Goed leven voor de armsten

De grootste ontwikkelingsorganisatie ter wereld, Brac in Bangladesh, begon traditioneel met onderwijs en zorg. Inmiddels is het een conglomeraat, dat zijn eigen geld verdient en economische sectoren uit de grond stampt.

IRIS LUDEKER

Taufiqur Rahman droomt van yoghurt. Hij droomt van roomijs en misschien zelfs van crème fraîche. Als het aan hem ligt, zijn de 160 miljoen inwoners van Bangladesh straks allemaal verslingerd aan melkproducten, en floreert de Bengaalse zuivelsector.

De dromen van Rahman zijn er niet op gericht dat hij zelf rijk wordt - dan had hij beter in de private sector kunnen blijven werken. Nee, Rahman wil iets goeds doen voor zijn land, de economie ontwikkelen en arme boeren een betere toekomst geven. Daarom zei hij een jaar geleden een goedbetaalde baan bij een van Bangladesh' grote industriële conglomeraten vaarwel, om een van de vijftien sociale bedrijven van Brac te gaan leiden.

undefined

Fijnmazig netwerk

Brac (Building resources across communities) is tegenwoordig naar eigen zeggen de grootste ontwikkelingsorganisatie ter wereld. In aantal werknemers laat ze grote spelers als Oxfam achter zich, ze bereikt vele miljoenen mensen. Net als westerse ontwikkelingsclubs is de ngo inmiddels ook internationaal actief. Zo zijn de Bengalen in Afghanistan aanwezig met een groot programma, in Oeganda, en in een handvol andere landen.

Maar het zwaartepunt ligt toch nog altijd in eigen land - daar kan de enorme reikwijdte van Brac zelfs nogal intimiderend overkomen. De organisatie zegt zelf 120 miljoen Bengalen te bereiken, in een fijnmazig netwerk dat in bijna alle sferen van het leven doordringt: onderwijs (Brac heeft zijn eigen scholen en universiteit), medische zorg (Brac heeft een netwerk van medische hulpverleners en voorlichters), of financiën (Brac heeft een microfinancieringstak en een bank) - je kan het zo gek niet bedenken of Brac is er in actief. Zelfs het lokale equivalent van de Bijenkorf is in handen van Brac.

"Als jij mij nu de naam van een willekeurig meisje in een dorp ergens in Bangladesh geeft", bluft Brac-woordvoerster Shararat Islam, "dan kan ik je binnen het uur zeggen hoe het met haar gaat." Die alomtegenwoordigheid gaat zo ver dat sommige mensen zich een beetje zorgen maken: want overvleugelt Brac de overheid niet te veel?

undefined

Vacuüm

Zeker is dat Brac zich kon ontwikkelen tot de organisatie die ze nu is, doordat de Bengaalse overheid na het ontstaan van Bangladesh (tot dan Oost-Pakistan) in 1971 zo tekortschoot. De bloedige afscheidingsoorlog van Pakistan liet een land in vernieling en chaos achter. En waar de staat faalde in het verstrekken van basale voorzieningen voor de bevolking, vulden (lokale) hulporganisaties het vacuüm.

Brac was daarbij, maar bijvoorbeeld ook de Grameen Bank, de microkredietorganisatie die in 2006 de Nobelprijs voor de Vrede kreeg. Bangladesh kent sindsdien een uitzonderlijk hoge dichtheid aan lokale maatschappelijke organisaties.

Zitten die ngo's de overheid in de weg? Niet per se, zegt Sajjad Zohir, onderzoeker van de Economic Research Group in de Bengaalse hoofdstad Dhaka. Hij houdt kantoor in een van de kantonnementen in de stad: wijken van het leger, waar in de praktijk de gegoede klasse woont in een oase van rust en orde in een verder chaotische stad. "Brac is niet de regering, ze maakt geen wetten of zo."

Bovendien, zegt hij, je kan je afvragen of het erg is dat publieke voorzieningen in handen van maatschappelijke organisaties zijn. "Er heerst sowieso verwarring over wat een publieke voorziening precies is. Eerst noemden economen onderwijs en gezondheidszorg publieke voorzieningen, maar Brac heeft laten zien dat andere instellingen dat ook prima kunnen verzorgen. Het gaat erom wie het meest efficiënt is. Sommige voorzieningen moeten misschien gegarandeerd worden door de overheid, maar hoe, dat is een andere vraag."

Hoe dan ook lijkt het erop dat de overvloedige aanwezigheid van lokale hulporganisaties Bangladesh geen kwaad heeft gedaan. Het Britse blad The Economist noteerde bijvoorbeeld in 2012 dat Bangladesh het misschien economisch niet zo goed deed in de voorafgaande decennia, met groeicijfers die onderdeden voor die van bijvoorbeeld India en Pakistan, maar dat het land op sociaal vlak uitzonderlijk goed presteert.

De afgelopen 25 jaar heeft Bangladesh bijvoorbeeld de gemiddelde levensverwachting tien jaar omhoog weten te krijgen, waardoor Bengalen ouder worden dan Indiërs, ook al zijn die laatsten twee keer zo rijk. Bijna alle meisjes (meer dan 90 procent) gaan tegenwoordig naar de basisschool, en de baby- en kindersterfte is in twee decennia spectaculair gedaald. Een van de belangrijkste redenen, aldus The Economist: de bloeiende ngo-sector - Brac voorop - die zorgt dat mensen makkelijk, efficiënt en goedkoop toegang hebben tot onderwijs en zorg.

undefined

Economie tot bloei

Maar de ambities van Brac stoppen niet bij die 'sociale' onderwerpen - economische ontwikkeling (van de allerarmsten) is nadrukkelijk ook een doel. Van mensen, maar ook van industrieën. Sinds de jaren negentig probeert Brac met sociale ondernemingen economische sectoren tot bloei te brengen. Dat is waar Taufiqur Rahman een bijdrage aan wilde leveren toen hij overstapte naar Brac, ook al moest hij de helft van zijn salaris inleveren. "Als Brac een bedrijf opzet, zijn we altijd pioniers. Dit deel van Pakistan was niet ontwikkeld, er was nauwelijks industrie en er waren weinig investeerders toen we onafhankelijk werden. Het was in zekere zin commercieel leeg land."

Nu is Rahman dus (onder meer) verantwoordelijk voor het opbouwen van de Bengaalse zuivelsector. Alles begint en eindigt met een sociaal oogpunt, zegt hij, maar het gevolg kan wel degelijk zijn dat Brac een belangrijke marktspeler wordt. "In de jaren tachtig gaven we kalveren en koeien aan extreem arme mensen, maar die bleken daar weinig aan te hebben omdat ze de melk niet konden verwerken. Er was destijds één melkverwerkingsfabriek van de overheid, en daar kwamen ze niet tussen. Eind jaren negentig hebben we daarom een private verwerkingsfabriek opgezet, waarmee we een marktaandeel van 24 procent hebben."

Inmiddels zijn er ook grote commerciële partijen actief in de zuivel, die de sector verder helpen ontwikkelen. Dat is niet direct het doel van Brac, zegt Rahman, het helpen van de armen is primair, maar erg is het ook niet. "Het idee is toch ook dat wij een risicoinvestering doen om te laten zien dat het kan, dat een sector levensvatbaar is, zodat commerciële partijen het over kunnen nemen."

Voor sommige sectoren is dat inmiddels gebeurd. "Brac Solar bijvoorbeeld. Ons doel was niet om geld te verdienen, maar om te zorgen dat iedereen een zonnepaneel op zijn dak heeft." Inmiddels is dat gebeurd en hebben commerciële partijen de markt helemaal overgenomen: zelfs de gammelste hut in de Bengaalse Delta heeft een zonnepaneel, zodat ook de armste Bengaal zijn telefoon kan opladen of een peertje kan laten branden.

Met de pluimveetak van Brac gaat het ook die kant op, zegt Rahman. "Er zijn nu ook grote clubs actief, multinationals zelfs, en wij kunnen niet competitief meer zijn, we moeten eruit stappen. Maar ons primaire doel is gehaald: namelijk dat mensen meer vlees eten, meer voedingswaarde binnen krijgen."

undefined

Crème fraîche

In de zuivel ziet Rahman nog wel een tijdje mogelijkheden, hoewel het door de lage melkprijzen op de wereldmarkt, in combinatie met zijn duurzame doelstellingen moeilijk is. Hij is verplicht om 50 procent van zijn winst aan Bracs sociale tak te geven, en hij moet de melk afnemen van de 'eigen boeren'. "Met die lage internationale prijzen zou ik nu eigenlijk moeten stoppen met productie en moeten importeren, maar dat kan ik bij Brac niet doen. Onze commerciële concurrenten doen het wel, die importeren melkpoeder uit Australië en Denemarken, zwaar gesubsidieerd ook nog, en verwerken het hier."

Om de concurrentie toch aan te gaan, zet Rahman zijn producten niet in de markt als 'sociaal'. "Ik ben binnengehaald om Brac commerciëler te laten denken, en om te beginnen heb ik de naam 'Brac' helemaal uit ons promotiemateriaal weggehaald. We zetten nu in op patriottisme: onze producten zijn misschien duurder, maar het is het beste uit eigen land."

Rahman ziet bovendien nog altijd voldoende mogelijkheden om zijn fabrieken uit te breiden, nieuwe horizonten op te zoeken. "We willen diversifiëren, meer winst maken, andere producten dan melkpoeder maken." Yoghurt, roomijs, crème fraîche dus - voor Bangladesh. "Dat is waarom ik hier werk, ik wil iets voor mijn land betekenen. Je kan alleen bij Brac werken als je een patriot bent."

undefined

Ook andere ngo's richten zich nu op ondernemen

Brac is niet alleen vooruitstrevend omdat het als ngo uit een arm land tot een van de grootste ontwikkelingsorganisaties ter wereld heeft kunnen uitgroeien. Bijzonder is ook dat de club - anders dan veel westerse 'soortgenoten' - voor een groot deel in zijn eigen inkomsten voorziet door te ondernemen.

Waar Brac in het begin van zijn bestaan geheel afhankelijk was van internationale donoren, voorziet de organisatie nu voor 70 procent in zijn eigen inkomsten. Zo leveren de microfinancieringspoot en een bank Brac jaarlijks honderden miljoenen dollars op, en wordt er ook verdiend met de 'sociale ondernemingen' die onder de Brac-stichting hangen. Het streven is om in 2021 helemaal financieel zelfvoorzienend te zijn.

Daarmee kunnen Nederlandse ontwikkelingsorganisaties een voorbeeld aan Brac nemen, zou je denken, nu de overheidsfinanciering van ontwikkelingssamenwerking de afgelopen jaren sterk is afgenomen. De sector is in die tijd gesaneerd, en de overgebleven organisaties zijn gedwongen om naar andere financieringsbronnen om te kijken.

Ondernemen is daarbij niet de belangrijkste bron, maar er is de afgelopen tien jaar wel heel veel gebeurd, zegt Bart Romijn. De directeur van de koepel voor ontwikkelingsorganisaties Partos ziet een enorme 'diversificatie' in de zoektocht naar geld, waarbij organisaties in de eerste plaats bij andere instanties aankloppen voor financiering: bijvoorbeeld bij het bedrijfsleven of bij internationale fondsen.

"Maar ook ondernemen begint van de grond te komen", zegt Romijn. Zo zijn er ontwikkelingsorganisaties die microfinancieringsinstrumenten of investeringsfondsen hebben opgezet waar ze geld mee verdienen. Cordaid heeft bijvoorbeeld (al meer dan tien jaar) een investeringsfonds waar bijna 100 miljoen euro in zit, speciaal bedoeld voor landen waar bedrijven en sectoren moeilijk financiering in het commerciële circuit kunnen vinden. Er zijn ook clubs die zich laten betalen voor het leveren van diensten, in de ICT bijvoorbeeld. En er zijn ngo's die lokale ondernemingen opzetten op plekken waar het bedrijfsleven het nalaat, ook om er geld mee te verdienen.

Romijn is enthousiast over deze semi-commerciële ontwikkeling, hoewel hij één kanttekening zet. "Maatschappelijke organisaties hebben in ontwikkelingslanden ook een waakhondfunctie, ze zijn er ook om overheden en bedrijven in de gaten houden. Die focus moeten ze behouden."

undefined

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden