Goede bedoelingen maken malariamuggen resistent

interview | Morgen is het op de dag af 65 jaar geleden dat de Nederlandse overheid voor het eerst geld uittrok voor ontwikkelingshulp. Op verzoek van de Amerikaanse president ging er 1,5 miljoen gulden naar een hulpprogramma van de VN. Waar staan we nu?

Nederlanders willen graag een vlaggetje planten

Ruerd Ruben...

...was tot 1 september directeur van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB). Ofwel: de man die het ministerie van buitenlandse zaken de maat nam door de effecten van het beleid te meten. Ruben is nu hoogleraar en programmaleider voedselveiligheid, waardeketens en impactanalyse bij het landbouweconomisch instituut (LEI) van Wageningen Universiteit.

Vraag Nederlanders of er te veel of te weinig wordt besteed aan ontwikkelingssamenwerking en bijna iedereen zegt te veel. Maar niemand weet hoeveel. Het budget voor ontwikkelingssamenwerking is ongeveer even groot als dat van de gemeente Den Haag. Een dikke vier miljard. Peanuts. Dat is belangrijke kennis, om mensen een gevoel te geven wat ze mogen verwachten.

Er is veel kritiek op ontwikkelingssamenwerking. Politici zeiden: laten we ermee stoppen. Dus is er veel geïnvesteerd om zicht te krijgen op de resultaten. Al dertig, veertig jaar lang ondertussen. Het is bijna onbetwist - wetenschappelijk, niet politiek - dat de gezamenlijke hulp van alle donoren waaronder Nederland, Afrika ongeveer 0,2 procent extra groei heeft opgeleverd. Is dat veel of weinig? Afrika groeit nu harder, met 4 procent gemiddeld, dus misschien is 0,2 niet zoveel, maar gezien de omvang van de hulp is het best heel redelijk.

De politiek vindt dat volstrekt oninteressant. Kritiek pakt men makkelijk op, maar als je die met feiten weerlegt - zoals mensen als ik doen - is er totaal geen belangstelling.

Voor de grote thema's op de Nederlandse ontwikkelingsagenda - water, gezondheidszorg, voedselhulp en, nu nog, energie, onderwijs - onderzochten wij het netto-effect: wat heeft hulp opgeleverd, los van autonome ontwikkelingen in ontvangende landen. Op onderwijs was er onmiskenbaar een groot effect. Kinderen halen hogere cijfers voor rekenen en taal, ze maken hun school vaker af. En de politiek besluit: we stoppen ermee. Nederland heeft onderwijs laten vallen als thema.

De Nederlandse inzet op drinkwater - 40 miljoen putten zijn er geslagen - had nauwelijks netto-effect. Wij wilden weten of mensen er gezonder door zijn geworden, is hun drinkwater schoon? Het water bleek wel schoner aan de put, maar tegen de tijd dat mensen het consumeerden was het weer even vies als rivierwater. Doordat ze er met hun vingers aan zaten.

Beleidsambtenaren zeiden: da's fijn, weer wat geleerd. We moeten mensen niet alleen leren waterputten te slaan, maar ook hun handen te wassen. Maar politici zeiden: dat is niet eerlijk. We hadden afgesproken putten te slaan en nu kijken die inspecteurs of mensen gezonder worden. Terwijl dat heel redelijk is. Beleid is niet: 'dit wil ik doen' maar 'dit wil ik bereiken'.

Dat is het - nou, drama wil ik het niet noemen - de moeilijkheid van ontwikkelingssamenwerking. Er zit een politieke dimensie aan, maar je zou de uitvoering graag als een professionele job willen zien, los van het ministerie. Dat is in Nederland nooit gelukt.

Beleidsmakers dienen te vragen: welk instrument hoort bij welk doel? Niemand doet dat. Doen we de goede dingen is een politieke vraag. Doen we de dingen goed is een efficiencyvraag. Die moét je beantwoorden. Iedereen denkt dat het onderwijs in Afrika verbetert door scholen te bouwen. Maar als het grootste probleem is dat kinderen het schooljaar niet afmaken, moet je een weg aanleggen en zo de afstand tussen school en huis verkleinen. Maar infrastructuur hoort niet bij onderwijs. Dus gebeurt het niet.

Een dilemma is bovendien: Nederlandse burgers willen graag iets concreets zien en dat staat op gespannen voet met wat werkt. Ze willen een Nederlands vlaggetje planten bij een Nederlands project. Schooltjes bouwen. En minister Ploumen van ontwikkelingssamenwerking vertelt graag concrete verhalen. Terwijl ze best weet hoe het zit.

Je moet altijd een zinnig verhaal kunnen ophangen, op basis van onderzoek. We zijn al 65 jaar bezig, we hebben wel wat geleerd.

Tien jaar geleden gaf Nederland vooral geld aan andere overheden. Grote brokken, tien, twintig miljoen, en zei: dat mogen jullie besteden aan onderwijs, wegen, maakt niet uit. Begrotingssteun is het meest effectieve instrument, maar het parlement wil het niet. Men denkt dat het in zakken verdwijnt. Onzin. Dus passeren er nu jaarlijks zo'n zes- tot zevenduizend individuele projecten. Bedenk eens wat dat aan ambtenarij kost en hoe vervelend dat is voor ontwikkelingslanden die dat allemaal moeten accommoderen. Ik vind het rampzalig. De leercurve is hier te beperkt. We weten best wat efficiënter en effectiever is, maar men wil graag sturen. Werken op basis van vertrouwen is nog het moeilijkste in deze sector.

Waar ik trots op ben, is dat alle projecten boven de 5 miljoen euro nu ook vooraf door externe mensen worden getoetst. Zit er een logische gedachtegang achter? Kun je een goed resultaat verwachten? Dat heeft tot grote aanpassingen geleid.'

Stefan Verwer, Lau Schulpen, Ruerd Ruben (red.): Hoe nu verder? 65 jaar ontwikkelingssamen-werking. LM Publishers, Arnhem; 448 blz. euro 17,50

Hulpsysteem is als een balsem voor het geweten

Ben Ramalingam...

...is een Brits onderzoeker en adviseur, gespecialiseerd in ontwikkelingsvraagstukken. Hij is voorzitter van het Humanitarian Innovation Fund, dat zoekt naar betere manieren om te reageren op grootschalige rampen en onder meer verbonden aan de London School of Economics en de Overseas Development Institute. Ramalingam sprak vorige week in Nederland op uitnodiging van de Society for International Development.

Ik ben als outsider de ontwikkelingssector binnengekomen, vanuit het bedrijfsleven. Ik was adviseur in verander- en verbeterstrategieën. Al snel begreep ik dat er raakvlakken zijn tussen het bedrijfsleven en de ontwikkelingssector, maar dan wel het bedrijfsleven uit lang vervlogen tijden. De ondernemer die zich nog het meest thuis zou voelen - als hij weer tot leven werd gewekt - bij een ontwikkelingsorganisatie is Henry Ford. De man van de T-Ford en de lopende band.

De gereedschappen en denkwijzes die hulporganisaties gebruiken verschillen niet veel van waar Henry Ford zich begin vorige eeuw van bediende. Ontwikkelingslanden, gemeenschappen, politieke systemen worden gezien als automotoren. Werken ze niet, dan trekken we ze onze metaforische fabriek in, vervangen een onderdeel en dan doen ze het weer.

Maar het zijn meer ecosystemen. Als je iets aanpast, heeft dat een domino-effect. Malaria wilden we uitroeien met geïmpregneerde klamboes, wat er alleen toe leidde dat malariamuggen een resistentie ontwikkelden. Maar die boodschap komt niet over; als iets niet werkt, is de aanname dat de omstandigheden niet deugen. Dus probeert men die aan te passen, zodat de oplossingen die hier zijn verzonnen en uitgewerkt - of dat nou een product is als een klamboe, een dienst als onderwijs of een hele institutie als democratie - wel passen.

Donoren stimuleren ontwikkelingsorganisaties om te doen alsof ze de wijsheid in pacht hebben. Organisaties kúnnen zeggen: geef ons geld en wij gaan naar Ethiopië om te vragen wat men daar nodig heeft. We blijven heel lang en hopelijk levert dat wat op, maar misschien ook niet. Of ze zeggen: geef ons vijf euro en wij sturen dekens en lossen het probleem op.

Voor westerlingen is het hulpsysteem als een balsem voor hun geweten. Die willen dat complexe verhaal niet horen. Terwijl hulp juist succesvol is als mensen de juiste vragen stellen, niet als ze binnenstappen met hun antwoorden. Neem de manier waarop er tientallen jaren is omgegaan met zwaar ondervoede kinderen. Een ontwikkelingsorganisatie verschijnt ten tonele en bouwt een tent. Ouders brengen hun kinderen en die gaan vervolgens door een Fordistische productielijn: ze worden gewogen, bekeken, behandeld, elke dag, tot ze er aan de andere kant weer uit komen. Zeer inefficiënt. Ouders worden op kosten gejaagd, want ze moeten hun kind wegbrengen. Verschijnt zo'n tent in een gemeenschap die onder spanning staat, dan ontstaat er al snel een informeel vluchtelingenkamp; brandhaard voor ziektes. En 10 tot 25 procent van de kinderen stierf, want als een kind al ondervoed is, is behandelen rijkelijk laat.

Een jonge man, Steve Collins, vond in de jaren negentig een manier die mensen in staat stelde ondervoeding zelf te behandelen. Hij stuitte op de plumpy nut bar, een sportsnack op basis van pindakaas. Prachtig, vond Collins, die reep levert calorieën en kinderen zijn er dol op. De ontwikkelingsgemeenschap was in rep en roer. Unicef, Artsen zonder Grenzen zeiden: je gooit vijftig jaar kennis weg.

Pas in 2002 kon hij zijn methode uitproberen, toen Ethiopië niet langer veldziekenhuizen wilde. Vier jaar later keurde de Wereldgezondheidsorganisatie die goed. Unicef gebruikt 'm en Artsen zonder Grenzen ook.

Als er iemand komt met een ander antwoord, moet je onder ogen zien dat je misschien verantwoordelijk bent voor het niet-redden van levens. Dat je wereldbeeld niet klopt. De dokter heeft niet meer de macht, maar de mensen die altijd zijn gereduceerd tot de ontvangers. Het is in de hulpwereld makkelijk om te denken dat je superieur bent.

De feedback deugt niet. Mensen die geld geven en mensen die hulp ontvangen, zijn alleen verbonden via degenen die hulp leveren. Rechtstreeks klagen kan niet. Gevolg is dat de donor en de agent die de hulp levert samen hun verhaal verzinnen dat met de werkelijkheid weinig van doen heeft, ingegeven door eigenbelang. Ik heb onderzocht welke partijen ontwikkelingsorganisaties bewegen om te doen wat ze doen. Donoren staan op één, ontvangers op acht.

Nu geldt de private sector als de nieuwe ontwikkelingskampioen. Ik vind dat problematisch. Het idee dat ondernemingen de markt zijn werk laten doen, is lachwekkend. Les één in het bedrijfsleven is: om winst te maken, zorg je voor slecht functionerende markten. De private sector gaat die feedback niet herstellen, die gebruikt dat foutje voor eigen gewin.

Donoren kunnen wel wat doen. Geef geen geld voor dekens. Beter nog: geef niet, maar 'stel in staat'. Stap af van het idee dat mensen in arme landen veranderen door al het moois dat onze edelmoedigheid hen brengt.

De bestaande cultuur is zo dominant, als een vampier in van die oude films: hij blijft maar opduiken, al denk je dat je de laatste spijker in zijn doodskist hebt geslagen. Als je die cultuur direct aanvalt, krijg je het nog moeilijk. Het is voor mensen makkelijker zich al doende een nieuwe manier van denken aan te leren. In mijn boek reik ik ideeën aan. Leen het systeemdenken van het bedrijfsleven, dat daar al vijftig jaar lang zijn ketens mee doordenkt, leen netwerkanalyses van inlichtingendiensten, Leen simulaties van wegbeheerders die ze gebruiken om verkeersstromen te leiden.'

Ben Ramalingam, Aid on the edge of chaos, Oxford University Press, Oxford; 480 blz. euro 35,99

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden