Goede daden pluk je niet uit de hemel

Het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid kwam al snel in de vuurlinie te liggen van een veel oudere strijd. Partijen zijn enerzijds de hartstochtelijke voorvechters van het geloof, zoals Andreas Kinneging en Ad Verbrugge, en anderzijds de gedreven tegenstanders als Herman Philipse en Paul Cliteur.

Bij de Cliteurs en de Philipsen overheerst de gedachte dat een ethiek het wel zonder godsdienst kan stellen en dat een godsdienstige fundering van de ethiek onmogelijk en zelfs nadelig is. De mens kan volgens hen heel goed zonder goddelijke hulp bepalen hoe hij moreel moet handelen. De Kinnegings en de Verbrugges zetten juist vraagtekens bij die morele autonomie. Zij menen dat een ethiek zonder godsdienstige basis een heilloos gedrocht is, dat de mens in volstrekte morele verwarring achterlaat.

Nu wordt er over de historische komaf van het begrip morele autonomie wel eens wat gekissebist, maar niemand kan er omheen dat Immanuel Kant (1724-1804) het in wezen heeft gemunt.

Verlichtingsdenker Immanuel Kant was geen godsdienstvijandige man. Integendeel. Hij was religieus gedreven. Toen hij in zijn ’Kritiek van de zuivere rede’ stelde dat hij het „weten moest opheffen om plaats te verkrijgen voor het geloof”, uitte hij een kerngedachte. Volgens hem bestrijkt onze kennis een beperkt domein en is er buiten dat domein ruimte voor religie.

Maar Kant was bovenal een zeer oorspronkelijk en eerlijk denker, die er niet voor terugdeinsde om de godsdienst aan te pakken waar die ongerechtvaardigde beweringen deed of zich op immorele methoden beriep. Zo veegde hij in bovengenoemd werk hardhandig de vloer aan met de godsbewijzen, die op een wetenschappelijke manier meenden te kunnen aantonen wat het terrein van de wetenschap volstrekt te boven ging.

Immanuel Kant formuleerde zijn gedachten over de morele autonomie van de mens, overigens geïnspireerd door Rousseau, in de ’Fundering voor de metafysica van de zeden’ (1785). Hierin gaat hij op zoek naar een beginsel dat aan de basis kan staan van ons morele handelen. Filosofen hebben al heel wat pogingen ondernomen om zo’n beginsel te zoeken, zegt hij, maar hun pogingen hebben allemaal jammerlijk gefaald. En dat komt doordat ze alle beginselen altijd verbonden met een bepaald belang. Sommigen vonden dat je moreel moest handelen omdat je daarvan gelukkiger werd, anderen omdat je dan een volmaakter mens werd, of dat je daarmee de straf van God ontliep. Maar allemaal gingen ze ervan uit dat je moreel moest handelen om er zelf beter van te worden.

Zij vergaten volgens Kant dat het in de moraal au fond gaat om onbaatzuchtigheid, om het verrichten van handelingen waarmee geen enkel persoonlijk belang verbonden is. En we kúnnen onbaatzuchtig zijn, zegt Kant, we kúnnen ons aan onze belangen onttrekken. Als we voor een moreel dilemma staan, ervaren we immers dat we de plicht hebben om juist dit, en niet dat te doen. Om het oude dametje dat in de modder is gevallen overeind te helpen en niet de andere kant op te kijken, ook al kan onze nette jas daardoor spatten oplopen.

Die ervaring nu maakt ons volgens Kant autonoom (helemaal volgens de Griekse herkomst van het woord: autos betekent ’zelf’, nomos betekent ’wet’). De plicht welt in ons op als een wet die we onszelf stellen. Die wet noemt hij de ’categorische imperatief’, oftewel het onvoorwaardelijk gebod. En zijn eerste en belangrijkste formulering luidt: „Handel zo, dat het beginsel van uw handeling kan gelden als algemene wet.” Wat weer erg veel wegheeft van de klassieke morele regel: „Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan een ander niet.” Wij mensen zijn allemaal tot moreel handelen in staat, zegt Kant, omdat we deze morele wet in ons dragen en aan onszelf kunnen opleggen.

Ons hedendaagse begrip morele autonomie valt natuurlijk niet helemaal samen met Kants idee. Maar het wezen ervan blijft overeind. Wij beschouwen de mens als autonoom omdat we denken dat hij weet wat goed en slecht is (’de morele wet’ kent) en dat hij de verantwoordelijkheid voor zijn eigen daden kan nemen (zijn ’plicht’ kan vervullen).

Kant betrok ook de godsdienst in zijn betoog. Mensen die denken dat ze moreel handelen omdat ze aan de wil van God gehoorzamen, hebben het bij het verkeerde eind, vond hij. Ten eerste kunnen ze die wil helemaal niet kennen, omdat God zelf zich aan het domein van hun kennis onttrekt. Maar ten tweede, en dat is hier het kardinale punt, lopen ze het risico dat ze morele keuzes maken uit angst voor Gods macht en wraakzucht en vanuit het verlangen om hem te behagen en zo de hemel te verdienen.

Ik maak even een biografisch uitstapje. Van zijn achtste tot zijn zestiende had Kant het Collegium Fridericianum bezocht, een school van piëtistische signatuur. Daar werd sterk de nadruk gelegd op allerlei vormen van geloofsoefening. Het ging erom de wil van het kind te breken en hem volstrekt gehoorzaam te laten zijn aan de wil van God. Kant keek zijn leven lang met grote afschuw terug op de religieuze kadaverdiscipline, de ’jeugdslavernij’, die hij op dit instituut moest ondergaan. Zijn opvattingen over de morele autonomie van de mens kwamen mede voort uit deze nare ervaringen.

Ik geloof dat Kant hier een belangrijk probleem voor de godsdienst signaleert. De gelovige mens, de mens die gelooft in een God die de wereld op een rechtvaardige manier bestuurt, die op aarde of in de hemel het goede beloont en het kwade bestraft, moet er altijd op letten dat hij zijn handelen niet van bovenaf laat bepalen. Wie dat wel doet, is niet onbaatzuchtig, en zijn zogenaamde goedheid is schijnheilig. Want het enige wat hem tot goed handelen kan aanzetten is zijn eigen hart, zijn eigen, vrije wil.

Hedendaagse gelovigen die zo hard roepen dat de secularisatie tot morele verwarring heeft geleid en dat een ethiek zonder godsdienst niet werkbaar is, zouden toch eens te rade moeten gaan bij de diepreligieuze wijsgeer uit Koningsbergen. Ze zouden bescheidenheid bij hem kunnen opdoen, en het besef dat ze hun goede daden niet uit de hemel kunnen plukken.

Morele autonomie is niet voorbehouden aan de ongelovige mens. Zowel gelovigen als ongelovigen zullen hun morele keuzes zelfstandig moeten maken. Ze zullen allemaal het innerlijke gevecht moeten leveren om oprecht te kiezen, om te manoeuvreren tussen eigenbaat en onbaatzuchtigheid, tussen zelfzuchtigheid en belangeloosheid. De mens als moreel wezen kan zich enkel en alleen beroepen op zijn eigen geweten.

Gelovigen en ongelovigen zouden elkaar dan ook moeten kunnen vinden in het beginsel van de morele autonomie. Het gaat hier om een meentgrond, een terrein dat door beide partijen wordt bebouwd. Dat beginsel kan de samenleving binden en bezielen.

Van het nogal eens gebruikte tegenargument dat het autonomiebeginsel het individu te zeer losweekt van samenleving en traditie ben ik niet erg onder de indruk. De gedachte dat morele beslissingen uiteindelijk tot stand komen vanuit onze individuele, vrije wil, is in onze geschiedenis nu juist een dragende en voortdurend terugkerende gedachte. Bij bijvoorbeeld Plato tref je die gedachte aan, maar ook bij Christus. Ook de laatste hamerde op het belang van de individuele morele intentie. En in de christelijke geschiedenis dook het beginsel van de persoonlijke zedelijke verantwoordelijkheid voortdurend op. Kants argumentatie vormde de uitkomst van een lange, eerbiedwaardige traditie, en daar was hij zich terdege van bewust. Zo zag hij Christus zelf als de mens die het beginsel van de morele autonomie volmaakt belichaamde. En inmiddels is Kant, boegbeeld van de Verlichting, zelf deel geworden van onze geschiedenis, van onze overlevering, onze worteling.

De mens kan nog zozeer tot een groep behoren, als zedelijk wezen verkeert hij in een isolement. Iedereen, atheïst of gelovige, is eenzaam als hij morele keuzes maakt. Maar het is een eenzaamheid die we met elkaar delen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden