoelde kunst herinnert aan de gouden tijden van de schilderingen op de Muur, die de deling van de stad hoonden. Een kwart eeuw later en zonder zo'n brisante context doet de politieke graffiti gemakzuchtig, gratuit en goedkoop aan.

Politieke straatkunst moet het duidelijk hebben van het grote gebaar, de niet mis te verstane boodschap, de universele beeldtaal. Met als gevolg: hoe duidelijker het statement, hoe platter de kunst. De meest genietbare straatkunst maakt gebruik van ironie. In het SEZ kom je bijvoorbeeld Che Guevara en Mona Lisa als bruidspaar tegen. Maar dat is eerder een grappig commentaar op politieke iconografie dan een steekhoudend politiek statement.

Daarmee zijn we bij het kernprobleem. Het lijkt erop dat politiek en kunst elkaar niet verdragen, elkaar zelfs uitsluiten. Hoe meer politiek, des te minder kunst, en omgekeerd. Kunst en politiek zijn twee onverenigbare manieren van waarnemen, spreken en handelen. Een filosoof zou zeggen: Twee verschillende 'taalspelen'. Zelden werd dat zo onverbiddelijk aangetoond als door de zevende Berlijnse Biennale van dit voorjaar.

"Kunst die niet politiek is, is geen kunst maar een dode vogelverschrikker gevuld met stront en reflectie." Met dat credo losten de samenstellers van de Biennale het dilemma van kunst en politiek op. Met als resultaat een kunstmanifestie waarin het niet om schoonheid maar om actie ging. De Russische kunstenaarsgroep Vojna stak een politiewagen in brand. Is er dan nog verschil tussen vandalisme en kunst? "Dat is er niet", antwoordde curator Artur Zmijewski.

Nada Prlja zette een zwarte muur neer dwars op de Friedrichstrasse, precies daar waar de dure winkelstraat overgaat in een deel met louter sociale woningbouw. De muur moest de mensen bewust maken van de tegenstellingen in de stad, maar wekte bij de omwonenden vooral woede op. Het ding blokkeerde het verkeer, was lelijk en stigmatiseerde eerder dan dat het aan verzoening bijdroeg. De opgehoopte woede leidde tot de vroegtijdige afbraak van de muur.

Een sterk argument tegen de Biennale-muur leverde een buurtwerker: "Er is nauwelijks een wijk in de stad waar zo veel over problemen wordt gediscussieerd als hier." De muur was zijns inziens volmaakt overbodig. Hij was slechts een hulpeloos gebaar waarmee de kunstenares haar eigen behoefte aan politieke expressie bevredigde en bij de buurtbewoners alleen maar ergernis uitlokte. 'Arschkunst' (aarskunst) schreef iemand op de muur.

Zonodig nog hulpelozer was het project 'Guggenheim Lab', dat aanvankelijk veel stof deed opwaaien, maar is uitgelopen op een deerniswekkend fiasco. Onder auspiciën van de Amerikaanse Guggenheim Stichting en met geld van de Duitse autofabrikant BMW reist een mobiel laboratorium langs een aantal wereldsteden. Na New York is nu Berlijn aan de buurt, Mumbai volgt.

Het is de bedoeling dat kunstenaars, architecten en stedebouwkundigen de plaatselijke bevolking helpen ideeën te ontwikkelen om het leven in hun stad te verbeteren. De curatoren, stuk voor stuk bevlogen idealisten met stralende ogen, hoopten dat mensen spontaan langs zouden komen om met hen aan hun stad te knutselen. Het lab, een open ruimte met veel techniek, bood tafels vol creatief materiaal en Engelstalige begeleiding.

Er kwam bijna niemand. Behalve veel reporters en televisieploegen. Die wilden wel eens zien wat er terechtkwam van een project dat eerst uit de hippe wijk Kreuzberg was verjaagd omdat men daar BMW, besmet met een oorlogsverleden vol dwangarbeid, niet lustte. Hoe sympathiek sommige van de honderd projecten uit het laboratorium ook waren, er was niets bij dat de Berlijners niet zelf konden verzinnen. En dan in hun eigen taal.

Dat bewees de jaarlijkse manifestatie '48 uur Neukölln'. Berlijn, het is inmiddels een cliché, is een dynamische stad. Haar imago als kunstmetropool bouwde ze op in de wijken Mitte en Prenzlauerberg. Daar heerst inmiddels de gezapigheid van het establishment, wat mede een reden is waarom projecten als de Biennale (in Mitte) en het Guggenheim Lab (in Prenzlauerberg) er mislukten en in de media slechts meewarige commentaren oogstten.

Kunst met een overtuigender politieke impuls is daarentegen volop te vinden in de wijken die in opkomst zijn: Kreuzberg, Neukölln, Wedding. Vooral in het noorden van Neukölln, bijgenaamd 'Kreuzkölln'. Half juni vond daar 48 uur lang een kunstfestival plaats met 600 onderdelen, verspreid over 140 locaties. En bijna overal ging het om migranten, asielzoekers, woonperikelen, sociale verandering en stadspolitiek. En om kunst.

Neukölln bood politieke kunst van het kleine gebaar, de subtiele provocatie en de lokale beeldtaal. Kunstenaars en bewoners toonden belangstelling voor elkaar en leken elkaar zelfs te begrijpen. Samen met bewoners onderzochten kunstenaars wat in hun 'Paradijs Neukölln' mooi en betekenisvol was. De kroegbaas op de hoek, geboren en getogen in de volkswijk, kon als geen ander uitleggen wat de kunstprojecten op het plein voor zijn zaak betekenden.

Iets verderop, in een afgetakeld winkelpand, had de ideeënclub Ida Nowhere in surrealistische stijl een 'Bureau voor cratie' ingericht. Wie binnenkwam moest een nummer trekken en wachten tot hij zijn tocht langs de loketten mocht beginnen. Idiote formulieren, onbenaderbare ambtenaren, een dadaïstische taaltest. Bureaucratisch theater dat buurtbewoners serieus meespeelden, tot en met de woede-uitbarstingen van een gechicaneerde burger.

Wat Neukölln liet zien was artistiek bescheiden maar onmiskenbaar politiek, hoe lokaal ook. Misschien is politieke kunst daartoe wel veroordeeld om geloofwaardig te blijven. Als kunst politiek wil zijn, moet het zich in een context voegen, in een omgeving, een geschiedenis, een geleefd conflict. Dat vereist engagement, niet alleen van de kunstenaar maar ook van de toeschouwer. Politieke kunst vereist inspanning. Anders is ze een loos, een hulpeloos gebaar.

We nemen de proef op de som en bekijken politieke kunst die uit haar context is gelicht en naar het grootst denkbare podium is overgebracht. We verlaten Berlijn en reizen 300 kilometer westwaarts richting Kassel, naar de Documenta, de vijfjaarlijkse wapenschouw van de hedendaagse kunst. De curator van deze dertiende aflevering, Carolyn Christov-Bakargiev, belooft ons in een onnavolgbaar manifest kunst die bij uitstek politiek is.

Er is veel te zien op de Documenta, veel moois, maar met politiek heeft het meeste weinig te maken. Politiek is vooral te vinden in veel van de ruim vijftig bouwsels in het uitgestrekte Karlsaue-park. Maar die politieke uitingen zijn nogal naïef en nodigen nauwelijks uit tot engagement. Een adviesbureau voor ruilhandel: kenden we die kapitalismekritiek niet al? Een nagespeeld sanatorium voor héél de mens: decennia oude kritiek op de gezondheidszorg.

De Poolse Goshka Macuga weefde een gigantisch tapijt met daarop een ontspannen gezelschap dat voor het kapotgeschoten Koninginnenpaleis in Kaboel poseert. Vooraan voert een slang een dans uit. In Kaboel, waar de Documenta een parallelle tentoonstelling heeft ingericht, is op een even groot tapijt een even ontspannen gezelschap te zien dat voor de barokke Orangerie in Kassel poseert. Op het gras liggen politieke leuzen.

Op die tapijten van ruim drie bij elf meter, opgehangen op een halfronde muur, valt enorm veel te zien. En hoe langer je kijkt, hoe zwaarder de afbeeldingen met politiek beladen raken. Het is politieke kunst anno nu, je moet er als kijker werk voor verrichten, contexten meerekenen, verhalen bedenken. Vroeger was dat anders, daarvan getuigen op de Documenta de als pamfletten zo duidelijke anti-oorlogstapijten uit de jaren dertig van Hannah Ryggen.

Geen politieke kunst, althans zeker geen kunst, is een tentenkamp van de Occupy-beweging. De Berlijnse Biennale vroeg de antikapitalistische kampeerders een grote ruimte in haar hoofdgebouw in te richten, maar wat daar ontstond, was een actiecentrum, geen artistieke installatie. In Kassel kamperen ze zonder uitnodiging vlak voor het hoofdgebouw, het Friedericianum. De Documenta biedt hun ruimhartig stroom, water en draadloos internet.

Afgelopen week hebben de Occupy-demonstranten in Kassel ongevraagd een installatie gebouwd van houten panelen met woorden als 'Hebzucht', 'Hoogmoed' en 'Afgunst' erop. Zelf noemen ze het 'een machtskritisch kunstwerk'. Curator Christov-Bakargiev vindt het allemaal best. Ze wil er niets tegen ondernemen. De Occupy-beweging is nu eenmaal de hedendaagse politieke context van een evenement als de Documenta.

De mooiste politieke kunst is uiteindelijk binnen te zien, in een onopvallend hoekje van het Friedericianum, Daar staat een oeroud beeldje van twee figuurtjes in een dramatische pose, twee lichamen die uitgeput in elkaar hangen, lijkt het. Zo is het beeldje niet gemaakt, zo is het geworden nadat het deels is gesmolten in de hitte van de Libanese burgeroorlog. Het Nationale Museum in Beiroet, waarin het was tentoongesteld, lag precies in de vuurlinie.

Het beeldje zoals het nu is, heeft geen maker. Er gaat geen kunstenaar met politieke bedoelingen achter schuil. De politiek zelf is de maker. Dat maakt het in al zijn hulpeloosheid zo ontroerend.

De Documenta in Kassel is nog te zien tot 16 september. De tentoonstelling met straatkunst, 'Silence is a Lie', in het SEZ, Landsberger Allee 77 in Berlijn, is nog te zien tot 30 september.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden