Goed en fout / Oordeelt niet!

Waarom veroordelen wij anderen zo gretig? Waarom slaan wij iemand wiens zonden aan het licht komen zo hard? Filosofe Karin  Melis  buigt zich, aan de hand van Hannah Arendt, over goed en fout. „Het is verleidelijk en gemakkelijk om mensen uitsluitend op hun gedrag af te rekenen, het is daarentegen een kunst om te verstaan."

Toen Hannah Arendt in haar boek ’Eichmann in Jeruzalem’ (1963) de collaboratie van de Joodse Raden met het Hitler-regime op niet mis te verstane wijze aan de kaak stelde, viel de intelligentsia over haar heen. Toen eind jaren tachtig aan het licht kwam dat de wijsgeer Bernard Delfgaauw in de Tweede Wereldoorlog lid was geweest van het Zwart Front, spatte intellectueel Nederland uit zijn voegen van verontwaardiging: was dat niet diezelfde Delfgaauw die ooit tegen de Vietnam-oorlog protesteerde? En het Duitse geweten wankelt sinds Günter Grass bekende dat hij zich als zeventienjarige vrijwillig had aangemeld bij de Waffen-SS.

Het is duidelijk wat deze situaties met elkaar gemeen hebben: een collectief onverwerkt oorlogsverleden geeft brandstof aan felle emoties die zich ontledigen in rücksichtslose veroordelingen. Een kind doet de was.

Volgens mij is evenwel een prangender kwestie de vraag wat die snoeiharde oordelen bewerkstelligt. Om het eens basaal te formuleren: waarom slaan we elkaar zo hard, vanwaar ligt die lat zo hoog als fouten van de ander aan het licht komen?

De controverse rond de van oorsprong Duits-joodse politieke denker Hannah Arendt (1906-1975) werd voornamelijk veroorzaakt door de wijze waarop zij de rol van de Joodse Raden in het Derde Rijk belichtte in haar boek over het proces tegen Adolf Eichmann. Haar werd weliswaar een slordige omgang met feiten verweten, maar het was vooral haar toon die kwaad bloed zette. Die toon, in al zijn eloquentie en eruditie, grensde aan sarcasme. Het was de toon van iemand die met een afstandelijke blik tegen de dingen aankijkt. Arendt heeft later, in een brief aan haar vriendin de schrijfster Mary McCarthy, bekend dat ze het boek in een ’curieuze staat van euforie’ heeft geschreven. De filosofe was zogezegd los van de verschrikkelijke materie onder haar handen. Als in ’een lovende staat van transcendentie’, zo recenseerde McCarthy, gaf Arendt de lezer de mogelijkheid om het geheel op intelligente wijze te overzien. Eigenlijk maakte de romanschrijfster het nog bonter: ze vergeleek Arendts toon met die van Mozart in ’Figaro’ en van Hündel in de ’Messiah’. Evenzo werd de lezer opgezweept tot grote hoogten vanwaaruit de blik naar omlaag keek.

Kort en goed, de rechtbankverslaggeving was een academische exercitie – onthecht van het slijk van de werkelijkheid en ontdaan (of moet ik zeggen: verlost?) van de worteling in diezelfde werkelijkheid. Dat is een soort berekenend kijken waarbij de blik uitsluitend door consistentie wordt geleid. Dieperliggende en elkaar bevechtende motieven, of door radeloosheid ingegeven dwaalwegen komen dan niet meer in het vizier. Principieel houdt Arendt zich verre van de redenen van het hart. Die horen volgens haar niet thuis in de publieke ruimte, die dienen zich schuil te houden in de geborgenheid van eigen huis en haard. Waarvan akte.

Arendt, die in 1933 Duitsland moest ontvluchten, suggereerde dat Joden systematisch hun eigen mensen aan de nazi’s hebben overgegeven. Ze verzuimde te vertellen onder welke omstandigheden de Joodse Raden tot stand waren gekomen. Hoe de nazi’s Joden telkenmale voor hartverscheurende dilemma’s plaatsten, zoals we die kennen uit William Styrons ’Sophie’s Choice’. In dit boek dwingt een nazi-officier Sophie om voor één van haar twee kinderen te kiezen; het andere wordt onherroepelijk gedeporteerd. Het tart elke verbeelding je voor te stellen wat het betekent om onder ondraaglijke druk je broeders en zusters de dood in te sturen. Dáár verspilde Arendt geen woord aan. Ze rekende de Joodse Raden af, zoals dat tegenwoordig veelbetekenend heet, op hun lafheid. Hun handelwijze was, zoals ze zelf zei, moreel niet te rechtvaardigen.

Ook de ondertitel van Arendts boek, ’De banaliteit van het kwaad’, gaf aanleiding tot emotionele discussies aan weerszijden van de Atlantische Oceaan. Met die ondertitel wilde Arendt aanduiden dat Eichmann, een van de bureaucratische radertjes in de vernieting van de Joden, geen moment stilstond om zich te bezinnen op waar hij nu eigenlijk mee bezig was. In de beklaagdenbank verklaarde Eichmann dat hij destijds zijn plicht deed en uitvoerde wat er van hem gevraagd werd.

Veel overlevenden en nabestaanden van de slachtoffers van de vernietigingskampen ervoeren Arendts observaties als een hemeltergende bagatellisering van het onbeschrijfelijke oorlogsleed. Die banalisering door Arendt, want dat was wat zij zelf ook deed, perverteerde het lijden van de slachtoffers. Ze werden niet serieus genomen. Voor het oog van de wereld werden ze als lafaards te kijk gezet. Zij hadden niet voldaan aan de norm ’moed’. Integendeel, zij waren bezweken onder de druk van de nazi’s.

Als je de kwestie zo beschouwt, ja, dan heeft Arendt formeel gelijk. Maar in existentiële zin slaat zij de plank mis. Sterker, met haar oordeel doet zij de zaak geweld aan. Dit nu is merkwaardig, want geheel in strijd met haar oogmerk. Arendt zette haar verslag van ’de banaliteit van het kwaad’ namelijk in het perspectief van de morele ineenstorting van de Europese beschaving. Hoe de mens nog in staat is om te oordelen als alle morele categorieën door de holocaust zijn opgeblazen, is de vraag die steeds bij haar op de achtergrond meespeelt. Maar hoe erbarmelijk de omstandigheden ook die daartoe geleid hebben, het verlies van uiteindelijk ontoereikende normen geeft volgens mij ook de gelegenheid om met andere ogen te kijken. De keerzijde van de teloorgang van houvast is immers bevrijding.

Geen enkele, traditionele moraliteit leek in die barre tijd nog richting te kunnen geven. En nog steeds lijken we in die duisternis te verkeren – getuige bijvoorbeeld het huidige, voortslepende normen- en waardendebat. Dat heeft het niveau van ’geen voeten op de bank in de trein’ niet kunnen ontstijgen. En ik vermoed dat dat vooral te wijten is aan het feit dat we de tekenen des tijds niet verstaan. In plaats daarvan gaan we over tot het vervaardigen van voorschriften en staan we klaar met ons oordeel.

Natuurlijk heeft Arendt gelijk als ze in haar geruchtmakende verslag stelt dat het geen zoden aan de dijk zet om te oordelen in termen van monsterlijkheid, want zulks is nietszeggend in het aangezicht van (on)schuld. Het is trouwens ook een vorm van schelden en schelden doet wel pijn, maar raakt de kern van de zaak niet. Toch wordt daar tot op de dag van vandaag gretig gebruik van gemaakt. Opiniemakers en politici, bij uitstek de participanten in het debat over moraliteit, nemen hun toevlucht tot demoniseren. En daar waar mensen iemand demoniseren zullen ze hem daags erna idoliseren. Verguizing en idolatrie gaan nu eenmaal, net als almacht en onmacht of sentimentaliteit en wreedheid, hand in hand. Maar de inhoud, daar waar het in wezen om gaat, blijft onaangeroerd.

Geert Mak ervoer dat met de publicatie van zijn boekje ’Gedoemd tot kwetsbaarheid’. De poging die aan het werkje ten grondslag lag, was het verstaan van de tekenen des tijds. Maar het doelwit van zijn critici was, naast feitelijke slordigheden, vooral de vergelijking die Mak maakte tussen Goebbels’ ’Der Ewige Jude’ en ’Submission’, de filmproductie van Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali. In het daaropvolgende ’Nagekomen flessenpost’ verklaarde Mak dat hij hiermee had willen zeggen dat we moeten oppassen om niet, net zoals Goebbels, gebruik te maken van een wel ’zeer effectieve propagandatruc’.

Naar mijn mening had Mak die vergelijking niet moeten trekken. Hij raakt hiermee onze collectieve achillespees. Aan de andere kant gebruikten zijn critici de ongelukkige vergelijking als bliksemafleider. Een vormfout schuift over de inhoud en produceert haar eigen fictieve werkelijkheid. En deze schijnwerkelijkheid weet ’de zaak’ effectief toe te dekken.

Raadselachtig toch hoe zaken als vorm, uitwendigheid en formaliteit zoveel gemakkelijker te raken zijn. Hoe komt het toch dat de schijn het zo gemakkelijk van de werkelijkheid wint?

We oordelen in zoverre ons oog kan zien. Dat heeft Goebbels en met hem de hele moderne imagemaking-industrie goed gezien. Als je volkomen op je verschijning afgerekend kunt worden, dan kan die ook opgekalefaterd worden. De werkelijkheid is beeld geworden en beeld werkelijkheid. Oppervlakkig? Zeker. Maar niet onbelangrijk, getuige de emoties die Maks vergelijking losmaakte. Mensen voelden zich erdoor geschonden. Zoals ook de Joodse lezers van Arendts boek én de auteur zelve zich geschonden voelden.

In haar post scriptum bij de herziene uitgave van ’Eichmann in Jeruzalem’ noemt Arendt het mediatumult een georganiseerde lastercampagne die jegens haar losbarstte nog voordat het boek in de schappen lag. Ze spreekt van imagemaking en manipulatie van de publieke opinie waarvoor de media ruim baan gaven. En ze beklaagt zich er in een brief aan McCarthy over hoe die gemanipuleerde beelden de plaats innemen van wat er werkelijk op het spel staat: hoe recht te spreken ten aanzien van een misdaad zonder precedent.

Maar ze vergeet dat ze juist zelf zoveel nadruk legt op de procedurele en formele kant van de zaak. Arendt doet wat ze de media zo verwijt: het hoe schuift over het wat. Een frappant voorbeeld hiervan is hoe zij, geïnspireerd door McCarthy, het dilemma formuleert waar de leden van de Joodse Raden mee worstelden: „Als iemand je onder schot houdt en zegt: ’Vermoord je vriend of ik schiet je dood’, dan brengt hij je in verzoeking, dat is alles.” Als dat inderdaad alles is dan hoef ik niet dagelijks te bidden: ’En leid ons niet in verzoeking’. Maar wat die verzoeking betekent, hoe die zich aandient en het innerlijk overhoop haalt, en of we daar überhaupt woorden voor hebben, daar hoor je haar niet over.

Dat kan ook niet, want Arendt heeft zich onthecht van het wel en wee van de menselijke existentie en stelt zich op als toeschouwer van de geschiedenis, zich geen moment afvragend wat er zich aan gene zijde van die verschijningen bevindt. De collaborerende Joden die zij op het oog had, hadden prima facie alle schijn tegen zich: het zichtbare, het beeld, verborg wat er zich werkelijk in hen afspeelde.

Het is verleidelijk en gemakkelijk om mensen uitsluitend op hun gedrag af te rekenen, het is daarentegen een kunst om te verstaan. En werkelijk verstaan doe je in betrokkenheid. Maar daarmee zet je jezelf ook op het spel en dat vergt de moed tot kwetsbaarheid. En die kwetsbaarheid laat soms op zich wachten, uit angst voor het nietsontziende oordeel van de wereld.

Zo bekende de Groningse filosoof Bernard Delfgaauw in 1990 op 78-jarige leeftijd in een radio-interview dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog lid was geweest van het antisemitische Zwart Front. Zijn leven lang had hij dit verzwegen. Hij was naïef, zei hij, het was een vergissing. En de man schaamde zich. Hij was bang geweest dat deze zonde zou uitkomen, toen hij tegen de Vietnam-oorlog protesteerde. Delfgaauw was degene die de destijds verboden leus ’Johnson Moordenaar’ vertaalde in: „Gemeten naar de maatstaven van Neurenberg en Tokio zijn Johnson, zijn naaste medewerkers en generaals oorlogsmisdadigers.” Toen hij tegen het einde van zijn leven zijn bekentenis deed, werden deze woorden honend aangehaald. Opeens stonden die in een verdacht licht. Delfgaauw was een schijnheilige. En Nederlandse intellectuelen verkeerden in een euforische transcendentie die hun in staat stelde om hem te veroordelen.

Met Günter Grass wordt de soep niet zo heet gegeten, al klinkt ook hier en daar wel het venijn door.

De verleiding om korte metten te maken, blijft op de loer liggen. Alsof de mens niet tot inkeer kan komen in dit leven. Alsof hij tot in lengte van dagen voor het zicht van de wereld moet boeten voor zijn zonden.

Hannah Arendt hekelt mensen die zeggen dat er in ieder van ons een Eichmann huist, dat het kwaad in elk van ons huist. Volgens haar kunnen we formeel en juridisch nu eenmaal niet collectief schuldig of onschuldig zijn. Maar ze weerspreekt hiermee de ervaring dat we ons tot de dag van vandaag met schaamte zouden willen bedekken, nu we in het volle bewustzijn leven van het schandaal waartoe de mensheid in staat is gebleken. Vandaar ook dat het zo krenkend is als we terechtgewezen worden in termen die aan de holocaust zijn ontleend. En vandaar ook dat er zo doeltreffend van dat wapen gebruik wordt gemaakt.

Als we in dat licht veroordeeld worden, voelen we ons gekwetst, omdat we ten diepste niet weten hoe we zélf zouden handelen als we in zulke verzoeking gebracht zouden worden. Zouden we misschien niet net als Delfgaauw, zoals hij destijds zei, heimelijk denken: zolang ze het op Joden voorzien hebben, hebben ze het niet op ons voorzien? Als de aantijging aan ons adres eenmaal het daglicht heeft gezien dan zijn we, gedreven door innerlijke onzekerheid over ons eigen feilen, weerloos. Je kunt je niet verweren tegen een beschuldiging die onweerlegbaar is. En degene die het oordeel uitroept, wijst met een priemende vinger naar de ander. Zolang de schijn bestaat dat de norm op de ander van toepassing is, blijf ikzelf buiten schot. Ik overzie de wereld vanuit mijn ivoren toren en ik hoef me geen rekenschap te geven van mijn eigen modderige voeten. Ja, ik overzie de wereld en ik veroordeel haar dwaalwegen.

Maar zolang ik niet begrijp hoe mijn eigen weg daar in kruist, kan ik er maar beter het zwijgen toedoen en hopen dat er een dag aanbreekt waarop ik de tekenen des tijds versta. Opdat ik in compassie met de wereld mag verkeren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden